De basisvaardigheden:
Leerdoelen:
De definities v/d verschillende vaardigheden en hun variaties kennen
De ontwikkelingslijn v/d verschillende vaardigheden vanuit de motorische
capaciteiten kennen
Verschillende uitvoeringsmogelijkheden v/d basisvaardigheden kennen
Gradatiemogelijkheden v/d verschillende basisvaardigheden kennen
Mogelijkheden voor materiaalopstellingen voor de verschillende basisvaardigheden
kennen (kunnen schetsen)
De specifieke didactiek-methodiek v/d verschillende basisvaardigheden kennen
1 De basisvaardigheden:
Balanceren, lopen en gaan
Springen
Kruipen, schuiven en sluipen
Klimmen en klauteren
Schommelen, slingeren en zwaaien
Rollen en duikelen
Trekken, heffen, slepen, duwen en dragen
Rollen, werpen, stuiten en vangen
Zwaaien en draaien
2 Balanceren, lopen en gaan:
Mogelijkheden voor balanceren in de klas (bv: bewegingshoek)
Definities:
Balanceren = het blijven of voortbewegen in situaties waarbij hogere eisen
dan normaal gesteld worden aan het vermogen om het evenwicht te bewaren
Gaan of wandelen = vanuit een staande oprichting zich verplaatsen,
gekenmerkt door een periode van dubbele steun waarbij de beide voeten
contact maken met de grond
Lopen = sneller en sneller gaan zodat er tussen afstoot en landing een
miniem zweefmoment komt
1
,2.2 Balanceren:
Definitie:
Balanceren = het blijven of voortbewegen in situaties waarbij hogere eisen
dan normaal gesteld worden aan het vermogen om het evenwicht te bewaren
2.2.1 De ontwikkeling van balanceren:
Evenwicht zoeken:
Vanuit grijpen en steunen richt het kind zich op
Bij het opgeven v/d greep moet het evenwicht behouden worden
Voortbewegen:
Eerst met aansluitpassen voortschuifelen
Later overgaan naar wisselpas (alternerend gaan)
Lopen:
Sneller gaan tot lopen, met een miniem zweefmoment tussen afstoot en
landing
Springen:
Een duidelijker zweefmoment tussen afstoot en landing
2.2.2 De ontwikkeling van balanceren per leeftijd:
2,5 tot 3-jarigen:
Staat 2 seconden op 1 been
Evolueert van kruipen naar stappen o/e breed en verhoogd steunvlak
4-jarigen:
Staat 3 seconden op 1 been
Houdt evenwicht o/e breed steunvlak
Doet ervaring op van evenwicht op licht labiele steunvlakken
5-jarigen:
Staat minimaal 5 seconden op 1 been
Houdt evenwicht o/e smal, licht labiel steunvlak
Kan hinken
Bijbewegingen:
Van voor-achterwaartse bewegingen naar zijwaartse compensatiebewegingen
voor evenwichtsbehoud
2
, 2.2.3 Gradatiemogelijkheden bij balanceren:
Gemakkelijk:
Stabiel, breed, kort, laag balanceervlak zonder richtingsverandering of
obstakels
Middel:
Smaller, langer balanceervlak met eenvoudige richtingsveranderingen
Moeilijk:
Labiel, smal, lang, hoog balanceervlak met richtingsveranderingen en
obstakels
Uitdagend:
Combinatie van moeilijke elementen plus schuin balanceervlak
2.2.4 Didactiek voor balanceren:
Veiligheid voorop:
Kleuters nooit dwingen
Geen wedstrijdvorm gebruiken
Concentratie:
Ruimte afbakenen en afspraken maken over werkrichting, zodat kleuters
geconcentreerd kunnen werken
Hulp bieden:
Beschermend meelopen
Soms een handje toesteken, maar niet voortdurend vasthouden
Rustpunten:
Voorzie afstap- en rustplaatsen, zodat kleuters zich veiliger voelen
2.2.5 Uitvoeringsmogelijkheden balanceren:
Op 1 voet of beide voeten
Op voorvoeten of hakken, op knieën of handen en voeten
Stilstand of in beweging
Voorwaarts, rugwaarts of zijwaarts
Met draai o/d lengte-as
2.3 Lopen en gaan:
Definities:
Gaan of wandelen = vanuit een staande oprichting zich verplaatsen,
gekenmerkt door een periode van dubbele steun waarbij de beide voeten
contact maken met de grond
Lopen = sneller en sneller gaan zodat er tussen afstoot en landing een
miniem zweefmoment komt
2.3.1 De ontwikkeling van lopen per leeftijd:
2,5-jarige:
Beweegt lichaam als blok mee
3
Leerdoelen:
De definities v/d verschillende vaardigheden en hun variaties kennen
De ontwikkelingslijn v/d verschillende vaardigheden vanuit de motorische
capaciteiten kennen
Verschillende uitvoeringsmogelijkheden v/d basisvaardigheden kennen
Gradatiemogelijkheden v/d verschillende basisvaardigheden kennen
Mogelijkheden voor materiaalopstellingen voor de verschillende basisvaardigheden
kennen (kunnen schetsen)
De specifieke didactiek-methodiek v/d verschillende basisvaardigheden kennen
1 De basisvaardigheden:
Balanceren, lopen en gaan
Springen
Kruipen, schuiven en sluipen
Klimmen en klauteren
Schommelen, slingeren en zwaaien
Rollen en duikelen
Trekken, heffen, slepen, duwen en dragen
Rollen, werpen, stuiten en vangen
Zwaaien en draaien
2 Balanceren, lopen en gaan:
Mogelijkheden voor balanceren in de klas (bv: bewegingshoek)
Definities:
Balanceren = het blijven of voortbewegen in situaties waarbij hogere eisen
dan normaal gesteld worden aan het vermogen om het evenwicht te bewaren
Gaan of wandelen = vanuit een staande oprichting zich verplaatsen,
gekenmerkt door een periode van dubbele steun waarbij de beide voeten
contact maken met de grond
Lopen = sneller en sneller gaan zodat er tussen afstoot en landing een
miniem zweefmoment komt
1
,2.2 Balanceren:
Definitie:
Balanceren = het blijven of voortbewegen in situaties waarbij hogere eisen
dan normaal gesteld worden aan het vermogen om het evenwicht te bewaren
2.2.1 De ontwikkeling van balanceren:
Evenwicht zoeken:
Vanuit grijpen en steunen richt het kind zich op
Bij het opgeven v/d greep moet het evenwicht behouden worden
Voortbewegen:
Eerst met aansluitpassen voortschuifelen
Later overgaan naar wisselpas (alternerend gaan)
Lopen:
Sneller gaan tot lopen, met een miniem zweefmoment tussen afstoot en
landing
Springen:
Een duidelijker zweefmoment tussen afstoot en landing
2.2.2 De ontwikkeling van balanceren per leeftijd:
2,5 tot 3-jarigen:
Staat 2 seconden op 1 been
Evolueert van kruipen naar stappen o/e breed en verhoogd steunvlak
4-jarigen:
Staat 3 seconden op 1 been
Houdt evenwicht o/e breed steunvlak
Doet ervaring op van evenwicht op licht labiele steunvlakken
5-jarigen:
Staat minimaal 5 seconden op 1 been
Houdt evenwicht o/e smal, licht labiel steunvlak
Kan hinken
Bijbewegingen:
Van voor-achterwaartse bewegingen naar zijwaartse compensatiebewegingen
voor evenwichtsbehoud
2
, 2.2.3 Gradatiemogelijkheden bij balanceren:
Gemakkelijk:
Stabiel, breed, kort, laag balanceervlak zonder richtingsverandering of
obstakels
Middel:
Smaller, langer balanceervlak met eenvoudige richtingsveranderingen
Moeilijk:
Labiel, smal, lang, hoog balanceervlak met richtingsveranderingen en
obstakels
Uitdagend:
Combinatie van moeilijke elementen plus schuin balanceervlak
2.2.4 Didactiek voor balanceren:
Veiligheid voorop:
Kleuters nooit dwingen
Geen wedstrijdvorm gebruiken
Concentratie:
Ruimte afbakenen en afspraken maken over werkrichting, zodat kleuters
geconcentreerd kunnen werken
Hulp bieden:
Beschermend meelopen
Soms een handje toesteken, maar niet voortdurend vasthouden
Rustpunten:
Voorzie afstap- en rustplaatsen, zodat kleuters zich veiliger voelen
2.2.5 Uitvoeringsmogelijkheden balanceren:
Op 1 voet of beide voeten
Op voorvoeten of hakken, op knieën of handen en voeten
Stilstand of in beweging
Voorwaarts, rugwaarts of zijwaarts
Met draai o/d lengte-as
2.3 Lopen en gaan:
Definities:
Gaan of wandelen = vanuit een staande oprichting zich verplaatsen,
gekenmerkt door een periode van dubbele steun waarbij de beide voeten
contact maken met de grond
Lopen = sneller en sneller gaan zodat er tussen afstoot en landing een
miniem zweefmoment komt
2.3.1 De ontwikkeling van lopen per leeftijd:
2,5-jarige:
Beweegt lichaam als blok mee
3