Hoofdstuk 11
Consumptie, sparen en lenen
Lenen haalt consumptie naar voren
Iedereen die door het afsluiten van een lening ‘consumptie naar voren wil halen’, zal
goed moeten nagaan of het voordeel van de grotere consumptie in het heden
opweegt tegen de geringere consumptie in de toekomst. Bijvoorbeeld de aankoop
van een eigen woning, die doorgaans met een (hypothecaire) lening wordt
gefinancierd, legt voor zo’n 30 jaar beslag op een deel van het inkomen. Maar
dankzij deze lening kun je nu al van die woning ‘genieten’, zonder daarvoor eerst
jarenlang te hebben moeten sparen.
Sparen is consumptie uitstellen
In plaats van consumptie ‘naar voren halen’, kun je ook consumptie ‘uitstellen’. Dat
gebeurt als je spaart. Als je spaart, besteed je (een deel van) je huidige inkomen
niet, maar leg je dit ‘opzij’ voor consumptie in de toekomst.
Vrijwillige en gedwongen of contractuele besparingen
Besparingen kunnen vrijwillig zijn. Het gaat dan om sparen voor grote aankopen
zoals een auto, scooter of nieuwe meubels. Er zijn ook gedwongen of contractuele
besparingen. Hiertoe behoren bijvoorbeeld pensioenpremies.
Sparen of lenen wordt bepaald door de prijs die ruilen over de tijd coördineert. Het
concept ‘ruilen over de tijd’ is in wezen niet anders dan het concept ‘ruilen’. In plaats
van direct ruilen van een goed voor een ander goed, wordt er een consumptiegoed
in het heden geruild tegen een consumptiegoed in de toekomst. Als iemand spaart
voor de toekomst, offert hij of zij consumptie vandaag op voor consumptie morgen.
Er wordt een inter-temporele afweging gemaakt.
Inter-temporele ruil
Zowel lenen als sparen beïnvloedt dus de consumptie. Door het opnemen van een
lening kan er meer worden geconsumeerd, terwijl sparen tot gevolg heeft dat de
lopende consumptie wordt beperkt. Maar lenen en sparen hebben ook invloed op de
toekomstige consumptie. De lening moet in de toekomst worden afgelost en er zal
ook rente moeten worden betaald. Aankopen financieren met een lening houdt dus
in dat er goederen over de tijd worden geruild. Toekomstige consumptie wordt naar
voren gehaald. We noemen dit inter-temporele ruil.
,Nominale en reële rente
De rente die een lener betaalt en door de uitlener wordt ontvangen, heet de
nominale rente.
Nominale rente
De nominale rente is het rentepercentage dat over een lening moet worden betaald.
Een bank die bijvoorbeeld een rente van 4,25% per jaar op een spaarrekening biedt,
betaalt dit rentepercentage over het bedrag dat gedurende een jaar op een
spaarrekening is geplaatst en wordt door de spaarder ontvangen. Met de ontvangen
rente lijkt de consument zijn toekomstige consumptie te kunnen vergroten. Voor wat
betreft de consumptie wordt de verandering in het algemene prijspeil gemeten met
de prijsindex van de gezinsconsumptie of de consumentenprijsindex (CPI).
Inflatie en deflatie
Een stijging van de consumentenprijsindex noemt men inflatie; bij een daling spreekt
men van deflatie.
Reële rente
De reële rente is de nominale rente die gecorrigeerd is voor veranderingen in het
algemene prijspeil.
Als we de consumentenprijsindex kennen, kunnen we uit de nominale rente de reële
rente afleiden. Voor de reële rente geldt:
Voorbeeld:
Gesteld dat een bepaalde bank een nominale spaarrente biedt van 4,25% per jaar.
Als na een jaar de consumentenprijsindex is gestegen van 100 naar 103, is de reële
rente als volgt te berekenen:
De reële rente bedraagt dan (slechts) 1,21%.
, Parate-kennisvragen
Leg uit dat je door te lenen consumptie ‘naar voren haalt’. Geef hiervan een
voorbeeld. Welke ‘prijs’ betaal je voor het ‘naar voren halen’ van consumptie?
Het ‘sparen’ gebeurt achteraf. Bijvoorbeeld de aankoop van een eigen woning met
lening. De consumptiemogelijkheden.
Leg uit dat sparen betekent dat je huidige consumptie uitstelt naar de toekomst.
Omdat als je spaart je een deel van je huidige inkomen niet besteed, maar je legt dit
‘opzij’ voor consumptie in de toekomst.
Wat zijn vrijwillige en gedwongen of contractuele besparingen? Geef hiervan
voorbeelden.
Vrijwillige besparingen is het sparen voor grote aankopen (auto, scooter)
Gedwongen/contractuele besparingen is het sparen voor de toekomst
(pensioenpremies).
Wat bedoelt men met inter-temporele ruil?
Goederen over de tijd ruilen. De toekomstige consumptie wordt naar voren gehaald.
Definieer het begrip nominale rente.
Het rentepercentage dat over een lening moet worden betaald.
Wanneer is er sprake van inflatie respectievelijk deflatie?
Bij een stijging van de consumentenprijsindex is er sprake van inflatie. Bij een daling
spreekt men van deflatie.
Definieer het begrip reële rente.
De nominale rente die gecorrigeerd is voor veranderingen in het algemene prijspeil.
, Hoofdstuk 12
Sparen en investeren
Sparen
Sparen is het niet-consumeren van (een deel van) het besteedbaar inkomen. In het
vorige hoofdstuk hebben we sparen omschreven als het ‘uitstellen van consumptie’.
In deze definitie ligt het accent op het doel van sparen: het vergroten van de
toekomstige consumptie door het verminderen van de huidige consumptie.
Doordat de huidige consumptie erdoor wordt verminderd, beïnvloedt sparen de
huidige productie en werkgelegenheid en dus ook de inkomen. Daar staat tegenover
dat de besparingen van particuliere huishoudens (gezinsbesparingen) het mogelijk
maken dat andere sectoren van de economie, zoals het bedrijfsleven en de
overheid, meer kunnen uitgeven dan hun inkomsten.
Investeren
Onder investeren verstaan we het aanschaffen van kapitaalgoederen. Ook kan de
overheid door een beroep te doen op particuliere besparingen, meer uitgeven dan zij
aan belastingen ontvangt. Daardoor kan zij bijvoorbeeld de voorziening van
collectieve goederen als onderwijs, gezondheidszorg en veiligheid verbeteren en/of
verruimen.
Voorraad- en stroomgrootheden
Stroomgrootheden
Besparingen, consumptie, investeringen en inkomen zijn stroomgrootheden. Dit zijn
economische grootheden die per tijdseenheid worden gemeten. Zo spreken we over
het inkomen, de consumptie, de besparingen en de investeringen per jaar, per
kwartaal of per maand. Ook als we spreken over het dagloon of het uurloon,
koppelen we het loon aan een bepaalde tijdseenheid.
Voorraadgrootheden
Stroomgrootheden brengen veranderingen in voorraadgrootheden, grootheden
die op een bepaald moment in de tijd worden gemeten. Zo wordt de omvang van de
beroepsbevolking op een bepaald tijdstip, bijvoorbeeld per 1 januari van het jaar,
gegeven. Dat geldt eveneens voor de grootte van de kapitaalgoederenvoorraad of
de omvang van de staatsschuld. De voorraadgrootheden veranderen in de loop van
de tijd. Zo neemt tijdens het productieproces de voorraad kapitaalgoederen af,
omdat de kapitaalgoederen door gebruik slijten. Deze ‘slijtage’ noemen we
afschrijving, die zelf een stroomgrootheid is. Door te investeren in nieuwe
kapitaalgoederen neemt de kapitaalgoederenvoorraad weer toe.
Consumptie, sparen en lenen
Lenen haalt consumptie naar voren
Iedereen die door het afsluiten van een lening ‘consumptie naar voren wil halen’, zal
goed moeten nagaan of het voordeel van de grotere consumptie in het heden
opweegt tegen de geringere consumptie in de toekomst. Bijvoorbeeld de aankoop
van een eigen woning, die doorgaans met een (hypothecaire) lening wordt
gefinancierd, legt voor zo’n 30 jaar beslag op een deel van het inkomen. Maar
dankzij deze lening kun je nu al van die woning ‘genieten’, zonder daarvoor eerst
jarenlang te hebben moeten sparen.
Sparen is consumptie uitstellen
In plaats van consumptie ‘naar voren halen’, kun je ook consumptie ‘uitstellen’. Dat
gebeurt als je spaart. Als je spaart, besteed je (een deel van) je huidige inkomen
niet, maar leg je dit ‘opzij’ voor consumptie in de toekomst.
Vrijwillige en gedwongen of contractuele besparingen
Besparingen kunnen vrijwillig zijn. Het gaat dan om sparen voor grote aankopen
zoals een auto, scooter of nieuwe meubels. Er zijn ook gedwongen of contractuele
besparingen. Hiertoe behoren bijvoorbeeld pensioenpremies.
Sparen of lenen wordt bepaald door de prijs die ruilen over de tijd coördineert. Het
concept ‘ruilen over de tijd’ is in wezen niet anders dan het concept ‘ruilen’. In plaats
van direct ruilen van een goed voor een ander goed, wordt er een consumptiegoed
in het heden geruild tegen een consumptiegoed in de toekomst. Als iemand spaart
voor de toekomst, offert hij of zij consumptie vandaag op voor consumptie morgen.
Er wordt een inter-temporele afweging gemaakt.
Inter-temporele ruil
Zowel lenen als sparen beïnvloedt dus de consumptie. Door het opnemen van een
lening kan er meer worden geconsumeerd, terwijl sparen tot gevolg heeft dat de
lopende consumptie wordt beperkt. Maar lenen en sparen hebben ook invloed op de
toekomstige consumptie. De lening moet in de toekomst worden afgelost en er zal
ook rente moeten worden betaald. Aankopen financieren met een lening houdt dus
in dat er goederen over de tijd worden geruild. Toekomstige consumptie wordt naar
voren gehaald. We noemen dit inter-temporele ruil.
,Nominale en reële rente
De rente die een lener betaalt en door de uitlener wordt ontvangen, heet de
nominale rente.
Nominale rente
De nominale rente is het rentepercentage dat over een lening moet worden betaald.
Een bank die bijvoorbeeld een rente van 4,25% per jaar op een spaarrekening biedt,
betaalt dit rentepercentage over het bedrag dat gedurende een jaar op een
spaarrekening is geplaatst en wordt door de spaarder ontvangen. Met de ontvangen
rente lijkt de consument zijn toekomstige consumptie te kunnen vergroten. Voor wat
betreft de consumptie wordt de verandering in het algemene prijspeil gemeten met
de prijsindex van de gezinsconsumptie of de consumentenprijsindex (CPI).
Inflatie en deflatie
Een stijging van de consumentenprijsindex noemt men inflatie; bij een daling spreekt
men van deflatie.
Reële rente
De reële rente is de nominale rente die gecorrigeerd is voor veranderingen in het
algemene prijspeil.
Als we de consumentenprijsindex kennen, kunnen we uit de nominale rente de reële
rente afleiden. Voor de reële rente geldt:
Voorbeeld:
Gesteld dat een bepaalde bank een nominale spaarrente biedt van 4,25% per jaar.
Als na een jaar de consumentenprijsindex is gestegen van 100 naar 103, is de reële
rente als volgt te berekenen:
De reële rente bedraagt dan (slechts) 1,21%.
, Parate-kennisvragen
Leg uit dat je door te lenen consumptie ‘naar voren haalt’. Geef hiervan een
voorbeeld. Welke ‘prijs’ betaal je voor het ‘naar voren halen’ van consumptie?
Het ‘sparen’ gebeurt achteraf. Bijvoorbeeld de aankoop van een eigen woning met
lening. De consumptiemogelijkheden.
Leg uit dat sparen betekent dat je huidige consumptie uitstelt naar de toekomst.
Omdat als je spaart je een deel van je huidige inkomen niet besteed, maar je legt dit
‘opzij’ voor consumptie in de toekomst.
Wat zijn vrijwillige en gedwongen of contractuele besparingen? Geef hiervan
voorbeelden.
Vrijwillige besparingen is het sparen voor grote aankopen (auto, scooter)
Gedwongen/contractuele besparingen is het sparen voor de toekomst
(pensioenpremies).
Wat bedoelt men met inter-temporele ruil?
Goederen over de tijd ruilen. De toekomstige consumptie wordt naar voren gehaald.
Definieer het begrip nominale rente.
Het rentepercentage dat over een lening moet worden betaald.
Wanneer is er sprake van inflatie respectievelijk deflatie?
Bij een stijging van de consumentenprijsindex is er sprake van inflatie. Bij een daling
spreekt men van deflatie.
Definieer het begrip reële rente.
De nominale rente die gecorrigeerd is voor veranderingen in het algemene prijspeil.
, Hoofdstuk 12
Sparen en investeren
Sparen
Sparen is het niet-consumeren van (een deel van) het besteedbaar inkomen. In het
vorige hoofdstuk hebben we sparen omschreven als het ‘uitstellen van consumptie’.
In deze definitie ligt het accent op het doel van sparen: het vergroten van de
toekomstige consumptie door het verminderen van de huidige consumptie.
Doordat de huidige consumptie erdoor wordt verminderd, beïnvloedt sparen de
huidige productie en werkgelegenheid en dus ook de inkomen. Daar staat tegenover
dat de besparingen van particuliere huishoudens (gezinsbesparingen) het mogelijk
maken dat andere sectoren van de economie, zoals het bedrijfsleven en de
overheid, meer kunnen uitgeven dan hun inkomsten.
Investeren
Onder investeren verstaan we het aanschaffen van kapitaalgoederen. Ook kan de
overheid door een beroep te doen op particuliere besparingen, meer uitgeven dan zij
aan belastingen ontvangt. Daardoor kan zij bijvoorbeeld de voorziening van
collectieve goederen als onderwijs, gezondheidszorg en veiligheid verbeteren en/of
verruimen.
Voorraad- en stroomgrootheden
Stroomgrootheden
Besparingen, consumptie, investeringen en inkomen zijn stroomgrootheden. Dit zijn
economische grootheden die per tijdseenheid worden gemeten. Zo spreken we over
het inkomen, de consumptie, de besparingen en de investeringen per jaar, per
kwartaal of per maand. Ook als we spreken over het dagloon of het uurloon,
koppelen we het loon aan een bepaalde tijdseenheid.
Voorraadgrootheden
Stroomgrootheden brengen veranderingen in voorraadgrootheden, grootheden
die op een bepaald moment in de tijd worden gemeten. Zo wordt de omvang van de
beroepsbevolking op een bepaald tijdstip, bijvoorbeeld per 1 januari van het jaar,
gegeven. Dat geldt eveneens voor de grootte van de kapitaalgoederenvoorraad of
de omvang van de staatsschuld. De voorraadgrootheden veranderen in de loop van
de tijd. Zo neemt tijdens het productieproces de voorraad kapitaalgoederen af,
omdat de kapitaalgoederen door gebruik slijten. Deze ‘slijtage’ noemen we
afschrijving, die zelf een stroomgrootheid is. Door te investeren in nieuwe
kapitaalgoederen neemt de kapitaalgoederenvoorraad weer toe.