1. Wat is de juiste volgorde van de laatste 4 fasen Erikson? (van
adolescentie tot late volwassenheid)
A) Identiteit vs. Isolement; Intimiteit vs. Verwarring; Generativiteit vs. Stagnatie;
EgoIntegriteit vs. Wanhoop
B) Identiteit vs. Verwarring; Intimiteit vs. Isolement; Generativiteit vs. Stagnatie;
EgoIntegriteit vs. Wanhoop
C) Intimiteit vs. Isolement ; Autonomie vs. Wantrouwen ; Generativiteit vs.
Stagnatie;
Ego-Integriteit vs. Wanhoop
D) Identiteit vs. Verwarring ; Autonomie vs. Wantrouwen ; Ego-Integriteit vs.
Wanhoop;
Generativiteit vs. Stagnatie
2. Welke stelling is correct?
A) Freud, Erikson en Piaget zien de ontwikkeling als een levenslange discontinue
ontwikkeling.
B) Watson, Bronfenbrenner en Vygotsky leggen een heel sterke nadruk op de
sociale
context.
C) Piaget en de informatieverwerkingstheorieën zien ontwikkeling als discontinue
ontwikkeling.
D) Bandura’s theorie is een contextuele theorie.
3. Wat zijn kenmerken van basisemoties?
A) Evolutionaire aanpassingswaarde; Aangeboren expressie; Universeel
B) Aangeboren herkenning van gezichtsuitdrukkingen; Universeel; Evolutionaire
aanpassingswaarde
C) Aangeboren herkenning van gezichtsuitdrukkingen; Universeel; Zelfbewust
D) Evolutionaire aanpassingswaarde; Aangeboren expressie; Universeel;
Zelfbewust
4. Wat hoort niet bij zone van naaste ontwikkeling?
A) Scaffolding
B) Reciprocal teaching
C) Interactionele-synchronie
D) Child-directed speech
, 5. … geeft een vollediger beeld dan dat men kan verkrijgen met een
enkele observatie of een enkel interview. … zorgen ervoor dat
men de resultaten van personen kan vergelijken met elkaar.
A) Gevalsstudie; Gestructureerd interview
B) Klinische observatie; Klinisch interview
C) Klinische observatie; Gestructureerd interview
D) Klinisch interview; Gestructureerde observatie
6. Wat is het voordeel van het cross-sectioneel onderzoek:
A) Geen cohort-effect
B) Geen uitval
C) Individuele ontwikkeling observeren
D) Algemene trends observeren
7. Het cohort-effect zou in een onderzoek plaatsvinden als …
optreedt.
A) Cultureel-historische veranderingen
B) Veranderingen in de gebruikelijke reacties van de deelnemers als gevolg van
herhaald testen.
C) Selectieve uitval van deelnemers in de loop van het onderzoek.
D) De deelnemers niet selecteren als een representatieve steekproef uit de
populatie.
8. Een goed onderzoek met een lagere school kind dat de regels rond
de resultaten respecteert:
A) De onderzoeker legt de resultaten aan het kind uit in eenvoudige woorden.
B) De onderzoeker legt aan de ouders de gevaren en de voordelen uit van de
resultaten
van het onderzoek.
C) De onderzoeker stuurt de ouders een verslag van het onderzoek.
D) De onderzoeken legt met eenvoudige woorden de resultaten van het
onderzoek uit
aan de ouders en het kind.
9. Welke volgorde is correct?
A) De zygote nestelt zich in; Er wordt een vetlaagje gevormd dat de temperatuur
regelt;
Een vlies genaamd het amnion komt tot ontwikkeling; De genitaliën ontwikkelen
, zich.
B) De zygote nestelt zich in; Een vlies genaamd het amnion komt tot
ontwikkeling; Er
wordt een vetlaagje gevormd dat de temperatuur regelt; De genitaliën
ontwikkelen
zich.
C) De zygote nestelt zich in; Een vlies genaamd het amnion komt tot
ontwikkeling; De
genitaliën ontwikkelen zich; Er wordt een vetlaagje gevormd die de temperatuur
regelt.
D) De zygote nestelt zich in; Er wordt een vetlaagje gevormd die de temperatuur
regelt;
De genitaliën ontwikkelen zich; Een vlies genaamd het amnion komt tot
ontwikkeling.
10. Welke bevinding kan gerelateerd worden aan het onderzoek
naar moeders die alcohol drinken tijdens de zwangerschap?
A) Een goed gebalanceerd dieet zorgt ervoor dat kinderen met FAS hun
groeiachterstand in halen in de kindertijd.
B) De mentale retardatie is niet levenslang.
C) Kinderen met FAE hebben moeders die zwaarder dronken dan de moeders van
kinderen met FAS.
D) Zelfs kleine hoeveelheden van alcoholconsumptie gedurende de
zwangerschap
(minder dan 1 glas per dag) kunnen symptomen van FAS opleveren.
11. PCBs in kleinere hoeveelheden gedurende de zwangerschap
kan tot gevolg hebben dat het kind …
A) Problemen heeft met kauwen, slikken, spraak.
B) Een kleiner hoofd, laag geboortegewicht en geheugenproblemen heeft.
C) Slaperig is.
D) Veel huilt.
12. Wat kan een kind overgedragen krijgen van de moeder in het
geboorte kanaal?
A) Rode hond en toxoplasmose.
B) Herpes en toxoplasmose.