Economie: Thema 2: B
Hoofdstuk 1: Wat is toegevoegde waarde?
Instap:
- Bedrijfskolom
Schematische voorstelling van de ondernemingen die betrokken
zijn bij het maken van een product
1. Grondstoffen
2. Bewerking
3. Afwerking
4. Verkoop
Toegevoegde waarde (TW):
= De prijs die er bijkomt na elke stap in de bedrijfskolom
- Waarde output – waarde input = bijkomende vergoeding
Voorbeeld:
1. €500 TW = €500
2. €875 TW = €375
3. €2375 TW = €1500
4. €3000 TW = €625
Totaal = €3000
1. 500 – 0 = 500
2. 875 – 500 = 375
3. 2375 – 875 = 1500
4. 3000 – 2375 = 625
Totaal = 500 + 375 + 1500 + 625 = 3000
- De totaal toegevoegde waarde is de prijs die de consument betaald
4 productiefactoren:
- Natuur
- Arbeid
- Kapitaal
- Ondernemingsschap
Opdracht 1: toegevoegde waarde afleiden uit de resultatenrekening:
A. Bedrijfsopbrengsten = alle opbrengsten
, B. Omzet = totale waarde van alle verkochte
goederen
C. Niet-recurrente opbrengsten = meevallers
voor onderneming (verkoop bedrijfswagen)
D. Bedrijfskosten = alles kosten
E. Handelsgoederen, grondstoffen=aankopen die
bedoeld zijn om te verkopen/gebruiken
F. Diensten en diverse goederen = aankopen die
niet bedoeld zijn te verkopen
G. Bezoldiging en sociale kosten= lonen en RSZ
H. Afschrijvingen = jaarlijkse overboeking van een deel van
aanschaffingswaarde van vaste activa op een kostenrekening
I. Voorzieningen = jaarlijks geboekte kosten waarvan bedrag nog niet
vast staat
J. Andere bedrijfskosten = kosten die niet onder andere rubrieken kan
staan (accijnsrechten)
K. Niet-recurrente kosten = tegenvallers voor onderneming
(bedrijfswagen kapot)
L. Bedrijfsresultaat = bedrijfsopbrengsten – bedrijfskosten
M. Financiële opbrengsten= recurrente financiële opbrengsten + niet-
recurrente financiële opbrengsten
N. Recurrente financiële opbrengsten = opbrengsten uit financiële
producten (intresten krijgen)
O. Niet-recurrente financiële opbrengsten = meevallers voor een
onderneming (meerwaarde verkoop vaste activa)
P. Financiële kosten = recurrente kosten + niet-recurrente kosten
Q. Recurrente financiële kosten = kosten van financiële producten
(intresten betalen)
R. Niet-recurrente financiële kosten = tegenvallers van een
onderneming (waardevermindering vaste activa)
S. Resultaat van het boekjaar voor belastingen = bedrijfsresultaat +
financiële opbrengsten – financiële kosten
Hoofdstuk 1: Wat is toegevoegde waarde?
Instap:
- Bedrijfskolom
Schematische voorstelling van de ondernemingen die betrokken
zijn bij het maken van een product
1. Grondstoffen
2. Bewerking
3. Afwerking
4. Verkoop
Toegevoegde waarde (TW):
= De prijs die er bijkomt na elke stap in de bedrijfskolom
- Waarde output – waarde input = bijkomende vergoeding
Voorbeeld:
1. €500 TW = €500
2. €875 TW = €375
3. €2375 TW = €1500
4. €3000 TW = €625
Totaal = €3000
1. 500 – 0 = 500
2. 875 – 500 = 375
3. 2375 – 875 = 1500
4. 3000 – 2375 = 625
Totaal = 500 + 375 + 1500 + 625 = 3000
- De totaal toegevoegde waarde is de prijs die de consument betaald
4 productiefactoren:
- Natuur
- Arbeid
- Kapitaal
- Ondernemingsschap
Opdracht 1: toegevoegde waarde afleiden uit de resultatenrekening:
A. Bedrijfsopbrengsten = alle opbrengsten
, B. Omzet = totale waarde van alle verkochte
goederen
C. Niet-recurrente opbrengsten = meevallers
voor onderneming (verkoop bedrijfswagen)
D. Bedrijfskosten = alles kosten
E. Handelsgoederen, grondstoffen=aankopen die
bedoeld zijn om te verkopen/gebruiken
F. Diensten en diverse goederen = aankopen die
niet bedoeld zijn te verkopen
G. Bezoldiging en sociale kosten= lonen en RSZ
H. Afschrijvingen = jaarlijkse overboeking van een deel van
aanschaffingswaarde van vaste activa op een kostenrekening
I. Voorzieningen = jaarlijks geboekte kosten waarvan bedrag nog niet
vast staat
J. Andere bedrijfskosten = kosten die niet onder andere rubrieken kan
staan (accijnsrechten)
K. Niet-recurrente kosten = tegenvallers voor onderneming
(bedrijfswagen kapot)
L. Bedrijfsresultaat = bedrijfsopbrengsten – bedrijfskosten
M. Financiële opbrengsten= recurrente financiële opbrengsten + niet-
recurrente financiële opbrengsten
N. Recurrente financiële opbrengsten = opbrengsten uit financiële
producten (intresten krijgen)
O. Niet-recurrente financiële opbrengsten = meevallers voor een
onderneming (meerwaarde verkoop vaste activa)
P. Financiële kosten = recurrente kosten + niet-recurrente kosten
Q. Recurrente financiële kosten = kosten van financiële producten
(intresten betalen)
R. Niet-recurrente financiële kosten = tegenvallers van een
onderneming (waardevermindering vaste activa)
S. Resultaat van het boekjaar voor belastingen = bedrijfsresultaat +
financiële opbrengsten – financiële kosten