Deel 1: Kadering van diagnostiek en behandeling
Hoofdstuk 1 - Psychodiagnostiek
Hoofdstuk 2 - indicatiestelling
Hoofdstuk 3 - Transdiagnostische benadering
Deel 2: Diagnostiek en behandeling vanuit verschillende theoretische benaderingen
Hoofdstuk 4 - Farmacotherapie en niet-psychotherapeutische behandelingen
Hoofdstuk 6 - Cliëntgerichte behandeling van psychopathologie
Hoofdstuk 7 - Cognitieve gedragstherapie
Hoofdstuk 8 - Interpersoonlijke therapie
Deel 3: Diagnostiek en behandeling bij verschillende vormen van psychopathologie
Behandeling van suïcidaal gedrag in de praktijk van de GGZ
Hoofdstuk 3: Verklaringen
Hoofdstuk 4: Richtlijnen behandeling suïcidaal gedrag
Hoofdstuk 5 - Systematische beoordeling van suïciderisico
Hoofdstuk 9 - Angststoornissen
Hoofdstuk 10 - stemmingsstoornissen
Hoofdstuk 11 - PTSS
Hoofdstuk 12 - Dissociatieve stoornis
Hoofdstuk 13 - Psychotische stoornissen
Hoofdstuk 14 - Obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen
Hoofdstuk 15: Disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen
Hoofdstuk 16: Middelgerelateerde en verslavingsstoornissen
Hoofdstuk 17 - Persoonlijkheidsstoornissen
Hoofdstuk 19: Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen
Hoofdstuk 20 - Eetstoornissen
Deel 1: Kadering van diagnostiek en behandeling
Hoofdstuk 1 - Psychodiagnostiek
Drie verschillende instrumenten om onderzoeksvragen te beantwoorden:
1. Onderzoeksgesprekken
2. (Gedrags)observaties
3. Psychologische tests en vragenlijsten
Psychodiagnostiek Stepped-care-model
, Het wetenschappelijk combineren van Eerst volstaan vaak gesprek en
informatie over persoon, gedrag en observatie. Bij ernstige, hardnekkige of
omgeving om onderzoeksvragen te onduidelijke klachten volgt uitgebreider
beantwoorden. onderzoek om de context en passende
behandeling te bepalen.
Wanneer maak je gebruik van uitgebreid psychodiagnostisch onderzoek?
→ Zinvol als klachten mogelijk samenhangen met intelligentie, ontwikkelingsproblematiek,
persoonlijkheid of cognitief functioneren.
→ Ook bij eerdere mislukte behandelingen of vermoedelijke persoonlijkheidsproblematiek.
Psychodiagnostiek als ‘huis’
● De buitenkant staat voor de classificerende diagnose zoals DSM-5.
● De stevigheid/opbouw staat voor de verklarende hypothese, zoals ontwikkeling,
temperament, persoonlijkheid, coping en cognitieve stijl.
De psychodiagnosticus kan meerdere rollen aannemen in het diagnostische proces:
1. Intaker - wil in het eerste contact uitzoeken wat er aan de hand is
2. Diagnosticus - wil klachten of problemen kaderen
3. Psychodiagnosticus - wil diepgaand ingrijpen
Diagnostische cyclus (afgeleid van empirische cyclus)
Stap Centrale Type diagnose Korte uitleg
vraag
1. Wat is de Verhelderende De hulpvraag van de cliënt en de
Klachtenanalyse vraag? diagnose vraag van de verwijzer worden
duidelijk gemaakt. Ook wordt
gekeken naar de aanleiding en
verwachtingen van het
onderzoek.
2. Wat is het Beschrijvende / De klachten worden in kaart
Probleemanalyse probleem? onderkennende gebracht: welke symptomen zijn
diagnose er, hoe ernstig zijn ze en hoe
beïnvloeden ze het functioneren?
Eventueel wordt gekeken naar
een DSM-5-classificatie.
3. Waar Verklarende Er worden mogelijke verklaringen
Verklaringsanaly komen de diagnose onderzocht, zoals persoonlijkheid,
se klachten ontwikkeling, coping, intelligentie
vandaan? of cognitief functioneren. Deze
hypothesen worden getoetst met
passende onderzoeksmethoden.
, 4. Wat is de Indicerende Op basis van de resultaten wordt
Indicatieanalyse beste diagnose bepaald welke behandeling of
aanpak? begeleiding het beste past bij de
cliënt. Ook wordt gekeken naar
de prognose.
Falsificatie en verificatie tijdens de klachtenanalyse
Falsificatie Verificatie
Doelgericht en systematisch informatie Doelgericht en systematisch informatie
zoeken die eigen theorie kan ontkrachten zoeken die de eigen theorie kan
● Toetsen nulhypothese bevestigen
● Hier beginnen voorkomt tunnelvisie
Tijdens de probleemanalyse vormt de onderzoeker een beeld van de cliënt op basis van:
Gestandaardiseerde klachten inventarisatie
● Gestandaardiseerde vragenlijsten
● Symptoom Vragenlijsten
● Routine Outcome Monitoring-procedure (gestandaardiseerd in veel GGZ)
→ Bedoeld voor het waarborgen van de kwaliteit van zorg, maar ook geschikt voor
het monitoren van de behandelresultaten.
OQ-45 = een ROM-instrument dat klachten meet op intrapsychisch, interpersoonlijk en
sociaal functioneren. De scores helpen bij het opstellen van hypothesen over de klachten
van de cliënt.
Speciële anamnese
In beeld brengen van de specifieke klachten met het accent op het huidige probleem.
● Luxerende factoren → welke druppel deed de emmer overlopen?
● De aanloop van de problemen
● Welke verklaring hij/zij zelf heeft voor de problemen
● Interferentie → belemmeren de klachten sociale, relationele en functionele
aspecten?
Psychiatrische anamnese
Brengt psychiatrische symptomen systematisch in kaart.
● Verschijning en psychomotoriek – gedrag, lichaamsbouw, hygiëne, oogcontact
en motoriek
● Oriëntatie – in tijd, plaats en persoon
● Aandacht en geheugen – o.a. arousal, afleidbaarheid, KTG, LTG en visueel
geheugen
● Waarneming – zintuiglijke informatieverwerking, hallucinaties of illusionaire
vervalsingen
● Spraak en denken – afwijkingen in spraak, denkstoornissen en pathologische
gedachten
, ● Stemming en affect – ervaren emoties over langere tijd en hoe emoties worden
geuit
● Persoonlijkheid – stabiele gedrags- en reactiepatronen over situaties heen
Afweermechanismen = Manieren waarop iemand ongewenste gevoelens afweert.
→ Tijdens psychodiagnostiek wordt gekeken hoe iemand met gevoelens omgaat en hoe
kwetsbaar of stevig diegene overkomt.
● Rijpe afweer – gevoelens op een gezonde of sociaal geaccepteerde manier
verwerken, zoals humor, sporten of harder werken.
● Primitieve afweer – gevoelens ontkennen of bij anderen/externe oorzaken
neerleggen, zoals loochening of projectie.
Observaties tijdens onderzoeksgesprekken
Geeft indruk van minder zichtbare aspecten tijdens gesprekken.
● Mentalisatieniveau = In hoeverre de cliënt in staat is om gedragingen te zien als
een resultaat van eigen gedachten en gevoelens
Biografische (hetero)anamnese
Tijdens de biografische anamnese wordt de levensgeschiedenis van de cliënt onderzocht,
zoals de ontwikkeling, eerdere psychische of leerproblemen, belangrijke life events en
psychiatrische problemen in de familie.
Huidig functioneren
Kijkt hoe de cliënt op dit moment functioneert.
Diagnostiek De probleemanalyse eindigt vaak met
beschrijvende/onderkennende diagnostiek:
klachten worden beschreven, maar nog
niet verklaard.
DSM-classificatie Klachten worden gekoppeld aan een
DSM-categorie, zodat ze samengevat
kunnen worden en passende behandeling
gekozen kan worden.
Aandachtspunt Te veel nadruk op DSM kan de
persoonlijke context en betekenis van
klachten naar de achtergrond duwen. Een
DSM-diagnose moet alleen gesteld
worden als dit zorgvuldig en nodig is.
Verklaringsanalyse
In de verklaringsanalyse zie je de empirische cyclus terug.
1. Onderzoeksvragen en hypothesen
● Er worden onderzoeksvragen opgesteld.
● Hypothesen moeten toetsbaar zijn.
● Hypothesen moeten ook falsifieerbaar zijn.
2. Keuze van instrumenten en methode
● Hypothesen worden meetbaar gemaakt.
● Passende methoden en meetinstrumenten worden gekozen.