Inleiding
1. Biopsychologie & Psychofysiologie
2. Cognitieve Psychologiee
3. Persoonlijkheidspsychologie & Individuele Verschillen
4. Testtheorie, Psychometrie & Diagnostisch Testen
5. Onderzoeksmethodologie in de psychologie
6. Statistische technieken (& symbolen)
7. Developmental Psychology
8. Klinische Psychologie
9. Klinische Neuropsychologie
10. Sociale Psychologie (kort)
,1. Biopsychologie & Psychofysiologie
De biologische basis van gedrag: hoe hersenen, zenuwen en het lichaam ons denken, voelen en doen beïnvloeden.
2 cellen in zenuwstelsel
• Neuronen (communicatie in de hersenen)
• Dendrieten (ontvangen signalen) > cellichaam/soma (verwerkt inkomende signalen) > axon (stuurt
info naar andere neuronen) > presynaptische terminal
• Synaps: kleine spleet tussen neuronen waar neurotransmitters signalen/info doorgeven > punt van
communicatie tussen dendrieten & axon
• Actiepotentiaal: van het cellichaam naar de synaps > kort elektrisch signaal dat langs het axon reist
als een neuron “vuurt” (activeert)
• Myelineschede: vettige laag rond het axon die de geleiding versnelt (witte stof)
• Cellichaam (grijze stof) bevat de celkern > chromosomen (elke cel 23 paar) > genen > DNA
→Allel = bepaalde variant van een gen met een bepaalde eigenschap (zoals bruin of blond
• Meeste neuronen in cerebellum & daarna in cerebral cortex
• Glia cellen (aanpassen activiteit neuronen)
Energievoorziening in de hersenen
• Glucose (hiervoor vitamine B1 (Thiamine) nodig > tekort bij alcoholisme > leidt tot dood van neuronen
• Zuurstof
Diaschisis = disfunctioneren van delen van de hersenen, die niet beschadigd zijn, als gevolg van verminderde input
uit beschadigde hersengebieden (beste om stimulerend medicijn te richten op cellen die input ontvangen van
beschadigde cellen) > stimuleren van dopamine receptoren helpt
Neurotransmitters worden vrijgegeven in de synaps en binden aan receptoren op het volgende neuron:
- Dopamine: betrokken bij beloning, motivatie, beweging, verslaving, extraversie
Ø Te veel = schizofrenie / Te weinig = Parkinson.
Ø Nicotine verhoogt afgifte dopamine
- Serotonine: stemming, slaap, eetlust, impulscontrole
Ø Te weinig = depressie
- GABA: belangrijkste remmende neurotransmitter (angstremmend)
Ø Kalmeert het zenuwstelsel – bijv. bij angststoornissen
- Glutamaat: belangrijkste stimulerende neurotransmitter
Ø Te veel = risico op epileptische aanvallen
- Acetylcholine: belangrijk voor spierbeweging en geheugen
Agonist: werking van neurotransmitter imiteren > werking versterken (serotonine, heroïne) > medicijn dat effecten
nabootst/verhoogt
Antagonist: werking tegengaan van neurotransmitter (MAO) > medicijn dat neurotransmitter blokkeert
→Antagonist is niet per se een stof die inhibeert
→Als neuron inhiberend is werkt antagonist exciterend
Hersengebieden
- Frontale kwab: planning, besluitvorming, impulscontrole,
persoonlijkheid > controle centrum (prefrontale cortex)
- Pariëtale kwab: verwerkt informatie over aanraking, pijn,
temperatuur en lichaamshouding (body sensations)
- Temporele kwab: taalverwerking, gehoor, geheugen
(hippocampus zit hier).
Occipitale kwab: visuele verwerking.
Limbisch systeem:
Amygdala: emotieverwerking (vooral angst en agressie) > automatisch bepalen of
iets in onze omgeving emotioneel of sociaal belangrijk is
,Hippocampus: belangrijk voor het vormen van nieuwe herinneringen (geheugen)
Hypothalamus = regulatie van eet/drink/agressief/seksueel gedrag & afgifte van hormonen in de hypofyse +
biologische klok
Subcorticale structuren
- Thamalus = schakelstation in de hersenen
→Zintuigelijke info gaat van thalamus naar cerebrale cortex (behalve reuk)
- Nucleus basalis = aanmaak van acetylcholine, arousal en aandacht
→Aandoeningen waarbij aandacht is verstoord > ziekte van Parkinson/Alzheimer
- Basale ganglia = planning van gedrag, geheugen en emotie
→Aandoeningen waarbij motoriek is verstoord > ziekte van Huntington/ziekte van Parkinson
Corticale paden
- Ventrale route: wat route
Ø Objectherkenning
Ø Visuele agnosie = onvermogen objecten te herkennen (info wordt wel waargenomen)
- Dorsale route: waar route
Ø Spatiele informatie, beweging
Linker hemisfeer (frontaal/temporaal): Behavior Activation System (BAS)
- Approach: lage activatie in autonome zenuwstelsel
- Happiness of boosheid
Ø Meer activiteit linker hemisfeer: blijer, outgoing, fun-loving
Rechter hemisfeer (frontaal/temporaal): Behavior Inhibition System (BIS)
- Avoidance: hoge activiteit in autonome zenuwstelsel
- Stimuleert emoties, zoals angst & walging
Ø Meer activiteit rechter hemisfeer: sociaal teruggetrokken, minder tevreden met het leven
Rol van hormonen (testosteron/serotonine/cortisol)
→ Testosteron omhoog > faciliteert agressief, assertief, dominant gedrag
→ Serotonine omlaag > impulsief gedrag wordt niet geremd
Ablatie = verwijderen van een hersengebied
Lesion = schade aan een hersengebied
Executieve functiestoornissen hebben te maken met problemen in plannen, organiseren, initiatief nemen,
gedragscontrole en flexibiliteit – functies die vaak gelinkt zijn aan de frontale hersengebieden. Het probleem met
veel standaardtests is dat ze te gestructureerd zijn, waardoor mensen met executieve problemen toch goed kunnen
presteren in de tests, terwijl ze in het dagelijks leven wél duidelijke moeilijkheden ervaren.
Basale ganglia/cerebellum: motorische gebieden
Afferent = ergens naar toe > axon brengt informatie in een structuur
→Sensorische neuronen
Efferent = ergens van af > axon brengt informatie weg van een structuur
→ Motorneuronen
Bloed-hersen barrière = beschermt hersenen tegen bacteriën & virussen (infecties voorkomen in de hersenen)
Ø De barrière houdt schadelijke & nuttige chemicaliën tegen > de nuttige chemicaliën hebben speciale
mechanismen nodig
Ø Microglia zit in de hersenen, virussen die toch door de barrière heen komen worden opgespoord &
vernietigd (niet specifiek, valt alles aan wat lichaamsvreemd is) > verwijderen van beschadigde/dode
neuronen
Ø Endotheelcellen maken wand bloedvat
àAlzheimer: endotheelcellen liggen minder efficiënt tegen elkaar aan, waardoor
bloed-hersen barrière niet goed werkt
Bepaalt of bepaalde medicatie wel of niet efficiënt is (dopamine/medicijnen voor
chemotherapie kan er niet doorheen)
, Ø Passief transport: kleine moleculen, kunnen makkelijk door endotheelcellen heen (koolstof, vitamine A/D,
water)
Ø Actief transport: verbruikt energie om chemicaliën uit het bloed in de hersenen te pompen (glucose =
enige voedingsstof erdoor heen, aminozuren, ijzer, insuline
àDe meeste psychoactieve stoffen (zoals cafeïne, alcohol, nicotine, antidepressiva)
zijn lipofiel (vetoplosbaar) en passeren de BBB via diffusie, dus passief transport
Anatomie van de hersenen
- Transversaal/horizontaal: zicht van boven
- Sagittaal: verticaal van voor naar achter (zijkant)
- Coronaal: verticaal van links naar rechts (zicht van voorkant)
Centraal zenuwstelsel (CZS): hersenen en ruggenmerg
Perifeer zenuwstelsel (PZS): verbinding tussen CZS & rest van ons lichaam
o Somatisch zenuwstelsel: bewuste bewegingen (bijv. lopen, grijpen) > controle vrijwillige spieren
o Autonoom zenuwstelsel: automatische functies zoals ademhaling en hartslag > onvrijwillige spieren
§ Sympathisch zenuwstelsel: vecht-of-vlucht reactie (stress) > actief wanneer het
lichaam in actie moet komen (fight or flight reactie) (bijv inhibitie speekselklieren,
hartslag, verhoogde ademhaling) > kost energie
§ Parasympathisch zenuwstelsel: rust en herstel > actief als het lichaam in rust is,
houdt energie in stand of herstelt deze (rest and digest reactie) > metabolisme op
gang > bespaart energie (bijv hartslag verlagen & spijsvertering verhogen
àZijn meestal allebei actief
Psychofysiologische meetmethoden
- EEG (Electroencephalogram): meet elektrische activiteit in de hersenen via elektroden op de
schedel.
- (Functionele MRI): meet hersenactiviteit aan de hand van bloedstroom.
- PET-scan: meet stofwisseling in hersenen met radioactieve stof.
Beeldvormende techniek (brain imaging technieken = onderzoek structuur en functioneren vh brein):
- Spatiele resolutie = scherpte van beelden (uit hoeveel pixels het plaatje bestaat)
- Temporele resolutie = snelheid vd opname (aantal plaatjes dat je in een bepaalde tijd kunt maken)
→Hoge naar lage temporele resolutie: ERPs – fMRI – PET
Slaap
- Fase 1 (lichte slaap): slaap
Ø Overgang tussen wakker zijn en slapen.
Ø Langzame oogbewegingen, lichte spierspanning.
Ø Alfa- en thetagolven in EEG.
- Fase 2: slaap
Ø Diepere slaap, nog steeds relatief licht.
Ø Kenmerkend: sleep spindles en K-complexen.
Ø Geen oogbewegingen meer.
- 3 & 4. NREM Fase 3 en 4 (diepe slaap / slow-wave sleep): = hartslag, ademhaling & hersenactiviteit
neemt af > langzame, grote amplitudegolven komen vaker voor
Ø Delta-golven (langzame hersenactiviteit).
Ø Moeilijk wakker te maken.
Ø Herstel van het lichaam: immuunsysteem, spierherstel, groeihormoonafgifte.
- REM-slaap (Rapid Eye Movement): paradoxical sleep > diepe slaap en soms lichte slaap = brein is
actief alsof het wakker is > oogbewegingen (spierspanning weg)
Ø Actieve hersenen, levendige dromen.
Ø Verlamming van spieren (atonia).
Ø EEG lijkt op waaktoestand (snelle hersengolven).
Ø Belangrijk voor emotieverwerking en geheugenconsolidatie.