TERATOLOGIE
1Ba DGK
NIENKE VAN BOXELAER
2025-2026
,Inhoud
Inleiding ...................................................................................................................... 3
Voorplanting ................................................................................................................ 5
Gametogenese .......................................................................................................... 5
Bouw mannelijk voorplantingsstelsel ....................................................................... 5
Spermatogenese..................................................................................................... 7
Spermiogenese ...................................................................................................... 8
Bouw vrouwelijk voorplantingsstelsel ...................................................................... 8
Ovogenese .......................................................................................................... 10
Hormonale regeling (niet zo uitgebreid te kennen) ................................................... 12
De bevruchting ....................................................................................................... 13
Acrosoomreactie.................................................................................................. 14
Preventie van polyspermie .................................................................................... 14
Ontstaan zygote ................................................................................................... 14
Pathologie van de bevruchting ............................................................................... 15
Klieving & gastrulatie.............................................................................................. 16
Klieving ............................................................................................................. 16
Delaminatie ........................................................................................................ 17
Ontstaan meerlingen ............................................................................................ 18
Vorming extra-embryonaal mesoderm + Gastrulatie ................................................. 19
Primitieve lichaamsvorm ............................................................................................. 23
Neurulatie .............................................................................................................. 23
Vorming coeloomholte ............................................................................................. 25
Differentiatie mesoderm ....................................................................................... 25
Vorming coeloomholte ......................................................................................... 25
Ontwikkeling gastro-intestinaal stelsel .......................................................................... 27
Eerste ontwikkelingsstadia ....................................................................................... 27
Primitieve darm ................................................................................................... 27
Divertikels (= uitstulpingen) uit endoderm .............................................................. 27
Verdere ontwikkeling oerdarm & zijn derivaten .......................................................... 28
Voornaamste aanpassingen zoogdieren ................................................................... 28
Voor- & achterdarm ............................................................................................. 28
1
,Ontwikkeling borst- & buikholte ............................................................................... 29
Mondholte & farynx ................................................................................................ 29
Boven- & onderkaak – 1ste kieuwboog.................................................................... 29
Wangen – 2de kieuwboog ...................................................................................... 30
Tanden & lippen .................................................................................................. 30
Gehemelte .......................................................................................................... 31
Gespleten lip / gehemelte ...................................................................................... 31
Tong + Thyroïd (= Schildklier) .............................................................................. 32
Kieuwbogen laterale kopstreek ................................................................................. 32
Weergave van de 4 kieuwbogen ............................................................................. 32
Slokdarm - Oesofagus.............................................................................................. 34
Maag – Ventriculus – Gaster ..................................................................................... 34
1ste maagdraaiing ................................................................................................. 34
2de maagdraaiing.................................................................................................. 35
Afwijkingen darmtractus .......................................................................................... 36
Ductus vitellinus.................................................................................................. 36
Omphalocèle - Navelbreuk ................................................................................... 36
Gastroschisis ....................................................................................................... 36
Schistosoma reflexum .......................................................................................... 36
Grote klieren: Lever & pancreas................................................................................ 36
Structuur............................................................................................................. 36
Ontwikkeling ...................................................................................................... 37
2
,Inleiding
3 kiembladen (basis alle organen):
o Ectoderm
o Mesoderm
o Endoderm
Organogenese = Ontwikkeling orgaanstelsels
o Eerste trimester (eerste 3 maanden) zeer belangrijk → Gevoelige periode afwijkingen
o Embryo’s hermafrodiet aangelegd (zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen)
→ 1 geslacht verdwijnt → Restanten blijven achter → Blijvende kenmerken van ander
geslacht (bv. tepels)
o Veel verwevenheid tussen stelsels → Zaadleider oorspronkelijk deel van urinair stelsel
Geboorteafwijkingen = Fouten / Stops in normale ontwikkeling (geen nieuwe ontwikkeling).
Iedereen bevond zich ooit in dit stadium.
o Bv. Gespleten gehemelte
o Bv. Verbinding tussen trachea & slokdarm: Vocht & voedsel komen via slokdarm in
trachea en zo longen terecht → Veroorzaakt pneumonie of longontsteking
o Bv. Softenon (1960) met thalidomide → Kinderen met onderontwikkelde ledematen
door verstoring van vasculogenese (= Ontwikkeling bloedvaten) → Ledematen groeien
niet uit
o Bv. Siamese tweeling: Uit 1 bevruchte eicel komen 2 verbonden nakomelingen
Basisprincipes
1. Celproliferatie:
Cellen vermenigvuldigen zich m.b.v. mitosedelingen
2. Groei:
Cellen worden groter, rekken zich uit (bv. Spiercellen → langgerekt)
3. Differentiatie:
Eerst alleen totipotente stamcellen → In staat om uit te groeien tot een volledig nieuw
organisme, inclusief vruchtvliezen. Zullen moeten differentiëren om
specifiekere functies te kunnen uitvoeren. (bv. neuron, myociet,…)
4. Celmigratie:
bv. Dentine → Aangemaakt door odontoblasten, dit zijn neurale lijstcellen en deze
bevinden zich in het ruggenmerg → Moet migreren
Hoe groter de migratie afstand, hoe meer kans op fouten
5. Celdood:
Apoptose = Geprogrammeerde celdood
Bv. Oorspronkelijk vliezen tussen vingers, deze cellen moeten verdwijnen
3
,Periodes
Prenatale periode
o Embryonale periode: Bevruchting tot primitieve gemeenschappelijke lichaamsvorm
(einde organogenese → Bij mens meestal 1ste semester)
o Foetale periode: Verdere groei & maturatie tot en met geboorte
Postnatale periode: Verdere maturatie (bv. Puberteit door maturatie centraal zenuwstelsel:
connecties tussen neuronen beginnen zich te voltrekken), grote diersoortverschillen
o Nestvlieders: Snel zelfstandig (bv. veulens, kalveren)
o Nestblijvers: Lang enorm hulpbehoevend (bv. mensen, puppy’s, kittens)
4
,Voorplanting
Gametogenese
= Vorming voorplantingscellen/gameten
o Mannelijk = spermatozoïden (zaadcellen)
o Vrouwelijk = oöcyten (eicellen)
o Vrouwelijk bevrucht door mannelijk = zygote
o Bevatten elk helft erfelijk materiaal (dankzij meiosedelingen)
Waar?
Gonaden = Geslachtsklieren die geslachts- of voortplantingscellen/gameten vormen
Bouw mannelijk voorplantingsstelsel
→ Volgens weg die spermatogonium aflegt (3, 4, 5 & 6 zijn extra info, niet uit de cursus)
1. Testes (2) = Teelballen
o Bevinden zich in balzak/scrotum buiten het lichaam (optimale T voor aanmaak =
2 à 3°C kouder dan lichaamstemperatuur)
• Dichter/verder door spiertjes
o Elke testis → omgeven door bindweefselkapsel
o Vanuit bindweefselkapsel → bindweefseltussenschotten
• Verdelen testis in groot aantal (100’en) lobben met sterk gekronkelde
zaadbuisjes (= tubuli seminiferi)
o In bindweefsel tussen zaadbuisjes → Cellen van Leydig → produceren
testosteron
o Wand zaadbuisjes: Cellen van Sertoli + spermatogonia (=kiemcellen)
• Cellen van Sertoli: Houden spermatogonia samen met hun “tentakels”
▪ Sertoli cellen geattackeerd? Geen kiemcellen meer doordat ze
hun “tentakels” intrekken
• Cellen van Sertoli: Dienen als voedingscellen voor kiemcellen
o Zaadbuisjes komen samen in teelbalnetwerk → wanden kanalen: Kliercellen
vocht, trilhaarcellen (brengen onbeweeglijke spermatozoïden met vocht naar
bijbal)
2. Epididymis = Bijbal
o Sterk gekronkelde buis (+/- 5 m)
o Tijdelijke opslag spermatozoïden voor verder rijping
3. Ductus deferens = Zaadleider
o Lang (+/- 30 cm) + gespierd
o Leidt zaadcellen richting prostaatklier
o Peristaltische bewegingen
5
,4. Vesiculae seminales = Zaadblaasjes (2)
o Monden uit uit zaadleider → voor prostaat
o Scheiden zaadvocht af (zie prostaat)
5. Prostaat
o Scheidt zaadvocht af → zaadvocht + spermatozoïden = sperma
• Voedingsstoffen voor zaadcellen
• Licht basisch (zure milieu vagina neutraliseren)
o Samentrekking → Sperma door urinebuis naar buiten geperst
• Tegelijk: Urinebuis afgesloten tss. blaas en prostaat
6. Cowperse klieren
o Exocriene klieren dichtbij prostaat
o Scheiden voorvocht af (voor orgasme) → neutraliseert zure resten urine
6
,Spermatogenese
Vanaf puberteit
Cyclus = Gemiddeld 2 maand (Muizen → Maand → Handig voor dierproeven)
o Wand zaadbuisjes → spermatogonia
o Vooraf: DNA-replicatie
o Mitose → 2 dochtercellen
• Primaire spermatocyt (2n)
• Spermatogonium (2n) → blijft aan rand zaadbuisje (altijd mogelijkheid tot
aanmaak nieuwe primaire spermatocyt)
o Meiose I → 2 haploïde secundaire spermatocyten (n)
o Meiose II → 4 haploïde spermatiden
7
, Spermiogenese = Celdifferentiatie:
o Ontwikkeling acrosoom tegen de kern (bevat
enzymen om beschermende eiwitlaag (zona
pellucida) oöcyt af te breken)
o Kern plat af → kop
o Middenstuk: mitochondriënkoker → productie ATP
voor staart
o Overtollige cytoplasma afgesnoerd → opname door
cellen Sertoli
o Flagel / zweepstaart (1 v/d centriolen)
• Ontstaat door 1 van de centriolen dus opgebouwd uit microtubuli
• Respectievelijk doorsnede en lateraal aanzicht:
• Microtubuli maakt beweging spermacel mogelijk
• Maar: Spermacel kan niet helemaal tot aan eileider zwemmen! → Grootste factor
in verplaatsing is dankzij vrouwelijk voortplantingsstelsel; Enkel laatste “spurtje”
gebeurt via flagel
o Species verschillen
• Ratten & vogels: Haak op kop
▪ Zou bij mens onvruchtbaar betekenen
Bouw vrouwelijk voorplantingsstelsel
→ Volgens weg die oöcyt aflegt
1. Ovaria = Eierstokken
o Bilateraal van uterus
o Fixatie + Verbinding andere organen → Ligamenten
o Buitenste laag → Honderdduizenden follikels (vanaf de geboorte)
2. Oviducti = Eileiders
o Ampulla = Trechtervormige verbreding met franjes
o Wanden oviducti:
• Lengte- en kringspieren: Peristaltische bewegingen
• Epitheel met kliercellen + trilhaarcellen
3. Uterus = Baarmoeder
o Peervormig, gespierd orgaan boven blaas
o Baarmoederslijmvlies = bindweefsellaag + epitheel
8