Samenvatting privaatrecht 1 – Open Universiteit 2025/2026
Leereenheid 1 – Inleiding in het privaatrecht
Binnen het recht wordt onderscheid gemaakt tussen privaatrecht en publiekrecht. Dat
onderscheid berust op drie gezichtspunten: het subject, het belang dat wordt beschermd en
de wijze van handhaving. Kort samengevat gaat het dus om: subject, belang en handhaving.
Bij het onderscheid naar subject is van belang welke partijen in de rechtsverhouding
optreden. In het privaatrecht gaat het in beginsel om rechtsverhoudingen tussen burgers
onderling. In het publiekrecht treedt de overheid op in haar hoedanigheid van overheid.
Daarbij moet wel worden opgemerkt dat de overheid ook handelingen kan verrichten die
een gewone burger eveneens kan verrichten. In dat geval handelt de overheid niet op grond
van haar bijzondere overheidsbevoegdheden, maar neemt zij deel aan het rechtsverkeer
zoals een burger dat doet. Dan is de overheid ook gebonden aan de regels van het
privaatrecht.
De overheid kan dus in twee hoedanigheden optreden: in publiekrechtelijke kwaliteit en in
privaatrechtelijke kwaliteit. Wanneer de overheid publiekrechtelijk optreedt, staat het
algemene belang centraal. Het privaatrecht is daarentegen vooral gericht op de belangen
van afzonderlijke burgers. Toch kan de overheid ook privaatrechtelijke middelen gebruiken
om in te grijpen. Een voorbeeld daarvan is optreden op basis van de Wet op de vaste
boekenprijs.
Ook de handhaving verschilt. In het privaatrecht ligt de handhaving in beginsel bij de
burgers zelf. Het zijn de betrokken individuen die hun rechten geldend moeten maken. In
het publiekrecht ligt de handhaving juist bij de overheid.
Het publiekrecht kan verder worden onderverdeeld in:
administratief recht of bestuursrecht;
strafrecht.
Het privaatrecht kan worden onderverdeeld in:
materieel privaatrecht;
formeel privaatrecht.
Materieel privaatrecht betreft de inhoud van het recht. Het gaat om de regels die aan
personen rechten en plichten toekennen.
Formeel privaatrecht betreft het burgerlijk procesrecht. Daarbij gaat het om de vraag op
welke manier het materiële privaatrecht kan worden verwezenlijkt. Wanneer iemands recht
is geschonden, kan die persoon zich tot de rechter wenden. Het formele privaatrecht regelt
daarnaast ook op welke wijze een rechterlijk vonnis ten uitvoer kan worden gelegd.
Verder bestaat binnen het privaatrecht onderscheid tussen regelend recht en dwingend
recht. Regelend recht wordt ook wel aanvullend recht of dispositief recht genoemd. Het
1
,omvat regels die de wetgever heeft opgesteld om van toepassing te zijn in bepaalde
situaties, voor zover partijen zelf niets anders hebben geregeld. Van regelend recht kan dus
worden afgeweken. Van dwingend recht kan daarentegen niet worden afgeweken.
Leereenheid 2: Een inleiding in het vermogensrecht
Bij Koninklijk Besluit van 25 april 1947 ontving prof. mr. E.M. Meijers, hoogleraar burgerlijk
recht te Leiden, de opdracht een nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW) te ontwerpen. Eerdere
pogingen tot gehele of gedeeltelijke herziening van het Burgerlijk Wetboek, dat dateerde
van 1838, hadden geen concrete resultaten opgeleverd. Als argumenten voor een nieuw
Burgerlijk Wetboek werden aangevoerd:
de onoverzichtelijkheid van de verspreiding van het privaatrecht over twee
wetboeken, namelijk het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Koophandel;
de sterke veroudering van het Burgerlijk Wetboek van 1838;
de invloed van de maatschappelijke ontwikkelingen die het burgerlijk recht sinds
1838 had ondergaan en die ook in de wettekst tot uiting dienden te komen.
Het werken aan de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek is een langdurige
geschiedenis geworden. Drieënveertig jaar nadat aan Meijers de opdracht was verstrekt om
een nieuw Burgerlijk Wetboek te vervaardigen, is bij Koninklijk Besluit van 20 februari 1990
vastgesteld dat in 1992 de Boeken 3, 5 en 6 zouden worden ingevoerd, evenals een gedeelte
van Boek 7. De Boeken 1 en 2 waren reeds in werking getreden in respectievelijk 1970 en
1976. Boek 8 was per 1 april 1991 in werking getreden. Voor die lange duur was een aantal
oorzaken aan te wijzen, waarbij niet in de laatste plaats gedacht moet worden aan de
ontwikkeling van de maatschappelijke en juridische opvattingen en de wisselende
waardering van de politiek voor het project.
De indeling en systematiek van het Burgerlijk Wetboek berusten op een gelaagde structuur.
Deze structuur komt niet alleen tot uiting in de indeling in Boeken, maar ook binnen de
Boeken, titels en afdelingen. Daarom spreekt men ook wel van een piramidale opbouw.
Aan de systematiek van het Burgerlijk Wetboek liggen twee hoofdprincipes ten grondslag:
1. het onderscheid tussen personenrecht en vermogensrecht;
2. binnen het vermogensrecht het onderscheid tussen een algemeen en een bijzonder
deel.
Het personenrecht valt uiteen in twee rechtsgebieden:
het personenrecht in enge zin;
het rechtspersonenrecht.
Er zijn twee soorten personen:
natuurlijke personen;
rechtspersonen.
2
,De mens is een natuurlijke persoon. In Boek 1 treffen we regels aan die alleen betrekking
hebben op mensen, zoals regels omtrent rechtsbevoegdheid, handelingsbekwaamheid, het
recht op naam, geboorte, overlijden en adoptie. Dit is het personenrecht in enge zin. Samen
met het personenrecht in enge zin treffen we in Boek 1 ook het familierecht aan. Het
personenrecht in enge zin en het familierecht zijn nauw met elkaar verbonden.
Tegenover het begrip natuurlijke persoon staat het begrip rechtspersoon. Samen worden zij
rechtssubjecten genoemd. Daarmee wordt aangegeven dat natuurlijke personen en
rechtspersonen beide zelfstandig drager van subjectieve rechten en plichten kunnen zijn.
Het begrip rechtspersoon is een constructie van het recht. Een rechtspersoon is te
omschrijven als een door mensen in het leven geroepen organisatie die een bepaalde status
heeft, die haar door het recht is toegekend, waardoor zij de bevoegdheid heeft om in het
rechtsverkeer als eenheid te functioneren.
De privaatrechtelijke rechtspersonen zijn:
de naamloze vennootschap;
de besloten vennootschap;
de vereniging;
de stichting;
de onderlinge waarborgmaatschappij;
de coöperatieve vereniging.
Daarnaast zijn er publiekrechtelijke rechtspersonen, zoals:
de Staat;
de provincie;
de gemeente;
de waterschappen.
Als derde categorie rechtspersonen worden de kerkgenootschappen genoemd (artikel 2:2
BW).
Het rechtspersonenrecht is geregeld in Boek 2. Samen met het personenrecht in enge zin
wordt dit het personenrecht in ruime zin genoemd.
Wat betreft het vermogensrecht onderscheidt men een algemeen en een bijzonder deel. Het
algemeen deel vinden we in Boek 3. De bijzondere delen vinden we in de Boeken 4 tot en
met 9. Omdat het wetboek is opgebouwd van algemeen naar bijzonder, spreekt men van
een gelaagde structuur of piramidale opbouw.
Boek 3 regelt het vermogensrecht in het algemeen. Het bevat regels die voor alle soorten
vermogensbestanddelen van belang zijn, dus zowel voor zaken als voor vermogensrechten.
Zo regelt titel 2 van Boek 3 de rechtshandeling: een rechtsfeit dat bij het ontstaan en
tenietgaan van alle soorten vermogensbestanddelen een rol kan spelen.
Boek 6 regelt het verbintenissenrecht. Het betreft hier een specifiek gedeelte van het
vermogensrecht, namelijk de relatieve rechten ofwel vorderingsrechten. Omdat een relatief
3
, recht ook een vermogensbestanddeel is, zijn de algemene bepalingen van Boek 3 ook
daarop van toepassing.
Binnen Boek 6 komt de gelaagde structuur opnieuw naar voren. Titel 1 van Boek 6 bevat de
verbintenissen in het algemeen. De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op alle
verbintenissen, ongeacht de bron waaruit zij zijn ontstaan. Verbintenissen kunnen ontstaan
uit overeenkomst of uit de wet. Titel 5 van Boek 6 bevat vervolgens bepalingen betreffende
overeenkomsten. Op verbintenissen uit overeenkomst zijn daarom niet alleen de regels van
titel 5 van Boek 6 van toepassing, maar ook de algemene bepalingen van titel 1 van Boek 6
en de algemene bepalingen van Boek 3. Nog verder gespecificeerd is in afdeling 5 van titel 5
van Boek 6 de wederkerige overeenkomst geregeld. In Boek 7 vinden we vervolgens de
bijzondere overeenkomsten, zoals koop.
Niet onvermeld mag blijven het begrip schakelbepalingen. Schakelbepalingen zijn bepalingen
die regelingen van overeenkomstige toepassing verklaren op rechtsbetrekkingen waarvoor
zij naar de letter niet zijn geschreven. Deze bepalingen zijn het resultaat van een procedé
waarbij de wetgever een materie regelt waar zij praktisch het meest van belang is en
vervolgens die regeling mede van toepassing verklaart op een aantal min of meer
nauwkeurig aangegeven andere rechtsbetrekkingen.
Er zijn verschillende soorten schakelbepalingen. Sommige verklaren titels van Boek 3 van
overeenkomstige toepassing buiten het vermogensrecht. Voorbeelden daarvan zijn:
artikel 3:15 BW;
artikel 3:59 BW;
artikel 3:326 BW.
Er zijn ook schakelbepalingen die slechts effect hebben binnen het vermogensrecht zelf,
zoals:
artikel 6:4 BW;
artikel 6:261 lid 2 BW;
artikel 6:279 BW;
artikel 6:216 BW.
Daarnaast bestaan meer concrete schakelbepalingen, zoals:
artikel 5:104 BW;
artikel 3:98 BW.
Om een samenleving goed te laten functioneren, is het opstellen van regels onvermijdelijk.
Met objectief recht, ofwel recht in objectieve zin, wordt aangeduid het geheel van
rechtsregels — geschreven en ongeschreven — die in een bepaalde samenleving gelden. Dit
wordt ook wel het positieve recht genoemd.
Een subjectief recht, ofwel een recht in subjectieve zin, is een door het objectieve recht
verleende bevoegdheid. Anders gezegd: het is een bevoegdheid, of een recht, dat een
bepaalde persoon aan het objectieve recht ontleent. Zo bevatten artikel 1:114 BW en
4
Leereenheid 1 – Inleiding in het privaatrecht
Binnen het recht wordt onderscheid gemaakt tussen privaatrecht en publiekrecht. Dat
onderscheid berust op drie gezichtspunten: het subject, het belang dat wordt beschermd en
de wijze van handhaving. Kort samengevat gaat het dus om: subject, belang en handhaving.
Bij het onderscheid naar subject is van belang welke partijen in de rechtsverhouding
optreden. In het privaatrecht gaat het in beginsel om rechtsverhoudingen tussen burgers
onderling. In het publiekrecht treedt de overheid op in haar hoedanigheid van overheid.
Daarbij moet wel worden opgemerkt dat de overheid ook handelingen kan verrichten die
een gewone burger eveneens kan verrichten. In dat geval handelt de overheid niet op grond
van haar bijzondere overheidsbevoegdheden, maar neemt zij deel aan het rechtsverkeer
zoals een burger dat doet. Dan is de overheid ook gebonden aan de regels van het
privaatrecht.
De overheid kan dus in twee hoedanigheden optreden: in publiekrechtelijke kwaliteit en in
privaatrechtelijke kwaliteit. Wanneer de overheid publiekrechtelijk optreedt, staat het
algemene belang centraal. Het privaatrecht is daarentegen vooral gericht op de belangen
van afzonderlijke burgers. Toch kan de overheid ook privaatrechtelijke middelen gebruiken
om in te grijpen. Een voorbeeld daarvan is optreden op basis van de Wet op de vaste
boekenprijs.
Ook de handhaving verschilt. In het privaatrecht ligt de handhaving in beginsel bij de
burgers zelf. Het zijn de betrokken individuen die hun rechten geldend moeten maken. In
het publiekrecht ligt de handhaving juist bij de overheid.
Het publiekrecht kan verder worden onderverdeeld in:
administratief recht of bestuursrecht;
strafrecht.
Het privaatrecht kan worden onderverdeeld in:
materieel privaatrecht;
formeel privaatrecht.
Materieel privaatrecht betreft de inhoud van het recht. Het gaat om de regels die aan
personen rechten en plichten toekennen.
Formeel privaatrecht betreft het burgerlijk procesrecht. Daarbij gaat het om de vraag op
welke manier het materiële privaatrecht kan worden verwezenlijkt. Wanneer iemands recht
is geschonden, kan die persoon zich tot de rechter wenden. Het formele privaatrecht regelt
daarnaast ook op welke wijze een rechterlijk vonnis ten uitvoer kan worden gelegd.
Verder bestaat binnen het privaatrecht onderscheid tussen regelend recht en dwingend
recht. Regelend recht wordt ook wel aanvullend recht of dispositief recht genoemd. Het
1
,omvat regels die de wetgever heeft opgesteld om van toepassing te zijn in bepaalde
situaties, voor zover partijen zelf niets anders hebben geregeld. Van regelend recht kan dus
worden afgeweken. Van dwingend recht kan daarentegen niet worden afgeweken.
Leereenheid 2: Een inleiding in het vermogensrecht
Bij Koninklijk Besluit van 25 april 1947 ontving prof. mr. E.M. Meijers, hoogleraar burgerlijk
recht te Leiden, de opdracht een nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW) te ontwerpen. Eerdere
pogingen tot gehele of gedeeltelijke herziening van het Burgerlijk Wetboek, dat dateerde
van 1838, hadden geen concrete resultaten opgeleverd. Als argumenten voor een nieuw
Burgerlijk Wetboek werden aangevoerd:
de onoverzichtelijkheid van de verspreiding van het privaatrecht over twee
wetboeken, namelijk het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Koophandel;
de sterke veroudering van het Burgerlijk Wetboek van 1838;
de invloed van de maatschappelijke ontwikkelingen die het burgerlijk recht sinds
1838 had ondergaan en die ook in de wettekst tot uiting dienden te komen.
Het werken aan de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek is een langdurige
geschiedenis geworden. Drieënveertig jaar nadat aan Meijers de opdracht was verstrekt om
een nieuw Burgerlijk Wetboek te vervaardigen, is bij Koninklijk Besluit van 20 februari 1990
vastgesteld dat in 1992 de Boeken 3, 5 en 6 zouden worden ingevoerd, evenals een gedeelte
van Boek 7. De Boeken 1 en 2 waren reeds in werking getreden in respectievelijk 1970 en
1976. Boek 8 was per 1 april 1991 in werking getreden. Voor die lange duur was een aantal
oorzaken aan te wijzen, waarbij niet in de laatste plaats gedacht moet worden aan de
ontwikkeling van de maatschappelijke en juridische opvattingen en de wisselende
waardering van de politiek voor het project.
De indeling en systematiek van het Burgerlijk Wetboek berusten op een gelaagde structuur.
Deze structuur komt niet alleen tot uiting in de indeling in Boeken, maar ook binnen de
Boeken, titels en afdelingen. Daarom spreekt men ook wel van een piramidale opbouw.
Aan de systematiek van het Burgerlijk Wetboek liggen twee hoofdprincipes ten grondslag:
1. het onderscheid tussen personenrecht en vermogensrecht;
2. binnen het vermogensrecht het onderscheid tussen een algemeen en een bijzonder
deel.
Het personenrecht valt uiteen in twee rechtsgebieden:
het personenrecht in enge zin;
het rechtspersonenrecht.
Er zijn twee soorten personen:
natuurlijke personen;
rechtspersonen.
2
,De mens is een natuurlijke persoon. In Boek 1 treffen we regels aan die alleen betrekking
hebben op mensen, zoals regels omtrent rechtsbevoegdheid, handelingsbekwaamheid, het
recht op naam, geboorte, overlijden en adoptie. Dit is het personenrecht in enge zin. Samen
met het personenrecht in enge zin treffen we in Boek 1 ook het familierecht aan. Het
personenrecht in enge zin en het familierecht zijn nauw met elkaar verbonden.
Tegenover het begrip natuurlijke persoon staat het begrip rechtspersoon. Samen worden zij
rechtssubjecten genoemd. Daarmee wordt aangegeven dat natuurlijke personen en
rechtspersonen beide zelfstandig drager van subjectieve rechten en plichten kunnen zijn.
Het begrip rechtspersoon is een constructie van het recht. Een rechtspersoon is te
omschrijven als een door mensen in het leven geroepen organisatie die een bepaalde status
heeft, die haar door het recht is toegekend, waardoor zij de bevoegdheid heeft om in het
rechtsverkeer als eenheid te functioneren.
De privaatrechtelijke rechtspersonen zijn:
de naamloze vennootschap;
de besloten vennootschap;
de vereniging;
de stichting;
de onderlinge waarborgmaatschappij;
de coöperatieve vereniging.
Daarnaast zijn er publiekrechtelijke rechtspersonen, zoals:
de Staat;
de provincie;
de gemeente;
de waterschappen.
Als derde categorie rechtspersonen worden de kerkgenootschappen genoemd (artikel 2:2
BW).
Het rechtspersonenrecht is geregeld in Boek 2. Samen met het personenrecht in enge zin
wordt dit het personenrecht in ruime zin genoemd.
Wat betreft het vermogensrecht onderscheidt men een algemeen en een bijzonder deel. Het
algemeen deel vinden we in Boek 3. De bijzondere delen vinden we in de Boeken 4 tot en
met 9. Omdat het wetboek is opgebouwd van algemeen naar bijzonder, spreekt men van
een gelaagde structuur of piramidale opbouw.
Boek 3 regelt het vermogensrecht in het algemeen. Het bevat regels die voor alle soorten
vermogensbestanddelen van belang zijn, dus zowel voor zaken als voor vermogensrechten.
Zo regelt titel 2 van Boek 3 de rechtshandeling: een rechtsfeit dat bij het ontstaan en
tenietgaan van alle soorten vermogensbestanddelen een rol kan spelen.
Boek 6 regelt het verbintenissenrecht. Het betreft hier een specifiek gedeelte van het
vermogensrecht, namelijk de relatieve rechten ofwel vorderingsrechten. Omdat een relatief
3
, recht ook een vermogensbestanddeel is, zijn de algemene bepalingen van Boek 3 ook
daarop van toepassing.
Binnen Boek 6 komt de gelaagde structuur opnieuw naar voren. Titel 1 van Boek 6 bevat de
verbintenissen in het algemeen. De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op alle
verbintenissen, ongeacht de bron waaruit zij zijn ontstaan. Verbintenissen kunnen ontstaan
uit overeenkomst of uit de wet. Titel 5 van Boek 6 bevat vervolgens bepalingen betreffende
overeenkomsten. Op verbintenissen uit overeenkomst zijn daarom niet alleen de regels van
titel 5 van Boek 6 van toepassing, maar ook de algemene bepalingen van titel 1 van Boek 6
en de algemene bepalingen van Boek 3. Nog verder gespecificeerd is in afdeling 5 van titel 5
van Boek 6 de wederkerige overeenkomst geregeld. In Boek 7 vinden we vervolgens de
bijzondere overeenkomsten, zoals koop.
Niet onvermeld mag blijven het begrip schakelbepalingen. Schakelbepalingen zijn bepalingen
die regelingen van overeenkomstige toepassing verklaren op rechtsbetrekkingen waarvoor
zij naar de letter niet zijn geschreven. Deze bepalingen zijn het resultaat van een procedé
waarbij de wetgever een materie regelt waar zij praktisch het meest van belang is en
vervolgens die regeling mede van toepassing verklaart op een aantal min of meer
nauwkeurig aangegeven andere rechtsbetrekkingen.
Er zijn verschillende soorten schakelbepalingen. Sommige verklaren titels van Boek 3 van
overeenkomstige toepassing buiten het vermogensrecht. Voorbeelden daarvan zijn:
artikel 3:15 BW;
artikel 3:59 BW;
artikel 3:326 BW.
Er zijn ook schakelbepalingen die slechts effect hebben binnen het vermogensrecht zelf,
zoals:
artikel 6:4 BW;
artikel 6:261 lid 2 BW;
artikel 6:279 BW;
artikel 6:216 BW.
Daarnaast bestaan meer concrete schakelbepalingen, zoals:
artikel 5:104 BW;
artikel 3:98 BW.
Om een samenleving goed te laten functioneren, is het opstellen van regels onvermijdelijk.
Met objectief recht, ofwel recht in objectieve zin, wordt aangeduid het geheel van
rechtsregels — geschreven en ongeschreven — die in een bepaalde samenleving gelden. Dit
wordt ook wel het positieve recht genoemd.
Een subjectief recht, ofwel een recht in subjectieve zin, is een door het objectieve recht
verleende bevoegdheid. Anders gezegd: het is een bevoegdheid, of een recht, dat een
bepaalde persoon aan het objectieve recht ontleent. Zo bevatten artikel 1:114 BW en
4