Aanpasbare ondersteuning: Betekent dat de hulp wordt afgestemd op wat de leerling op dat moment nodig heeft.
Bandbreedte: Betekent de maximale hoeveelheid informatie die het werkgeheugen tegelijk aankan.
Beginner: Is iemand met weinig voorkennis die elke stap bewust moet verwerken.
Cognitieve belasting: Betekent de hoeveelheid mentale inspanning die het werkgeheugen moet verwerken tijdens het leren.
Cognitieve leerstrategieën: zijn effectieve manieren van leren, zoals retrieval practice, spreiding en elaboratie.
Convergente differentiatie: Betekent dat alle leerlingen aan hetzelfde doel werken, maar met verschillende hoeveelheden ondersteuning.
Corrigerende feedback: Dan geef je directe, sturende feedback wat aangeeft wat aangepast moet worden.
Didactiek: Betekent de wetenschap die onderzoekt hoe kennis, vaardigheden en leerhoudingen het best kunnen worden onderwezen.
Dunning–Kruger effect: Houdt in dat beginners zichzelf overschatten en experts zichzelf onderschatten.
Evaluatie: Betekent beoordelen wat goed ging en wat beter kan.
Expert: Is iemand met veel voorkennis die patronen automatisch herkent.
Expliciete instructie: Betekent dat de leerkracht duidelijke, stapsgewijze uitleg geeft: voordoen → samen doen → zelf doen.
Extrinsieke belasting: Is de onnodige afleiding of ruis die het leren zwaarder maakt. (vormgeving of slechte uitleg)
Errorless learning: Betekend dat leerlingen zo min mogelijk fouten maken doordat de leerkracht kleine stappen, duidelijke voorbeelden en directe begeleiding biedt.
Feedback: Is de terugkoppeling op het huidige werk van de leerling.
Feedbackinterventietheorie: theorie die beschrijft hoe feedback het leren beïnvloedt op taak-, proces- en zelfregulatieniveau.
Feedbackgeletterdheid: het vermogen van leerlingen om feedback te begrijpen, te interpreteren en te gebruiken.
Feedforward: Betekent dat de leerling een concrete volgende stap krijgt om verder te komen.
Feedup: Betekent dat de leerkracht duidelijk maakt wat het doel van de les is.
Geleidelijke vrijlating: betekent dat de ondersteuning stap voor stap wordt afgebouwd naarmate de leerling vaardiger wordt.
Germane belasting: Is de mentale inspanning die helpt bij het opbouwen van kennisschema’s (en het leren).
Groeperingsvorm: Is de manier waarop leerlingen samenwerken, zoals duo’s, groepjes of klassikaal.
Intrinsieke belasting: Verwijst naar de moeilijkheid van de leerstof zelf.
Kennisschema: is een netwerk van kennis dat helpt nieuwe informatie te begrijpen en te plaatsen.
Langetermijngeheugen: Het langetermijngeheugen is het grote geheugen waarin kennis en schema’s langdurig worden opgeslagen.
Learning by doing: Betekent leren door actief te oefenen en te handelen.
Metacognitie: nadenken over je eigen denken en leren.
,Modeling: Betekent dat de leerkracht denkstappen hardop voordoet zodat leerlingen strategieën leren.
Monitoring: Betekent dat de leerling controleert of hij de leerstof echt begrijpt.
Oefenkansen: Momenten waarop leerlingen actief kunnen oefenen.
Ontdekkend leren: leerlingen zelf laten ontdekken; dit werkt slecht bij beginners door hoge belasting.
Overconfidence: Betekent dat een leerling zijn eigen begrip of prestatie overschat.
Pedagogisch klimaat: Betekend de sociale en emotionele sfeer waarin leerlingen zich veilig, gezien en gewaardeerd voelen.
Pseudokeuze: Dat leerlingen een schijnkeuze krijgen die weinig echte autonomie biedt. (Ze hebben geen keuze, maar ze mogen zelf bepalen wanneer ze het maken)
Samenwerkingsscript: Geeft vaste rollen en stappen voor samenwerking.
Scaffolding: Betekent dat de leerkracht tijdelijke ondersteuning biedt die precies aansluit bij wat een leerling met hulp kan bereiken.
Tegenvoorbeelden: Laten zien hoe iets níet moet om misvattingen te voorkomen.
Tussenstap: Is een kleine deelhandeling die een taak behapbaar maakt.
Uitgewerkte feedback: feedback waarin de docent laat zien hoe een taak correct uitgevoerd kan worden.
Vertraagde feedback: feedback die later wordt gegeven om de uitdaging te vergroten en het leren te verdiepen.
Voorkennis: is wat een leerling al weet en bepaalt hoe makkelijk nieuwe informatie wordt opgenomen.
Voorbeelden: Voorbeelden zijn correcte uitwerkingen die laten zien hoe iets moet.
Werkgeheugen: Het werkgeheugen is het kleine, actieve geheugen dat informatie verwerkt tijdens het denken en leren.
Zelfregulatie: Betekent dat de leerling zijn eigen leerproces kan plannen, monitoren, evalueren en bijsturen.
Zelfuitleg: Betekent dat de leerling aan zichzelf uitlegt waarom iets klopt.
Zelfdeterminatietheorie: De zelfdeterminatietheorie beschrijft dat motivatie wordt versterkt wanneer drie psychologische basisbehoeften worden vervuld: relatie (je voelt je
gezien en verbonden), autonomie (je ervaart keuzevrijheid en invloed) en competentie (je voelt dat je iets kunt). Wanneer deze behoeften worden ondersteund door de
leerkracht, neemt de intrinsieke motivatie en betrokkenheid van leerlingen toe. (Deci & Ryan, 2000)
Zone van naaste ontwikkeling: De zone van naaste ontwikkeling is het gebied tussen wat een leerling zelfstandig kan en wat mogelijk wordt met begeleiding.
Lees de vraag → Met die kernbegrippen antwoord geven, hoe zal jij dan handelen? → dan komt het didactisch redeneren naar voren → Definitie bijzetten van de begrippen
→ maak ze in verbinding naar elkaar (wat hebben ze met elkaar te maken).
(Surma et al., z.d.)
Surma, T., Vanhoyweghen, K., Sluijsmans, D., Camp, G., Muijs, D., & Kirschner, A. (z.d.). WIJZE LESSEN: Twaalf bouwstenen voor effectieve didactiek [Dataset].
ten brink uitgevers. https://www.ou.nl/documents/846784/0/Wijze_Lessen_digitaal_160919.pdf/53ce9ca8-c213-ebc6-d674-ac24f78596ef
, Inzicht 1. Het werkgeheugen heeft een beperkte capaciteit Inzicht 2. De expert denkt anders dan de beginner
Het werkgeheugen kan 2–6 nieuwe informatie-eenheden tegelijk verwerken. Experts
Verwerkt actieve informatie: luisteren, lezen, nadenken, problemen oplossen. ▪ Hebben uitgebreide kennisschema’s in hun langetermijngeheugen.
Als er te veel nieuwe informatie binnenkomt → cognitieve overbelasting ▪ Kunnen nieuwe informatie automatisch koppelen aan bestaande kennis.
→ dan stopt het leren. ▪ Herkennen patronen zonder er bewust over na te denken.
▪ Gebruiken minder werkgeheugen → is meer ruimte voor complexe taken.
Leren lukt alleen als de cognitieve belasting binnen de bandbreedte blijft.
Beginners
Het langetermijngeheugen bevat schema’s die het werkgeheugen ontlasten. ▪ Hebben weinig schema’s → moeten alles bewust verwerken.
Overbelasting ontstaat door: ▪ Kunnen patronen nog niet herkennen.
▪ Intrinsieke belasting (moeilijkheid van de stof zelf) ▪ Raken sneller cognitief overbelast.
▪ Extrinsieke belasting (afleiding, slechte uitleg, rommelige dia’s) ▪ Hebben duidelijke structuur en voordoen nodig (expliciete Instructie).
▪ Germane belasting (belasting die helpt bij leren, zoals voorbeelden)
Waarom dit belangrijk is
Doel van goed lesgeven: extrinsieke belasting verlagen, intrinsieke belasting doseren, Wat voor een expert “logisch” lijkt, is voor een beginner vaak onbegrijpelijk.
germane belasting verhogen. Daarom werkt “zoek het maar uit” of “ontdekkend leren” slecht voor beginners.
Wat betekent dit voor mij als docent? Beginners hebben steun, structuur en voorbeelden nodig.
Doseer informatie: kleine stappen, duidelijke volgorde. Wat betekent dit voor mij als docent?
Verwijder afleiding: rustige dia’s, geen irrelevante plaatjes. 1. Denk hardop voor (modeling) → Laat zien hoe jij denkt.
Activeer voorkennis zodat leerlingen minder nieuwe info hoeven te verwerken. benoem elke stap, leg uit waarom je iets doet, maak je denkproces zichtbaar.
Gebruik voorbeelden en modelling om denkstappen te ontlasten. 2. Bouw eerst kennis op
Check begrip voordat je verder gaat. De kinderen hebben nog geen vaardigheden zonder kennis.
Herhaal belangrijke informatie zodat het in het langetermijngeheugen komt. Eerst uitleg → dan oefenen → dan toepassen.
Valkuilen 3. Gebruik veel voorbeelden
Te veel vereenvoudigen → kan leiden tot oppervlakkig begrip. Goede voorbeelden en foute voorbeelden. Variatie in context.
Te weinig structuur → zorgt voor chaos en overbelasting. 4. Maak denkstappen expliciet
Te snel zelfstandigheid → beginners raak je kwijt. Geen grote sprongen gebruiken, maar juist stap voor stap. Gebruik visuele schema’s.
Te veel nieuwe begrippen tegelijk introduceren. 5. Geleidelijke vrijlating
Voordoen → Samen doen → Zelfstandig doen
Voorbeeld 1 – Rekenen 6. Check voorkennis
Expert: ziet meteen dat 48 × 25 = 1200 Beginner: moet elke stap bewust uitrekenen Overschat voorkennis nooit, gebruik korte checkvragen aan het begin.
→ Jij doet het eerst voor, benoemt elke stap, laat daarna samen oefenen. Valkuilen
Voorbeeld 2 – Taal Voorkennis overschatten → leerlingen raken kwijt.
Expert: herkent zinsdelen automatisch Beginner: ziet alleen losse woorden Te snel loslaten → frustratie en afhaken.
→ Jij geeft duidelijke voorbeelden, markeert zinsdelen, laat leerlingen oefenen met Te weinig variatie in voorbeelden → oppervlakkig begrip.
begeleide stappen. Denken dat beginners zelf kunnen ontdekken → werkt alleen bij experts.
Te veel abstractie → beginners hebben concrete voorbeelden nodig.