Het geheugen
• Geheugen = proces waarbij we ervaringen vastleggen in onze
hersenen om deze na een tijdje terug op te roepen i/h bewustzijn
• Intentioneel: vraagt veel inspanning
Bv. Instuderen en nadien herrineren v cursusinhoud
• Spontaan (moeiteloos)
• Bij beslissingen rekening houden met info uit het geheugen
Woord geheugen heeft versch betekenissen :
- 2 versch manieren waarop ervaringen k inwerken op gedrag:
automatisch of via herinnering
Automatische en bewuste nawerking van geheugeninhouden
• Expliciete en impliciete geheugenprocessen
• Expliciet = declaratief geheugen
• Werken bewust in op het gedrag
• Impliciete : non-declaratieve geheugen
• Geheugeninhouden werken onbewust in op het gedrag
Vroegere ervaringen z dan impliciet (op de
achtergrond) aanwezig
• W soms ook procedurele geheugen genoemd: vaak n
meer weten hoe geleerd
Bv fietsen, spreken, lopen
• Episodisch en semantisch geheugen
• In dit hoofdstuk gaat het over het expliciete geheugen
• Episodisch geheugen : wat we inprenten w hierin
ondergebracht
Gebeurtenissen w opgeslagen in hun concrete tijdsverloop (=
episode)
Bij ophalen: vooral tijd + plaats die gebruikt w om
zaken te herinneren
, = Basis voor het autobiografisch geheugen
(gestructureerd geheel v herinneringen)
= Basis vr persoonlijk id
• Prospectieve geheugen
= vooruitziende geheugen: herinnert ons zaken i/d
toekomst n te vergeten
• Semantisch geheugen : alles wat we weten
• Thematisch geordend (n chronologisch)
• Gegevens w volgens betekenisinhoud samen gezet
• Bevat herinneringen over: taal, feiten en alg kennis
Verschillen in tijdsduur en capaciteit
Hoe zit geheugen in elkaar?
Onderscheid tss : sensorisch, korte, lange termijn geheugen
Bezit eigen kenmerk + hebben eigen functie i/h gedrag
Het geheugen model van Atkinson en Shiffrin (1968)
1. Sensorisch geheugen/zintuigelijk geheugen: voor alle zintuigen
soort geheugen
Het zintuigelijk geheugen