H9: De analyse van competitieve markten
Een perfect competitieve markt is een markt waarin:
Veel aanbieders en kopers zijn
Alle producten identiek zijn
Niemand invloed heeft op de prijs (prijsnemers)
Iedereen volledige informatie heeft
Bedrijven makkelijk kunnen toetreden en vertrekken
Consumentensurplus: meet het totale voordeel van alle consumenten
tezamen. Het is het verschil tussen wat je maximaal wilt betalen
en wat je daadwerkelijk moet betalen. Alles onder de vraagcurve
maar boven de marktprijs.
Bv. Consument A is bereid om $10 te betalen voor een goed met
een marktprijs van $5 en ervaart daardoor een voordeel van $5.
Consument B is bereid om $7 te betalen voor een goed met een
marktprijs van $5 en ervaart daardoor een voordeel van $2. … Al
deze voordelen opgeteld is het CS.
Productensurplus: Sommige producenten produceren aan een
kost die gelijk is aan de marktprijs. Andere producenten zijn in staat om aan een
lagere prijs te produceren dan de marktprijs. Sommige producenten ervaren dus
een voordeel doordat de marktprijs hoger ligt dan hun kostprijs. Het PS meet het
totale voordeel van alle producten tezamen. Het is alles boven de aanbodcurve
maar onder de marktprijs.
CS + PS = totale welvaart
Vraag vs. gevraagde hoeveelheid:
Als de prijs wijzigt dan veranderd de gevraagde hoeveelheid (beweging
langs de vraagcurve.
De vraag verandert als de vraagcurve verschuift (bv. bij verandering is
wensen consumenten)
Overheidsingrijpen
Een competitieve markt is meestal economisch efficiënt, omdat zij het totale
voordeel voor consumenten en producenten maximaliseert (= maximalisatie van
CS en PS).
Overheidsingrijpen in prijzen (zoals minimum- of maximumprijzen) zorgt vaak
voor welvaartsverlies (deadweight loss): er wordt te weinig of te veel
geproduceerd, waardoor iedereen samen slechter af is.
Toch werkt de markt niet altijd perfect. Dat heet marktfalen en gebeurt vooral bij:
Externaliteiten: als kosten of voordelen (zoals vervuiling) niet in de prijs
zitten.
Gebrek aan informatie: als consumenten niet genoeg weten over een
product.
,Zonder deze problemen zorgt een vrije markt voor de beste uitkomst. Maar als de
prijs kunstmatig te hoog of te laag wordt gezet, ontstaat verlies aan welvaart en
inefficiëntie.
Maximumprijs (Pmax): De overheid bepaalt een plafondprijs die lager is dan de
evenwichtsprijs. Dit doet
het om consumenten te
beschermen. Producenten
bieden minder aan bij
deze prijs en
consumenten vragen
meer bij deze prijs =
vraagoverschot.
DWL = verlies van CS of
PS dat niet naar de andere
actor gaat (D dus niet
want die gaat van de producten naar de consumenten (=transfer))
Minimumprijs: Het doel
hier is om de produceten
of aanbieders te
beschermen bv. in de
landbouw of
minimumloon (hier zijn de
werknemers de
aanbeiders).
Kost van overproductie:
goederen die
geproduceerd worden
maar die niet verkocht gaan kunnen worden
Prijsondersteuning: De
overheid zet hier een prijs
en gaat zoveel opkopen
totdat de producten aan die
prijs kunnen verkopen.
Overheid wordt hier dus ook
consument => verschuiving
van de vraagcurve
(overheid gaat het
overschot opkopen, dus
geen aanbodoverschot)
G is geen DWL want dat
gaat naar de producten
Productiequota: De overheid
gaat quota’s instellen over
hoeveel ieder bedrijf mag
,produceren. Zo worden de prijzen ook omhoog geduwd tot een bepaald gewenst
niveau. Bv. visserij
Financieel incentive: Bv.
landbouwers mogen een deel
van hun grond niet bezaaien,
oogsten, … Hierdoor wordt er
een soort schaarste gecreëerd,
waardoor de prijs stijgt Maar de
landbouwers zouden bij die
hogere prijs ook meer willen
aanbieden maar om ervoor te
zorgen dat de landbouwers dat
stuk grond toch niet gaan
bewerken geeft de overheid de landbouwers daar geld (= financiële incentives)
voor.
Importquotum: een
maximale hoeveelheid van
een product die een land uit
het buitenland mag invoeren.
De overheid stelt een grens
aan import om binnenlandse
producenten te beschermen
tegen buitenlandse
concurrentie. Gevolg:
buitenlandse producten
worden schaarser en vaak
duurder (maar hierdoor
kunnen buitenlandse
producten vaak hoger winsten halen ipv dat het voordelig is voor het
binnenland).
Pw = wereldprijs
Importtarief: een
belasting op producten uit
het buitenland. Hierdoor
worden geïmporteerde
goederen duurder, zodat
binnenlandse producten
beter kunnen concurreren.
Gevolg: consumenten
betalen vaak een hogere
prijs, en de overheid krijgt
, extra inkomsten (dit is dus voordeliger voor het binnenland en vooral als de
overheid dit geld herinvesteerd in de binnenlandse economie).
Belasting: De belasting word vaak niet volledig ten laste gelegd van de
consumenten maar consument en producent dragen beide een deel. Hoeveel
ieder van hen moet dragen hangt af van de aanbod- en vraagelasticiteit. De
formule om te berekenen hoeveel de consument moet betalen is: E S/(ES - ED).
PV = prijs die de consument betaald
PA = prijs die de producent
ontvangt na de belasting
PV - PA = t (of de belasting)
Je moet die hoeveelheid
vinden waarbij de Q van het
snijpunt van de vraagcurve en
PV gelijk is aan de Q van het
snijpunt van de aanbodcurve
en PA. De gevraagde
hoeveelheid = de aangeboden hoeveelheid.
Subsidie: Is eigenlijk het
omgekeerde van een
belasting.
PA - PV = s (of de subsidie)
H10: marktmacht: monopolie en monopsonie
Monopolie: markt met 1 aanbieder en veel consumenten
Prijszetter
De monopolist is de markt
Maar de monopolist moet wel rekening blijven houden met de
consumenten en kan dus niet eerder welke prijs vragen. Om zijn winst te
maximaliseren moet de monopolist zijn kosten bepalen en de
karakteristieken van de marktvraag bepalen. En op basis daarvan kan het
bepalen hoeveel het gaat produceren (en verkopen).
Monopsonie: markt met 1 consument en veel aanbieders