Samenvatting
Joren Brauwers
Academiejaar 2025-2026
, H1: FORENSISCHE PSYCHOLOGIE
1. INLEIDING: WAT IS FORENSISCHE PSYCHOLOGIE ?
DEFINITIE
Forensische psychologie verwijst in het kort naar het toepassen/gebruiken van kennis en
inzichten van de psychologie in een justitiële context (bv: rechtbank), en dus concreet
verwijst het naar de professionele praktijk van iedere klinische psycholoog die
wetenschappelijke, technische en/of gespecialiseerde psychologische kennis toepast op:
- (1) Justitiële vragen: juridische, contractuele en administratieve zaken
o Voorbeeld: Denk aan een rechtbank die wil weten hoe groot de kans op herval is bij een dader.
(belangrijke taak)
- (2) Niet-justitiële vragen rond grensoverschrijdend gedrag — hier is er niet per se een rechtszaak, maar draait het
om het breder aanpakken van grensoverschrijdend gedrag, zoals preventie, bemiddeling en hulpverlening.
Dus: Forensische psychologie richt zich op de interactie
tussen psychologie en recht. Het omvat het onderzoeken
van gedrag van personen die betrokken zijn bij strafbare
feiten, het inschatten van risico’s op recidive, en het
adviseren van justitiële instanties.
Forensische psychologie een heel breed
vakgebied is dat aan veel verschillende
deeldisciplines raakt.
o Aan de toegepaste kant (praktijkgericht):
▪ Politionele psychologie — aanwerving en stress bij de politie
▪ Investigative psychology — profiling (achterhalen op basis van kenmerken van misdrijf wat voor
soort dader de feiten heeft gepleegd, ene “profiel” opstellen)
▪ Klinische psychologie — psychodiagnostiek en risicotaxatie
▪ Gevangenispsychologie — behandeling en vrijlatingen (mag de gevangenen vervroegd vrijgelaten
worden, moet onderzocht worden door de deskundige – psycholoog)
o Aan de academische kant (onderzoeksgericht, opbouwen van theorieën):
▪ Biologische psychologie — erfelijkheid en gevolgen van hersenschade
▪ Ontwikkelingspsychologie — kijken naar de ontwikkeling van minderjarige (agressie en delinquentie)
▪ Cognitieve psychologie — Geheugen en breinprocessen (ooggetuigen en verhoor)
▪ Sociale psychologie — jury's en media-invloeden
De forensisch psycholoog is diegene die gespecialiseerd is in (1) preventie van crimineel/normoverschrijdend gedrag, (2) de
forensische psychodiagnostiek (risicotaxatie of risico-inschatting) en/of (3) de behandeling van daders of slachtoffers”
GESCHIEDENIS FORENSISCHE PSYCHOLOGIE
Forensische psychologie is het toepassen van psychologische kennis op vragen die met recht en justitie te maken hebben.
Het vak is geleidelijk gegroeid. In Europa liggen enkele vroege mijlpalen (maar zagen wel gelijkaardige evoluties in VS):
- 1896 – Albert von Schrenck-Notzing (Duitsland): Eerste psychiater als expert (getuigen) opgeroepen in de
rechtbank bij moordzaak. Hij wees op onderzoek over suggestibiliteit en geheugen en waarschuwde dat
ooggetuigen niet altijd betrouwbaar zijn.
- 1900 – Alfred Binet: mede-uitvinder IQ-test & pleitte voor het gebruik van psychologische tests bij delinquenten.
- 1907 – Hugo Münsterberg: publiceerde ‘On the witness stand’, de eerste echte publicatie over de
onbetrouwbaarheid van ooggetuigen. Hij behandelde de accuraatheid van getuigen, de suggestibiliteit van
bekentenissen en misdaadpreventie.
- 1911 – Juliaan Varendonck (België): pleitte tégen het gebruik van getuigenissen van kinderen, omdat hun mentale
capaciteiten nog niet voldoende ontwikkeld waren
1
, - In de jaren 1950–1960 ontwikkelde het vak zich echt tot een aparte discipline. Kennis uit de sociale psychologie werd
gebruikt bij juridische beslissingen.
o Een bekend voorbeeld is Brown v. Board of Education, een rechtszaak over rassenscheiding op openbare
scholen, waarbij de beslissing mee steunde op een sociaalpsychologisch experiment (kinderen behandelden
zwarte en witte poppen niet gelijk).
- 1970: ECHTER DOORBRAAK: forensische psychologie als aparte divisie binnen American Psychological Association (APA)
- 2001: klinische forensische psychologie als specialiteit voor klinische praktijk
FORENSISCHE PSYCHOLOGIE VERSUS KLINISCHE PSYCHOLOGIE
Forensische psychologie en klinische psychologie lijken op elkaar, maar verschillen vooral in hun doelstelling en hun
context. Hieronder de belangrijkste verschillen.
- Verschillen in doelstelling ,
o Welzijn Cliënt: Een klinisch psycholoog focust op het welzijn van de cliënt, dus willen die persoon zo goed
mogelijk helpen.
o Beschermen Maatschappij: Een forensische psycholoog gaat daders begeleiden en behandelen, waarbij
ze OOK bezig zijn met WELZIJN, maar zeker op eerste plaats staat de bescherming van de maatschappij –
bijvoorbeeld door de kans op herval (recidive) te verkleinen.
▪ De forensisch psycholoog dient dus twee belangen tegelijk (1) Bescherming & (2) Welzijn
- Verschillen in context:
o (meestal) vrijwillig versus (meestal) opgelegd: Klinische hulp is meestal vrijwillig (de cliënt komt zelf),
forensische hulp is meestal opgelegd (vaak als een van de voorwaarden van justitie).
▪ Gevolg voor motivatie: wie verplicht in begeleiding zit, is niet altijd gemotiveerd. Daarom staat
motiverende gespreksvoering centraal in de forensische context.
o Aanwezigheid van derde partij: justitie als opdrachtgever
▪ Gevolg: er moet gerapporteerd worden, bijvoorbeeld over de toerekeningsvatbaarheid (was de
persoon verantwoordelijk voor zijn daden?) of over het verloop van de behandeling van daders
die als voorwaarde bij jou in begeleiding moeten komen.
o Stressoren (Agressie, Bedreigingen,…)
o Bron van informatie.
▪ Een klinisch psycholoog vertrekt vooral vanuit het subjectieve verhaal van de cliënt.
▪ Een forensisch psycholoog kan dat niet alleen doen: hij komt in aanraking met mensen die de
feiten verdraaien of liegen. Daarom gebruikt hij ook andere bronnen, zoals: Heteroanamnese
(navragen bij anderen) en dossierstudie
FORENSISCHE PSYCHOLOGIE & RECHT
Forensische psychologie draait om de interactie tussen (1) psychologie en (2) recht. Die twee disciplines werken vaak samen
rond justitiële zaken — maar ze passen niet altijd naadloos op elkaar. Er is een echt spanningsveld, en dat komt door enkele
fundamentele verschillen. Dus het zijn 2 disciplines die moeten samenwerken maar eigenlijk NIET altijd hetzelfde kijken
naar bepaalde zaken → Spanningsveld van forensische psychologie
- Taal en training: PSYCHOLOGIE vraagt zich af "is er een stoornis?", terwijl het RECHT binair denkt: schuldig of niet,
goed of kwaad. De psychologie kijkt genuanceerder — gedrag heeft meestal meerdere oorzaken.
- ANDERE methoden om de “waarheid” te achterhalen
o Juridische "waarheid": gebaseerd op redeneren, via een deductieve (algemeen → specifiek) methode.
Het werkt tegensprekelijk (adversarial): elke partij brengt haar beste versie van de feiten, de waarheid
ligt ergens tussen de twee — maar uiteindelijk kan maar één kant winnen.
o Psychologische "waarheid": gebaseerd op wetenschappelijke observatie en testen, via een inductieve
methode (specifiek → algemeen). Men start vanuit hypothese die men probeert te bevestigen of
weerleggen op basis van empirie (onderzoek) en de "waarheid" steunt op wat meetbaar is en op
wetenschappelijke feiten.
- Paradigma (basisvisie): vrije wil VERSUS determinsime: het recht gaat uit van de vrije wil (iemand pleegt
misdrijven uit met wetens en willens), terwijl een deel van de psychologie meer deterministisch denkt — gedrag
wordt mee bepaald door allerlei factoren, waardoor de vrije wil soms minder aanwezig is.
2
, - Aard van de feiten:
o Kans versus zekerheid: de psychologie spreekt in waarschijnlijkheden, niet in absolute zekerheid.
o Groep versus individu: psychologisch onderzoek kan zeggen dat een bepaalde groep een grotere kans op
crimineel gedrag heeft, maar dat kun je NIET zomaar doortrekken naar één persoon — terwijl het recht
net wél een uitspraak over dat individu wil.
VELD IN BEWEGING
Het vakgebied van de forensische psychologie verandert voortdurend, door drie soorten invloeden:
- Evoluties binnen de psychologie zelf: Naarmate de psychologie als wetenschap vooruitgaat,
krijgt ook de forensische tak nieuwe inzichten. Denk aan een beter begrip van
geheugenprocessen en aan vooruitgang in de psychodiagnostiek
- Sociale omwentelingen: Hoe de maatschappij naar bepaalde feiten kijkt, verandert mee — en
daarmee ook het vakgebied. Een goed voorbeeld is kindermisbruik, waarbij door verschillende
invloeden… die kijk volledig veranderd: het probleem wordt nu erkend, ernstig genomen en veel
breder besproken.
o 19de eeuw: werd dat als zeldzaam gezien en kreeg vaak de moeder de schuld.
o Toename rechtszaken eind 19e eeuw (figuur)
o Feminisme (vanaf 1960)
o De onthullingen over misbruik in kerk en sport (vanaf 2010)
o #MeToo-beweging (vanaf 2017)
- Ontwikkelingen binnen justitie:
o Bv. Stalking (1990; California) → eerste staat die het als misdrijf opnam
o Bv. Stalking (2016; België): geen klacht van slachtoffer meer nodig om iets te beschouwen als stalking
Gevolgen voor het beroep. Door al die veranderingen ontstaan er ook nieuwe werkterreinen voor forensisch psychologen, zoals
de werving van politieagenten en het werk rond antiterreur. Tegelijk professionaliseert het vak steeds meer — al bestaat er in
België (nog) geen aparte masteropleiding forensische psychologie, wel postgraduaten (bijkomende opleidingen ná de master).
2. JEUGDDELINQUENTIE
DEFINITIE
Jeugdcriminaliteit of jeugddelinquentie = alle strafbare inbreuken/feiten gepleegd door -18 jarigen (minderjarigen)
- TERMINOLOGIE in het Jeugdrecht
o MOF (als misdaad omschreven feit): jongere pleegt strafbare feiten
o VOS (verontrustende situatie): jongere verkeert in verontrustende situatie die interventie vereist
- MAAR 1 september 2019: Decreet Jeugddelinquentierecht
o (1) MOF (verlaten en spreekt men nu over) = Jeugddelict (maar niet echt belangrijk gebruik gwn MOF)
o (2) Verschillende veranderingen, bvb.
▪ Meer verantwoordelijkheid bij jongere, mogelijkheid tot ‘positief project’ (in begeleiding, hoe
kan de jongere ZELF de schade gaan herstellen bij een slachtoffer)
▪ Reactie op delict moet duidelijk, snel, constructief en herstelgericht zijn
▪ Gescheiden sporen voor VOS en MOF (soms zaten beide types samen in een
gemeenschapsinstellingen, nu niet meer)
POPULAIRE MYTHES
Publieke opinie:
- (1) Het gevoel in de bevolking dat Jeugddelinquentie stijgt
- (2) Daders worden steeds jonger en gebruiken steeds vaker
geweld
- (3) Ook meisjes vertonen steeds meer probleemgedrag
3
, PREVALENTIE: STATISTIEKEN 2010-2017
DALING MOF’s: De eigenlijke jeugddelicten (MOF) dalen duidelijk — van ~83.000
naar ~57.000–60.000. De échte jeugdcriminaliteit daalt, ook al denkt de bevolking
het tegenovergestelde.
Type delict (links) & geslachtsverschillen (rechts): De eigendomsdelicten zijn #1 type
delict dat het meest wordt gepleegd, echter is het wel belangrijk te vermelden dat
het aantal eigendomsdelicten aan het dalen is. Daarnaast zien wij de
geslachtsverschillen, waarbij de jongens duidelijk OVERVERTEGENWOORIGD zijn,
maar de trend bij beide geslachten is ook dalend.
(!!!) wel verouderde statistieken, wij zien wel een vorse stijging sinds
2020 en een lichte daling opnieuw in 2024
MOGELIJKE VERKLARING VOOR DALING JEUGDCRIMINALITEIT
Beter politioneel en justitieel systeem. Er is meer samenwerking
tussen actoren (bv. politie en scholen) en meer vroegtijdige
detectie en preventie (bv. spijbelpreventieprojecten), waardoor problemen eerder worden opgevangen.
Veranderingen in gezondheid en welzijn. Bijvoorbeeld een daling van het alcoholgebruik bij 12–18-jarigen.
De grootste daling zit bij eigendomsdelicten. Dat zijn vaak 'debutcrimes': de feiten waarmee jongeren beginnen, voordat
ze eventueel overgaan naar zwaardere daden. Een verklaring is de secureringshypothese: stelen wordt moeilijker omdat
burgers meer in beveiliging investeren (bv. alarmsystemen), waardoor die criminaliteit afneemt.
Veranderde vrijetijdspatronen. Door internet en social media verschuift een deel van de criminaliteit mogelijk naar
cybercriminaliteit, die langer onder de radar blijft (en dus niet in deze cijfers opduikt).
OP WEG NAAR DELINQUENT TRAJECT?
Nuytiens, Jaspers & Christiaens (2015) voerden een onderzoek waarbij 204 Vlaamse
volwassenen werden gevolgd die als minderjarige ‘uit handen werden gegeven’ (berecht als
volwassene) in 1999–2001. Tien jaar later had
- 50,7% heeft 10 jaar na uithandengeving nog een recente veroordeling (2011–2013),
vooral voor vermogensdelicten — wat eerder op specialisatie dan op escalatie wijst.
- 37,7% had al meer dan de helft van hun volwassenheid in detentie doorgebracht. .
De centrale vraag is dan: Groeien jongeren die criminaliteit plegen er meestal uit, of gaan ze juist steeds ergere feiten
plegen en uitgroeien tot volwassen daders? welke jongeren lopen risico op zo’n hardnekkig (maladaptief) traject, en
bij wie is het probleemgedrag eerder voorbijgaand?
- De kernvraag voor forensisch psychologen is dan: welke jongeren zijn "at risk" om als volwassene ernstiger
gedrag te blijven vertonen? Dat leidt naar de ontwikkelingstheorieën (zoals Moffitt en Patterson) die
verklaren waarom probleemgedrag bij de een voorbijgaat en bij de ander doorloopt.
3. ONTWIKKELINGSTHEORIEËN VOOR ANTISOCIAAL GEDRAG
MOFFIT THEORIE (!!!)
THEORIE IN NOTENDOP
Moffit heeft een onderscheid gemaakt tussen Life-Course Persistent
gedrag (LCP), die zijn oorsprong heeft in neuroprocessen in de jeugd, en die
daarna blijvend zijn en Adolescence-Limited gedrag (AL), dat zijn oorsprong
kent in sociale processen, en ophoudt in de jongvolwassenheid.(= meeste
criminaliteit)
4
, (1) Life-Course Persistent delinquenten of childhood onset delinquenten (=”ernstige jongeren”, minderheid van jongeren)
- Ontstaat: tijdens vroege jeugd, uit (1) overgeërfde neuropsychologische defecten (dingen die niet goed zijn in uw
brein) en/of (2) jeugdtrauma’s (childhood adversity)
- Deze factoren in combinatie met een slechte omgeving (delinquente vrienden, slechte opvoeding,…). Zal
er voor zorgen dat het individu criminaliteit gaat plegen voor de rest van zijn leven → criminele carrière
(2) Adolescence-Limited delinquenten (= “gewone jongeren”, meeste jongeren)
- Ontstaat: in de puberteit, tijdens een ‘maturity gap’ = discrepantie tussen biologische maturiteit (haar onder oksel,
gezichtsbeharing, lagere stem,…) en sociale maturiteit (jongeren WILLEN AUTONOMIE of zelfstandig zijn, maar zijn
dat NIET ze zijn nog afhankelijk van hun ouders). Er wordt dus een ontevredenheid gevoeld over hun afhankelijke
status als kind en men is ongeduldig om het recht te hebben op privileges en verantwoordlijkheden die in hun ogen
horen bij volwassenheid horen.)
- Zij gaan zich hierdoor associëren/aansluiten met delinquent Peers (leeftijdsgenoten). Ze gaan deze
delinquente peers ook imiteren (social mimicry), en dus TIJDELIJK delinquent gedrag plegen om hun
autonomie (zelfstandigheid) te demonstreren t.o.v. ouders. Meeste adolescenten stoppen hiermee als
ze wel volwassen privileges en verantwoordelijkheden hebben.
CONDUCT DISORDER (CD) OF NORMOVERSCHRIJDENDE GEDRAGSTOORNIS IN DSM-5
Deze term wordt gebruikt in de studies, die volgens dus moeten weten wat het inhoudt. Een Conduct Disorder (CD) is een
stoornis bij KINDEREN of JONGEREN waarbij ze een herhaald en aanhoudend gedragspatroon vertonen waarbij ze gedrag
stellen dat de rechten van anderen of belangrijke maatschappelijke normen/regels schendt. De diagnose zijn er minstens
3 van 15 criteria nodig in het afgelopen jaar (waarvan minstens één in de laatste 6 maanden), verdeeld over vier categorieën:
- A: Agressie tegen mensen en dieren:
- 1) pest, bedreigt of intimideert vaak anderen
- 2) Begint vaak met vechten
- 3) Heeft een wapen gebruikt dat bij anderen ernstig lichamelijk letsel kan veroorzaken
- 4) Heeft mensen mishandeld
- 5) Heeft dieren mishandeld
- 6) Heeft in directe confrontatie een slachtoffer bestolen
- 7) Heeft iemand gedwongen tot seksuele handelingen
- B: Vernieling van eigendommen:
- 8) Heeft opzettelijk brand gesticht met de intentie ernstige schade te veroorzaken
- 9) Heeft opzettelijk eigendommen van anderen vernield
- C: Bedrog of diefstal:
- 10) Heeft ingebroken in een huis, gebouw of auto van iemand anders
- 11) Liegt vaak om goederen of gunsten te verkrijgen of verplichtingen te ontlopen
- 12) Heeft zonder directe confrontatie met een slachtoffer waardevolle spullen of geld gestolen
- D: Ernstige overtredingen van regels:
- 13) ‘s nachts wegblijven (<13jaar)
- 14) Thuis weglopen en ‘s nachts wegblijven: MINSTENS 2 KEER indien kort & 1 keer is voldoende indien
hij/zij lang is weggeweest
- 15) Spijbelen (<13jaar)
DSM-V voegt nog enkele specificaties toe, en deze maken een diagnose concreter en preciezer, zodat ze beter past bij de
individuele persoon. Het is dus een soort verfijning: twee mensen kunnen dezelfde diagnose krijgen, maar met verschillende
specificaties die hun situatie nauwkeuriger beschrijven
- Specificaties (a):
- Met begin in de kinderleeftijd: voor de leeftijd van 10 jaar minstens 1 symptoom
- Met begin in de adolescentie: Voor de leeftijd van 10 jaar geen kenmerkende symptomen (later wel)
- Begin ongespecifieerd
- Specificaties (b) :
- Licht: relatief geringe schade (vb. liegen, spijbelen, ..)
- Matig: tussen licht en ernstig (vb. stelen, vandalisme)
- Ernstig: aanzienlijke schade (vb. gedwongen seks, fysieke wreedheid)
5
, - Specificaties (c) :
- Met beperkte prosociale emoties (minstens 2 van de onderstaande kenmerken persisterend gedurende
minstens 1 jaar in meerdere relaties en settings)
- Gebrek aan berouw of schuldgevoel
- Ongevoelig – gebrek aan empathie (onverschillig tegenover de gevoelens van anderen)
- Onverschillig over prestaties (hij trekt zich weinig aan van prestaties op school, hobby,..)
- Vlak of deficiënt affect (Hij toont weinig of geen echte emoties)
EVIDENTIE VOOR THEORIE
Er zijn verschillende studies geweest die evidentie bieden voor Moffit’s theorie, met andere woorden onderzoeken die
inderdaad een significant verschil vinden in adolescence limited & Lifecourse-persistent delinquenten
Onderzoek 1: Moore, Silberg, Roberson-Nay, & Mezuk (2017) – Childhood adversity
- Opzet: Studie bij grote representatieve groep in US, met 3 groepen
- No CD (conduct disorder) groep (N = 6028) = Nooit diagnose
van CD gehad hebben
- LCP (lifecourse-persistent) groep (N = 181) = Jongere die
voor hun 13 jaar diagnose kregen van CD, en deze CD
diagnose was NOG STEEDS aanwezig na 24 jaar
- AL (adolescence limited) groep (N = 795) = Diagnose CD na
13 jaar, MAAR GEEN CD diagnose meer op 24 jaar
- Conclusie: De LCP- en de AL-groep zijn écht twee VERSCHILLENDE
groepen met een andere oorsprong, en bij de LCP-groep spelen vooral
vroege gezinsfactoren een grote rol. Vooral volgende elementen in
de kindertijd vergroten de kans dat een jongere in het blijven (LCP-)traject terechtkomt, wat Moffits idee
ondersteunt van CHILDHOOD ADVERSITY.
- (1) Harde disciplinering tijdens opvoeding
- (2) Slechte band met de MOEDER
- (3) Armoede – Lage SES (Sociaal economische status)
Onderzoek 2: Barnes & Beaver (2010) – “Maturity gap”
- Opzet: Moffit verklaart de AL-groep (Adolescence limited) met een ‘maturity gap’: een kloof tussen biologische
rijpheid (lichamelijke ontwikkeling, beharing, lagere stem) en sociale rijpheid (de autonomie die men ervaart, bv
dragen wat je wil, op TV kijken naar wat je wilt,…). Barnes & Beaver (2010) onderzochten of die kloof criminaliteit
voorspelt.
- Resultaat: maturity gap voorspelt:
- WEL: lichte criminaliteit (vandalisme, iets stelen onder 50 euro) en licht middelengebruik (sigaretten,
alcohol, weed)
- NIET: Maturity gap NIET gerelateerd aan zwaardere criminaliteit (geweld, dealen) of zwaar druggebruik.
- Dat strookt met Moffitt: zware criminaliteit hoort eerder bij de LCP-groep.
6
, EMPIRISCHE EVIDENTIE VOOR MEER NUANCE
Later onderzoek nuanceert Moffit op verschillende vlakken
1. Bewijs voor een derde groep: childhood-limited (CL)
Een conduct disorder (CD) op jonge leeftijd betekent niet automatisch dat het probleemgedrag blijft duren. Naast de twee
groepen van Moffitt blijkt er een derde pad te bestaan: kinderen die op jonge leeftijd wél een CD-diagnose krijgen, maar die
diagnose tijdens de adolescentie niet meer hebben. Dit heet childhood-limited (CL): het probleemgedrag is beperkt tot de
kindertijd en verdwijnt al tijdens de adolescentie (15-18 jaar).
- (!!!) 50-70% GEEN diagnose CD meer in de adolescentie
o Vb. Burt et al. (2011)
▪ CD gemeten bij jongenstweelingen op 11, 14 en 17 jaar
▪ 46% van de groep met CD op 11 heeft geen diagnose meer op 14 jaar.
2. Jeugdtrauma's komen bij álle groepen voor
Met childhood adversity worden jeugdtrauma's en een moeilijke kindertijd bedoeld (bv. misbruik, verwaarlozing, armoede).
Moffitt zag dit als typerend voor enkel de LCP-groep (de blijvende groep). Maar later onderzoek toont aan dat ook de AL-groep
(adolescence limited) met zulke contextuele risicofactoren te maken heeft — ook zij groeien dus niet in perfecte
omstandigheden op. Het onderscheid is daardoor minder scherp dan Moffitt dacht.
- ONDERZOEK – Roisin et al. (2010): Deden onderzoek bij 990 kinderen verdeeld over 4 groepen: (1) Nooit antisociaal,
(2) Childhood-Limited (CL), (3) Adolescence-limited (AL) & (4) Life-course persistent.
o Conclusie: ALLE groepen met antisociaal gedrag (CL, LCP, AL) hebben meer contextuele risicofactoren dan de
groep die nooit antisociaal gedrag vertoonde. DUS weinig verschil in contextuele risicofactoren (childhood
adversity) tussen 3 antisociale groepen onderling
3. "Adolescent-limited" is eigenlijk een foute naam
De naam AL (Adolescent Limited) suggereert dat het gedrag beperkt blijft tot de adolescentie. Maar dat klopt vaak niet: veel
jongeren uit deze groep vertonen op (jong)volwassen leeftijd nog STEEDS antisociaal gedrag. "Limited" is dus eigenlijk
misleidend, je moet eerder spreken over adolescence-onset
Onderzoek 1 — Odgers et al. (2007). Zij volgden 4 groepen langdurig: ze maten gedragsproblemen van 7 tot 26 jaar, en
keken op 32 jaar naar geweld, mentale en fysieke gezondheid, en geldproblemen. Wat bleek?
• Op 26 jaar was er GEEN verschil in gedragsproblemen tussen de LCP-groep (de blijvende groep) en de adolescent-
onset groep (A-O-groep, nieuwe naam voor AL-groep) .
• Op 32 jaar scoorde de LCP-groep wel het hoogst op geweld, MAAR ook de A-O-groep vertoonde nog substantieel
veel geweld, en bij beide groepen was de gezondheid slecht.
• Kortom: de A-O-groep is dus lang niet zo "hersteld" als de naam doet vermoeden — ook zij houden problemen
Onderzoek 2 – Moore et al. (2017) vergeleken opnieuw de twee groepen (de blijvende LCP-groep en de adolescent-onset
groep) en keken naar twee momenten: hun jeugd en hun volwassen leeftijd.
• In de jeugd vonden ze wél een verschil: de groepen verschilden in de mate van jeugd-adversiteit. De LCP-groep
had het op dat vlak zwaarder. HIER vond met dus WEL evidentie voor childhood adversity
• Op volwassen leeftijd vonden ze echter géén verschil: in béíde groepen had telkens ongeveer 20 à 25% nog
negatieve uitkomsten (drugsproblemen, werkloos, school niet afgemaakt). De ene groep deed het op latere leeftijd
dus niet beter of slechter dan de andere.
4. Het type of soort antisociaal gedrag voorspelt beter dan de leeftijd van begin (age of onset)
Moffitt deelde de groepen vooral in op age-of-onset (de leeftijd waarop het gedrag begint). Maar onderzoek toont dat het soort
antisociaal gedrag een betere voorspeller voor of het gedrag blijft duren. Het onderscheid is hierbij:
• Fysiek agressief antisociaal gedrag (zoals vechten, geweld) = AGG (agression)
o Wanneer: Piek tussen 2 en 4 jaar, nadien daling (uitzondering: 5% stabiel, volgens moffit LCP-groep)
o Oorzaak: sterkere genetische component
o Link met moffit: LCP?
7
, • NIET agressief regelovertredend gedrag (zoals stelen, vandalisme) = RB (Rulebreaking)
o Wanneer: zeldzaam in kindertijd, piek in adolescentie, nadien daling
o Oorzaak: sterke omgevingsinvloed
o Link met Moffit: AL?
ONDERZOEK – Burt et al. (2011): Voorspelt het soort antisociaal gedrag (AGG vs RB) beter lange termijn antisociaal gedrag
dan age of onset (Moffit)? Ze volgden 755 mannelijke tweelingen en maten hun gedrag (AGG vs RB symptomen) op vier
momenten: op 11, 14, 17 en 24 jaar. Zo konden ze zien hoe het gedrag zich over de tijd ontwikkelde, en wie op 24 jaar een
antisociale persoonlijkheidsstoornis (ASPD) had — de volwassen "eindbestemming" van een hardnekkig antisociaal traject.
- Wat vonden ze?
o De LCP-groep (de blijvende groep) scoorde op álle metingen het hoogst op zowel agressie (AGG) als
regelovertreding (RB). Op 24 jaar had 54–55% van hen een ASPD-diagnose.
o De AL-groep vertoonde ook op 17 en 24 jaar nog antisociale symptomen — minder dan de LCP-groep, maar
toch had 15,5% op 24 jaar een ASPD. De naam "limited" (beperkt) is dus relatief: ook bij hen blijft een deel
problemen houden.
- Belangrijkste conclusie: het type gedrag (AGG of RB) voorspelt latere ASPD beter dan de leeftijd van begin.
o Opvallend: regelovertredend gedrag (RB) in de adolescentie is een sterkere voorspeller dan agressie (AGG).
▪ Burt et al. toonden dit met twee modellen:
• Model 1 — twee voorspellers van een ASPD-diagnose op 24 jaar: of iemand ooit een
conduct disorder had, en de age-of-onset (leeftijd van begin). Hierin lijkt de startleeftijd
nog mee te tellen.
• Model 2 — nu voegen ze de symptomen toe (agressie en regelovertreding) aan het eerste
model. Zodra die erbij komen, is de age-of-onset niet meer significant. Vooral
regelovertreding (RB) voorspelt de ASPD-diagnose.
5. Een ander ontwikkelingspad bij meisjes
Bij meisjes lijkt er nog een apart traject te bestaan: het delayed-onset antisocial pathway (Fairchild et al., 2013). Het
probleemgedrag begint bij hen gewoon later dan bij jongens (vandaar "delayed"), maar lijkt voor de rest sterk op het blijvende
traject. De ontwikkeling verloopt dus niet bij iedereen op dezelfde manier. Childhood-onset persistent antisociaal gedrag (LCP)
is bij meisjes veel zeldzamer dan bij jongens. LCP- groep bij meisjes lijkt HEEL ZELDZAAM, maar er lijkt effectief wel een groep
meisjes die vanaf de adolescentie persistent probleemgedrag (adolescence-delayed-onset groep)
Algemene conclusie op basis van al deze soorten evidentie:
— Vaak meer gelijkenissen dan verschillen tussen LCP en A-O groep: Hoewel Moffitt de twee groepen als fundamenteel
verschillend zag, blijken ze in de praktijk juist veel op elkaar te lijken. De scherpe tweedeling klopt dus niet zo goed.
— Bij LCP groep is impairment (schade) vaak nog iets hoger dan bij A-O groep
— Eerder kwantitatief dan kwalitatief verschil tussen LCP en A-O traject: Het zijn niet twee totaal verschillende soorten, maar
eerder hetzelfde verhaal in een andere mate van ernst.
8
, MOGELIJKE HERFORMULERING
Fairchild et al. (2013) stellen voor omwille van al die nuanceringen om over te gaan tot
een HERVORMING… In plaats van te denken in vaste, aparte groepen (zoals Moffitt met
zijn LCP en AL), pleiten zij ervoor om alles op een continuüm te plaatsen. Het verschil
tussen jongeren is volgens hen dus eerder een kwestie van gradatieverschil op 2
risicoassen (omgeving + individueel)
- Individuele kwetsbaarheid: wat er in de persoon zelf zit (bv. aanleg,
temperament, hersenwerking). LAAG – HOOG risico
- Omgevingskwetsbaarheid: wat er in de omgeving misloopt (bv. een moeilijke
gezinssituatie, armoede). LAAG – HOOG risico
Hun kerngedachte: de omgeving bepaalt mee wánneer een onderliggende
kwetsbaarheid naar boven komt. Dat verklaart de verschillende paden:
- De LCP-groep (childhood-onset persistent)
o HOGE individuele kwetsbaarheid + HOGE omgevingskwetsbaarheid
▪ Het probleemgedrag begint vroeg en blijft duren.
- De adolescence-onset die blijft persisteren tot in de volwassenheid heeft
een vergelijkbare individuele kwetsbaarheid, maar een betere omgeving die een tijdje als buffer werkte →
daardoor kwam het gedrag pas later naar boven. Soms is de individuele kwetsbaarheid zó sterk dat zelfs een
goede omgeving weinig kan tegenhouden.
HET MODEL VAN PATTERSON (!!!)
MODEL VAN PATTERSON IN EEN NOTENDOP
De coërcieve cyclus van Patterson: Volgens Patterson groeit antisociaal gedrag bij kinderen uit een dwingende
(coërcieve) cyclus in de dagelijkse omgang tussen ouder en kind — een patroon dat zich telkens herhaalt:
- Stap 1: het kind stelt probleemgedrag.
- Stap 2: de ouder reageert emotioneel (begint te roepen).
- Stap 3: het kind escaleert (roept terug).
- Stap 4: de ouder escaleert opnieuw.
- Stap 5: de ouder geeft op.
Waarom dit blijft bestaan: Zowel ouder als kind worden negatief bekrachtigd: hun gedrag wordt versterkt
doordat er iets onaangenaams stopt of wegblijft.
- De ouder geeft op → het kind stopt met de scène (iets vervelends verdwijnt).
- Het kind maakt een scène → het hoeft bijvoorbeeld niet op te ruimen (iets vervelends verdwijnt).
GEVOLG: Beide "winnen" dus iets en leren dat het wérkt, waardoor dwingend gedrag de standaardmanier van
omgaan — de voedingsbodem voor later antisociaal gedrag.
9