Hoofdstuk 6: Overervingsmechanismen
Leerdoelen
De student bespreekt de overervingsmechanismen:
o De student bespreekt de toetskruising
o De student bespreekt de wisselwerkingen tussen genen
De student bespreekt epistasie en hypostasie
De student bespreekt complementaire genen
De student bespreekt cumulatieve factoren of additieve
polygenie
De student bespreekt pleiotropie
De student bespreekt lethale genen
o De student bespreekt de echte uitzonderingen op de wetten van
Mendel
De student bespreekt de koppeling van factoren
De student bespreekt crossing-over en uitwisseling van genen
De student bespreekt de mutaties
o De student bespreekt de belangrijkste erfelijke kenmerken en
aandoeningen
De student bespreekt de autosomaal recessieve
overervingswijze en geeft een voorbeeld
De student bespreekt de autosomaal dominante
overervingswijze en geeft een voorbeeld
De student bespreekt het principe van de multiple allelen aan
de hand van de bloedgroepen
De student bespreekt het Rhesussysteem
De student bespreekt de geslachtsgebonden (X-gebonden)
overerving (de geslachtsbepaling, de erfelijke afwijkingen
gebonden aan het geslacht)
o De student bespreekt de niet-Mendeliaanse erfelijkheid
De student bespreekt de mitochondriale erfelijkheid
De student bespreekt de uniparentale disomie
De student bespreekt de genomische imprinting
(experimenteel bewijs, de fysiologische betekenis, het
mechanisme)
De student karakteriseert de overervingsmechanismen:
o De student geeft een voorbeeld bij een biologisch fenomeen
o De student verklaart de genetische variatie
o De student maakt oefeningen op de wetten van Mendel
o De student maakt oefeningen op drie-punts-kruisingen
, BLT03: Biologie
Inleidende begrippen
Soort
Familie geslacht soort (Hiërarchische indeling van de organismen)
Bv: Amaryllidaceae Galanthus (sneeuwklokje) en Narcissus (narcis)
verschillende kleuren binnen 1 geslacht
Verschillende kleur (soorten) kunnen we niet onderling kruisen
Centrale gedachte: de mogelijkheid tot kruisen bepaalt of 2 individuen al
dan niet tot dezelfde soort behoren!
Modificatie en variabiliteit
Binnen 1 soort nog vele variaties
Vb. mens (als soort) Zweden, Chinezen,…verschillen in uiterlijk
- Verschillende rassen
- Vele variaties (variabiliteit)
Erfelijk
Niet erfelijk: als aanpassing aan uitwendige omstandigheden =
modificaties
Vb. zaad van een grote plant ontwikkelt tot kleine plant bij
ongunstige omstandigheden
Geno- en fenotype
Genen = delen van het chromosoom die instaan voor het tot uiting komen
van 1 kenmerk
Genotype = erfelijke informatie zoals die in de genen te vinden is
Fenotype = uiterlijk waarneembare kenmerken komt tot stand onder
invloed van het genotype en de omgeving
Gen versus alle(e)l
Gen(en) = deel van een chromosoom dat instaat voor de uiting van een
kenmerk + codeert voor een bepaalde erfelijke eigenschap
Alle(e)l = een bepaalde variant van een gen
Allelenpaar = genen van een bepaald kenmerk liggen op dezelfde plaats
bij homologe chromosomen
, BLT03: Biologie
Homo- en heterozygoot
Homozygoot = allelenpaar voor bepaald kenmerk is samengesteld uit 2
identieke allelen: aa of AA
Zaadvast in geval van planten
Raszuiver in geval van dieren
Heterozygoot = allelenpaar voor bepaald kenmerk is samengesteld uit 2
verschillende allelen: Aa
Hybriden in geval van
planten
Bastaarden in geval van
dieren
Dominant fenotype komt tot uiting:
AA/Aa
Recessief fenotype komt tot uiting:
aa
De wetten van Mendel
De wetten van Mendel
Johann Gregor Mendel botanicus grondlegger erfelijkheidsleer
Kruisproeven met erwten en planten wetten van Mendel
De eerste wet van Mendel
Uniformiteitswet = bij kruising van homozygoten, die onderling elk 1
kenmerk verschillen (monohybride kruising), ontstaan hybriden
(heterozygoten) die allen hetzelfde uniforme fenotype (en genotype)
hebben
F1 = 100% gelijk (eerste filiale generatie)
Uitwerking zie apart blad
Dominant-recessief: Rood = dominant
Kenmerk dubbel aanwezig bij
ouders door homologe
chromosomen
Gameten = 1 allel
Nakomelingen: 100%