GESCHIEDENIS
1e bachelor – sociaal werk – Layla De Moor
, HISTORIEK VAN HET SOCIAAL WERK (herhaling sw – parate kennis)
In dit hoofstuk gaan we praten over:
- gelijkwaardige rechten als vrouw
- stemrecht (protesten om gelijke stemrechten te krijgen -> vanaf 1921 aanvaard)
è het is belangrijk om als sw’er op te komen voor bepaalde groepen die minder recht hebben
1. Geschiedenis van en voor het sociaal werk
Naast het theoretisch, methodisch & ethische perspectief is ook het historisch perspectief
belangrijk: de geschiedenis vormt een achteruitkijkspiegel om nr het sociaal werk te kijken
à sociaal werk kan niet begrepen worden zonder een historisch perspectief
Start vh sociaal werk in de Oudheid en vroege Middeleeuwen:
à we starten bij de 19e eeuw, maar ervoor waren er al vormen van sociaal werk aanwezig
• Feodale patronage (verhouding leenmannen & leenheren)
o Systeem van leenheren en leenmannen
o Leenmannen kregen bescherming en land in ruil voor trouw/diensten
o Zorg en ondersteuning waren afhankelijk, bevoogdend en niet gelijkwaardig
• Christelijke caritas (liefdadigheid) (rijken die aan de armen geven)
o Rijke burgers en de Kerk hielpen armen, zieken en kwetsbaren
o Sterk moraliserend: armen moesten “dankbaar en gehoorzaam” zijn
o Overheersende rol van de Kerk in hulpverlening
• Gildwezen (solidariteit zelfde ambacht)
o Ambachten (bv. bakkers, smeden…) organiseerden wederzijdse solidariteit
o Men hielp elkaar bij ziekte, werkloosheid of overlijden
o Een vroege vorm van sociale zekerheid binnen één beroep
Wat betekenen deze vroege vormen?
à ze zijn kiemvormen van armenzorg, sociale bescherming en wederzijdse hulp
à ze tonen hoe mensen al vroeg probeerden om ongelijkheid en kwetsbaarheid op te
vangen, maar vaak kleinschalig, nt structureel en met veel ongelijkheid
Waarom focussen we vanaf de 19e eeuw?
- Vanaf de moderne 19e eeuw ontstaan:
o industrialisatie en massale armoede
o sociale strijd en arbeidersbeweging
o eerste georganiseerde sociale hulp
o de basis van professioneel sociaal werk
Daarom start de echte geschiedenis van sociaal werk hier
2. Sociaal werk in de revolutionaire 19e eeuw
2.1. Tijdperk van revoluties
De 19e eeuw wordt gekenmerkt door grote omwentelingen:
- Industriële revolutie
- Verlichting
- Emancipatiestrijd van Vlaamse arbeiders en vrouwen
Deze veranderingen leidden tot:
• Sociale kwesties zoals onrecht, uitbuiting en achterstelling
• Zetten aan tot opstanden en strijd voor emancipatie en democratische rechten
,Kernwaarden uit de Franse Revolutie
à vrijheids- en gelijkheidsidealen vd Franse Revolutie liggen in het hart van sociaal werk
à de basiswaarden die toen ontstonden, vormen nog steeds de ethische kern vh SW:
w Liberté – vrijheid
w Égalité – gelijkheid
w Fraternité – broederlijkheid
Deze waarden waren destijds revolutionair, omdat er nauwelijks wetten waren die arbeiders
of kwetsbare groepen beschermden. Vandaag zijn ze fundamentele uitgangspunten van
sociaal werk. (ze zijn nu redelijk van zelfsprekend, maar vroeger absoluut niet het geval)
à revolutionair, want: toen was er gn enkele wetgeving die je beschermde & opkwam voor je
Kritische dialoog: Verlichting ↔ Romantiek
Sociaal werk ontstaat op het kruispunt tussen 2 intellectuele stromingen:
• Verlichting (hoofd):
o Rationaliteit
o Wetenschap
o kritisch denken
o zoeken naar rechtvaardigheid via regels en structuren
• Romantiek (hart):
o Empathie
o Menselijkheid
o aandacht voor emoties
o verbondenheid met anderen
Een goed sociaal werker combineert hart én hoofd: nt alleen empathie en respect, maar ook
theoretisch inzicht en kritisch denken om écht verschil te maken
2.2. De sociale kwestie
Tijdens de industriële revolutie veranderde de samenleving snel v/e landbouwsamenleving
nr een industriële, kapitalistische samenleving -> overal ontstonden fabrieken
à fabriekseigenaars hadden veel macht en waren gericht op het maken van zoveel mogelijk
winst -> hierdoor werden arbeiders zwaar uitgebuit & er was veel ongelijkheid aanwezig
Arbeiders leefden en werkten in ellendige omstandigheden:
w extreem lange werkdagen
w zeer lage lonen
w gevaarlijk en ongezond werk
w gn rechten of zekerheid (bv. gn vakantie)
w veel kinderarbeid
Wie protesteerde, riskeerde zijn job
à de sociale kwestie gaat dus over de grote sociale ongelijkheid en uitbuiting die
ontstond door het kapitalistische systeem en de snelle industrialisering
2.3. De arbeidersbeweging
De zware levens- en arbeidsomstandigheden tijdens de industriële revolutie leidden tot
steeds meer protest van arbeiders à zij organiseerden zich op verschillende manieren om
zz te beschermen en hun rechten te verbeteren è dit groeide uit tot de arbeidersbeweging
Belangrijke vormen van organisatie:
• Maatschappijen van onderlinge bijstand
Werknemers legden geld samen om elkaar financieel te helpen bij ziekte of tegenslag
→ dit zijn de voorlopers vd mutualiteiten (ziekenfondsen)
, • Vakbonden
Organisaties die opkwamen voor betere lonen, kortere werktijden en betere
werkomstandigheden → in het begin werden vakbonden verboden, omdat de
overheid ze als een bedreiging voor de orde zag
• Coöperaties
Arbeiders richtten eigen winkels, bakkerijen of bedrijven op die ze samen beheerden
om eerlijke prijzen en werkzekerheid te krijgen (= samenwerkingsverbanden)
• Volkswerken
Culturele & educatieve initiatieven voor arbeiders (zoals bibliotheken, lezingen,
vorming) → dit zijn de voorlopers vd sociaal-culturele verenigingen van vandaag
2.4. De founding mothers van het sociaal werk
Tijdens de opkomst vd industriële samenleving veranderde ook de positie van vrouwen sterk
à de idealen van vrijheid, gelijkheid en solidariteit werden richtinggevend in de strijd van
vrouwen voor stemrecht en juridische gelijkberechtiging => deze maatschappelijke
veranderingen vormden de basis voor de ontwikkeling vh sociaal werk
Vervrouwelijking van de beroepsbevolking
- Door de groei van ondernemingen ontstond een grote vraag nr administratieve
functies (zoals secretaresses)
- Dit zorgde voor een sterke toename van vrouwen in het arbeidsproces
- Vrouwen namen ook veel liefdadigheidswerk op, wat gezien werd als een ‘geschikte’
rol, maar tegelijk leidde tot emancipatie buiten het huishouden
Belangrijkste founding mothers van het sociaal werk
1. Mary Richmond (1861–1928)
- Pionier vh social casework
- Benadrukte het belang vd "wisselwerking tussen mens en omgeving verbeteren"
- Sociaal werk gaat volgens haar verder dan enkel individuele problemen oplossen: je
bekijkt context, relaties en omgeving
- Legde de basis voor het maatschappelijk werk zoals we dat vandaag kennen
- In Nederland werd dit na WOII verder ontwikkeld door Marie Kamphuis, die casework
in onze regio heeft gevormd
- Ze ging minder aan het werk met de groep, maar focuste haar op 1 persoon, daarnaast
hield ze wel rekening met de verschillende aspecten -> een echte wisselwerking dus!
2. Jane Addams (1860–1935)
- Grondlegger vh settlementwerk (o.a. Hull House in Chicago)
- Werkt vooral via groepswerk, buurtwerk en opbouwwerk
- Gericht op het versterken van gemeenschappen → micro, meso en macrosociaal niveau
zijn duidelijk aanwezig
- Haar werk vormt de basis voor wat later het sociaal-cultureel werk werd
- In Vlaanderen werd deze traditie voortgezet door Lodewijk de Raet, een belangrijke
grondlegger van sociaal-cultureel werk
Kernboodschap
De founding mothers toonden dat sociaal werk zowel individueel (casework) als collectief
(groeps- en buurtwerk) kan zijn, en altijd rekening moet houden met de relatie tussen
mens en omgeving.