1
,Inhoudsopgave
Samenvatting EMG LOI jaar 2 KNF .......................................................................................................... 1
Hoofdstuk 1 ............................................................................................................................................. 3
Hoofdstuk 2: Technische aspecten EMG-registratie ............................................................................... 4
Hoofdstuk 3: Spieronderzoek met concentrische naaldelektrode.......................................................... 5
Spontane activiteit in EMG .................................................................................................................. 7
1. Myogene spontane activiteit................................................................................................... 7
2. Neurogene spontane activiteit ................................................................................................ 8
Hoofdstuk 4: EMG van de meest onderzochte spieren ........................................................................ 10
Uitvoering van EMG-onderzoek + spieren ........................................................................................ 11
Onderste ledematen: .................................................................................................................... 12
Hoofdstuk 5: onderzoek van zenuwgeleiding ....................................................................................... 13
- Onderzoek van motorische zenuwgeleiding ............................................................................. 13
- Onderzoek van sensibele zenuwgeleiding ............................................................................ 15
Hoofdstuk 6: geleiding van arm- en beenzenuwen............................................................................... 16
Beenzenuwen ................................................................................................................................ 19
Hoofdstuk 7: late responsies ................................................................................................................. 22
F-responsies en axonreflexen............................................................................................................ 26
Hoofdstuk 9: EMG en ENG bij veelvoorkomende zenuw- en spieraandoeningen................................ 27
Radiculopathie................................................................................................................................... 31
Plexuslaesie ....................................................................................................................................... 33
Polyneuropathie ................................................................................................................................ 33
Hoofdstuk 10: onderzoek van de neuromusculaire transmissie ........................................................... 36
1. Repetitieve zenuwstimulatie en effect op spierpotentiaal ................................................... 37
....................................................................................................................................................... 37
2. Jitter-meting met single fiber-naaldelektrode ...................................................................... 38
2
,Hoofdstuk 1
- EMG: registreren, analyseren en interpreteren van elektrische activiteit van zenuwen en spieren.
(officieel alleen spieractiviteit, ENG = elektroneurografie is elektrische zenuwactiviteit)
Elektrische volumegeleiding
- Intracellulair: In zenuwvezels zitten zenuwcellen. Hier speelt het volgende proces af:
- Extracellulair: de stroom door het vezelmembraam breidt zich uit naar omliggende vezels en
weefsels (volumegeleider). Dit meet je met EMG. Voor een goede amplitude en vorm is het
belangrijk de elektroden goed op de spier- of zenuw zit (afb 2).
Elektroden
Bij EEG zeer lage frequenties (tot 0,1Hz), bij EMG zelden frequenties lager dan 2Hz. Materiaal van
elektroden is daarom minder kritisch dan bij EEG.
- Actieve-elektrode: eerste ingang van de versterker. Registreer activiteit
- Referentie-elektrode: tweede ingang. Indifferente elektrode.
- Aardelektrode
Naaldelektroden
- Concentrische naaldelektroden: binnenin een geisoleerde dunne draad, punt van de naald is
actieve elektrode. Naaldschacht is referentie-elektrode. Aarde is oppervlakte elektrode.
- Dikte: 0,45-0,6mm
- Bij oogspier: 0,3mm
3
, - Monopolaire elektroden: voor zenuwonderzoek met naald
- Single fibre-naaldelektrode 25µm: hiermee kan activiteit van individuele spiervezels worden
bekeken.
- Macro-EMG: activiteit op de naaldschacht bestuderen, geeft beeld van de totale motorunit.
- Selectiviteit: het verschil tussen de potentialen die je meet door de grootte van de elektroden.
Met een kleine naald meten aan de zenuwvezels is selectiever dan met een plakelektrode.
Stimulatie-elektroden:
Meestal vaste afstanden tussen stimulatiekathode en –anode. Soms ringelektroden voor
vingers en tenen. Anders EEG elektroden.
- Stimulatiekathode (-): hieronder vindt de depolarisatie van de zenuw plaats
- Stimulatieanode (+)
Hoofdstuk 2: Technische aspecten EMG-registratie
- Elektromyograaf heeft de volgende onderdelen:
- verschilversterkers (max 8)
- een computer + beeldscherm
- geluidsversterker + luidspreker
- EMG-versterker
- Verschilversterker
- Ruisniveau moet erg laag zijn en rejectiefactor relatief hoog
- Grote ingangsimpedantie is belangrijk:
1. de aangesloten elektroden hebben zelf een grote impedantie door kleine afleidoppervlak.
Ingangsimpedantie moet enkele 10 malen groter zijn.
2. elektrode-asymmetrie: naaldelektroden met hoge selectiviteit (single-fiber, concentrische)
krijgen sterke impedantie-asymmetrie. Dit door groot verschil van afleidoppervlak tussen
referentie en actieve elektrode. Leidt tot ongelijke spanningsdeling. Stoorsignalen met zelfde
amplitude worden als verschilsignalen gezien en versterkt.
- Rejectiefactor (common-mode rejection): onderdrukt stoorsignalen met zelfde amplitude.
- Frequentiebereik: moet groot zijn door bijv. motor-unit potentialen van 10-20kHz, maar
anderzijds lagere frequenties. De EMG-versterkers hebben ruime instelmogelijkheden voor hoog-
en laag doorlatende filters.
- Gevoeligheid: is afhankelijk van het EMG-onderzoek. Sommige metingen grote gevoeligheid,
maar andere signalen zijn relatief groot en dus lage gevoeligheid. (=CMAP). (van ca 1mV tot
10mV – verschil van 10.000 tussen grootste en kleinste)
- Audiovisuele weergave:
- geluidsweergave: de arts(assistent) hoort bij spieronderzoek op basis van geluid of er
aanspanning is of niet. Ook richting de patiënt is dit nuttig.
- Stimulator:
- korte stroom- of spanningspulsen worden gegeven voor stimulatie van motorische- en
sensibele zenuwen. Belangrijk hierbij zijn de:
- duur van de stimulus (0,05-2ms)
- amplitude (10-100V, 1-100mA)
- herhalingsfrequentie (0,1-100Hz)
- stimulatoruitgang moet zwevend zijn: galvanisch gescheiden van aarde, door
scheidingstransformator.
4