Lesdoelen:
De student kent de verschillende leeftijdsfasen en ontwikkelingsgebieden
De student weet wat het werkterrein van psychologie en psychologen is.
De student kent het groeiproces van het lichaam van 0 tot 23 jaar
De student kan de groei van het lichaam koppelen aan specifiek gedrag wat hoort bij
leeftijdsfasen
In dit college wordt de basis gelegd voor de module Ontwikkelingspsychologie van deze
periode. Gedrag en het ontstaan daarvan staat centraal. Wat zijn factoren die invloed
hebben op het gedrag?
Daarnaast komt de motorische ontwikkeling van het kind tussen 0 en 23 jaar aan bod. Er
wordt aandacht besteed aan de fysieke groei, maar ook de ontwikkeling van de fijne en
grove motoriek. Er wordt een relatie gelegd tussen het groeiproces en de lichamelijke
prestaties in bepaalde leeftijdsfasen.
literatuur:
ontwikkelingspsychologie: de wetenschappelijke studie van patronen van groei, verandering
en stabiliteit bij mensen gedurende hun hele leven, van conceptie tot en met de late
volwassenheid.
de ontwikkelingspsychologie kent grofweg de volgende ontwikkelingsdomeinen:
- fysieke ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op de fysieke opbouw van het
lichaam, zoals de hersenen, het zenuwstelsel, de spieren, de zintuigen en de
behoefte aan eten, drinken en slaap.
- cognitieve ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op intellectuele vermogens,
zoals denken, leren, herinneren en probleem oplossen.
- sociaal-emotionele ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op sociale relaties,
interacties met anderen en op het omgaan met emoties.
- persoonlijkheidsontwikkeling: ontwikkeling van duurzame gedragingen en
(karakter)eigenschappen die de ene persoon van de andere onderscheiden.
rijping: blijvende fysieke of psychologische verandering als gevolg van biologische
groeiprocessen.
ontwikkelingsdomein focus voorbeelden van
vraagstukken
fysieke ontwikkeling kijkt naar de invloed van de wat bepaalt de sekse van
hersenen, het zenuwstelsel, een kind?
de spieren, de zintuigen en wat zijn de
de behoefte aan eten, langetermijngevolgen van
drinken en slaap op ons een premature geboorte?
gedrag wat zijn de voordelen van
borstvoeding?
, cognitieve ontwikkeling kijkt naar intellectuele wat zijn onze vroegste
vermogens, waaronder herinneringen?
leervermogen, geheugen, wat zijn de leereffecten van
taalontwikkeling, tv-kijken?
probleemoplossing en heeft tweetaligheid
intelligentie voordelen?
sociaal-emotionele kijkt naar de sociale relaties wat zijn de effecten van
ontwikkeling en interacties met anderen verschillende
en naar het omgaan met opvoedingsstijlen op het
emoties gedrag van kinderen?
hebben kinderen die gepest
worden bepaalde
eigenschappen gemeen?
persoonlijkheidsontwikkeling kijkt naar de duurzame heeft een kleuter een besef
gedragingen en (karakter) van goed en kwaad?
eigenschappen die de ene wanneer wordt een kind zich
persoon van de andere bewust van gender?
onderscheiden. wat zijn oorzaken van
suïcide bij adolescenten?
prenatale periode (van conceptie tot geboorte)
babytijd (van geboorte tot 2 jaar)
peuter- en kleutertijd (van 2 tot 6 jaar)
schooltijd (van 6 tot 12 jaar)
adolescentie (van 12 tot 23 jaar)
cohort: een groep mensen die in een bepaalde periode leven, waardoor zij voor een deel
gelijke ervaringen opdoen.
belangrijke sociaal-historische gebeurtenissen, zoals oorlogen, economische groei en crises,
hongersnoden en epidemieën, hebben mogelijk een bepaalde gemeenschappelijke invloed
op mensen binnen een cohort, al moeten we ook voorzichtig zijn met het idee dat er
vastomlijnde generaties zijn die fundamenteel van elkaar verschillen. naast het cohort
waartoe iemand behoort, zijn er natuurlijk nog vele andere factoren of gebeurtenissen die de
ontwikkeling mede bepalen. we maken hierbij een onderscheid tussen normatieve en
niet-normatieve gebeurtenissen.
met normatieve gebeurtenissen bedoelen we hier gebeurtenissen die zich voor de meeste
individuen binnen een groep op dezelfde manier voltrekken. normatieve gebeurtenissen
kunnen historisch, leeftijdsgebonden en/of sociaal-cultureel bepaald zijn:
- normatieve historische invloeden zijn sociale omgevingsinvloeden en biologische
invloeden die verbonden zijn met de specifieke maatschappelijke situatie in een
historische tijd. kinderen die in de wijk Roombeek in Enschede woonden, werden
bijvoorbeeld allemaal geconfronteerd met biologische effecten en omgevingseffecten
van de vuurwerkramp. ook kinderen die de corona pandemie hebben meegemaakt,
hebben in die periode te maken gehad met gedeelde biologische en
, omgevingsproblemen. deze historisch bepaalde gebeurtenissen beïnvloeden hun
ontwikkeling.
- normatieve leeftijdsgebonden invloeden zijn biologische invloeden en
omgevingsinvloeden die vergelijkbaar zijn voor mensen in een bepaalde
leeftijdsgroep. het bereiken van de puberteit (bekeken vanuit een lichamelijke
invalshoek) is bijvoorbeeld een leeftijdsgebonden gebeurtenis, omdat het iedereen
ongeveer in dezelfde periode overkomt. En in westerse culturen beginnen alle
kinderen rond een bepaald levensjaar met verplicht onderwijs (leerplicht): in
Nederland en België op 5 jarige leeftijd.
- ook normatieve sociaal-culturele invloeden bepalen de ontwikkeling van mensen,
zoals de brede cultuur, etnische afkomst, sociale klasse en het behoren tot een
subcultuur. Immigrantenkinderen die het Nederlands of Vlaams als tweede taal
spreken, zijn onderhevig aan andere sociaal-culturele invloeden dan in Nederland of
België geboren kinderen die het Nederlands of Vlaams als moedertaal hebben.
Kinderen die opgroeien in afgelegen en geïsoleerde gebieden in Afrika krijgen een
andere opvoeding dan kinderen die opgroeien in Amsterdam. Sociaal-culturele
invloeden hebben ook weer invloed op hoe de historische en leeftijdsgebonden
invloeden er precies uitzien. dat zagen we al toen we de leerplicht noemden als
voorbeeld van hoe cultuur deze leeftijdsgebonden invloed mede bepaalt. zo heeft
cultuur ook impact op hoe de historische en leeftijdsgebonden invloeden er precies
uitzien. Dat zagen we al toen we de leerplicht noemden als voorbeeld van hoe
cultuur deze leeftijdsgebonden invloed mede bepaalt. zo heeft cultuur ook impact op
hoe historische invloeden voor mensen uitpakken. de Tweede Wereldoorlog
bijvoorbeeld is een historische gebeurtenis, maar op personen met het Joodse geloof
had deze een heel andere invloed dan op vele anderen.
tot slot zijn ook niet-normatieve gebeurtenissen van inlvoed op de ontwikkeling. dit zijn
specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van een bepaald persoon, terwijl de
meeste andere mensen hiermee niet te maken krijgen. denk bijvoorbeeld aan een kind dat
op zijn zesde zijn ouders kwijtraakt bij een auto-ongeluk. dit is een ingrijpende gebeurtenis,
die de meeste kinderen niet meemaken. kinderen kunnen ook zelf bijdragen aan de
totstandkoming van niet-normatieve gebeurtenissen; bijvoorbeeld als een 16-jarige
eindexamenleerling een landelijke wetenschapswedstrijd wint door daar hard voor te leren.
deze leerling zou door zon gebeurtenis een positiever zelfbeeld kunnen ontwikkelen,
hetgeen weer invloed kan hebben op toekomstige keuzes op het gebied van opleiding en
werk.
continue verandering: geleidelijke kwantitatieve ontwikkeling, waarbij prestaties op een
bepaald niveau voortvloeien uit die op de vorige niveaus
discontinue verandering: ontwikkeling die in aparte stappen of stadia plaatsvindt, en waarbij
elk stadium gedrag oplevert dat kwalitatief anders is dan gedrag in eerdere stadia.
kritieke periode: een specifieke tijdspanne in de ontwikkeling waarin een bepaalde
gebeurtenis of het uitblijven daarvan de grootste- en zelfs onomkeerbare- gevolgen heeft.
stimuli: prikkels, oftewel veranderingen in de uitwendige omgeving waarop een organisme
reageert.
, plasticiteit: de mate waarin een zich ontwikkelend gedragspatroon of fysieke structuur
veranderbaar is.
gevoelige periode: een afgebakende tijdspanne, meestal vroeg in het leven, waarin mensen
extra gevoelig zijn voor bepaalde omgevingsinvloeden, of juist het ontbreken daarvan, en
sterk ontvankelijk zijn voor het leren van specifieke vaardigheden.
nature-nurturedebat: de discussie over de oorsprong van ons gedrag en onze
eigenschappen: in hoeverre komen deze voort uit onze aanleg en in hoeverre uit onze
opvoeding en leefomgeving?
continue verandering discontinue verandering
veranderingen verloopt geleidelijk. verandering verloopt stapsgewijs in duidelijk
prestaties op een bepaald niveau bouwen te onderscheiden fasen. gedrag en
voort op een voorgaand niveau. processen zijn in verschillende fasen
Onderliggende ontwikkelingsprocessen kwalitatief verschillend.
blijven het hele leven gelijk.
kritieke perioden gevoelige perioden
voor een normale ontwikkeling zijn per mensen zijn gevoelig voor bepaalde stimuli
afgebakende periode bepaalde stimuli uit uit de omgeving, maar de gevolgen van het
de omgeving noodzakelijk of juist ontbreken of juist aanwezig zijn van
permanent schadelijk. vroege bepaalde stimuli zijn terug te draaien.
ontwikkelingspsychologen leggen hier de levenslooppsychologen leggen hier meestal
nadruk op. de nadruk op.
levensloopmodel focus op specifieke perioden
moderne theorieën leggen de nadruk op vroege ontwikkelingspsychologen zien de
doorgaande groei en verandering in de loop kindertijd en de adolescentie nadrukkelijk
van het leven en op verbanden tussen als de belangrijkste perioden.
verschillende perioden.
nature nurture
nadruk op het ontdekken van erfelijke nadruk op de invloed van de omgeving op
eigenschappen en vermogens iemands ontwikkeling.
ontwikkelingspsychologie is een wetenschappelijke benadering van vraagstukken over groei,
verandering en stabiliteit in ons hele leven, vanaf onze conceptie tot en met de late
volwassenheid.
het vakgebied omvat de fysieke ontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling, de
sociaal-emotionele ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling, waarbij meestal een
globale indeling van vijf leeftijdsgroepen of ontwikkelingsfasen wordt gehanteerd: prenatale
periode, baby- en peutertijd, kleutertijd, schooltijd en adolescentie.