100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting van Biologie voor jou (4a): thema 3 genetica

Rating
-
Sold
-
Pages
9
Uploaded on
15-06-2021
Written in
2020/2021

Een goede, overzichtelijke en uitgebreide samenvatting (inclusief afbeeldingen) van het derde thema van het boek 'Biologie voor jou' voor 4a.

Level
Course









Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Connected book

Written for

Institution
Secondary school
Level
Course
School year
4

Document information

Summarized whole book?
Yes
Uploaded on
June 15, 2021
Number of pages
9
Written in
2020/2021
Type
Summary

Subjects

Content preview

1 FENOTYPE EN GENOTYPE
Fenotype en genotype
Fenotype (van individu)= waarneembare eigenschappen van dat individu (genotype +
omgevingsfactoren).
Genotype (van individu) = informatie voor de erfelijke eigenschappen van dat individu (= alle
chromosomen samen)
Modificatie= verandering in fenotype maar niet in genotype, want er verandert niks in de
chromosomen. Een modificatie kan dan ook niet worden doorgegeven aan nakomelingen.
De mate waarin genotype en milieufactoren bijdragen aan fenotype is per eigenschap
verschillend. Sommige bijna alleen door genotype bepaald  oogkleur of bloedgroep.
Sommige bijna alleen door milieufactoren  lengte nagels of littekens.
Bij veel eigenschappen stelt genotype uiterste grenzen en bepaalt milieu hoe dicht de
grenzen worden benaderd
Chromosomen
Chromosomen zijn dunne draden in de celkern die zichtbaar zijn wanneer de cel zich deelt
Karyotype (karyogram/chromosomenportret)= rangschikking van chromosomen in
eukaryoten cel naar grootte in paren. De 22 chromosomenparen worden autosomen
genoemd. 1 paar over  23e chromosomenpaar: overgebleven 2 chromosomen zijn bij een
man niet gelijk (X-chromosoom en Y-chromosoom). Vrouwen hebben 2x X-chromosoom.
Met dit paar kan geslacht van individu worden bepaald  geslachtschromosomen.
Het karyotype van organisme kan ook als formule worden opgeschreven  eerst aantal
chromosomen en dan welke geslachtschromosomen [46,XX] vrouw en [46,XY] man.
In geslachtscellen komen chromosomen enkelvoudig voor. Een eicel van een vrouw bestaat
dus altijd uit een X-chromosoom. De kern van een zaadcel kan een … bevatten (afb 41):
 X-chromosoom  zygote met 2 X-chromosomen  meisje
 Y-chromosoom  zygote met X en Y-chromosoom  jongen

Genen
Gen is deel van chromosoom dat info bevat voor 1 of meer erfelijke eigenschappen.
Een chromosoom bestaat uit 1 lang DNA-molecuul gewikkeld om een groot aantal eiwitten.
DNA is opgebouwd uit 4 verschillende bouwstenen: nucleotiden. 1 nucleotide: fosfaatgroep,
desoxyribose en stikstofbase (adenine (A), guanine (G), cytosine (C) en thymine (T)). Deze
stikstofbasen vormen basenparen (A-T en C-G). de stikstofbasen in een gen hebben een
bepaalde volgorde: DNA-sequentie.
Genoom: totale set van DNA
Allel: versie van een gen.
Genen kunnen uit en aan worden gezet: aan= genexpressie, uit= in activatie

Invloed van milieufactoren en modificaties
Fenotype wordt bepaald door genotype en milieufactoren.
Modificatie: veradering in fenotype (en niet in genotype)  kan niet worden doorgegeven
aan nakomelingen
Aangeboren afwijking: afwijking, aandoening, ziekte onstaan is in baarmoeder
Erfelijke ziekte: ziekte die genetisch is doorgegeven

, 2 GENENPAREN
Homozygoot en heterozygoot
Lichaamscellen komen chromosomen in paren voor. Locus= plaats van gen in een
chromosoom. Homologe chromosomen= chromosomen met dezelfde lengte/vorm en loci
komt overeen. Allel= versie van een gen. Diploïd organisme bevat steeds 2 allelen voor
bepaalde eigenschap door homologe chromosomen(=allelenpaar/genenpaar). Homozygoot
= allelen zijn gelijk, heterozygoot= allelen zijn verschillend. Slechts 1 van de 2 allelen komt
tot uiting in het fenotype = dominante allel. Andere allel = recessieve allel. In haploïde
geslachtscellen komen chromosomen en genen niet in paren voor.

Dominant en recessief
Je hebt dominant en recessieve allelen en het dominante allel is dominant over het
recessieve allel. Mensen die heterozygoot zijn, zijn een drager van het recessieve allel, want
het komt bij hun niet tot uiting, maar ze kunnen het wel doorgeven aan de nakomelingen.

Onvolledig dominant
Bij sommige eigenschappen verschil dominant en recessief minder duidelijk. Bijvoorbeeld bij
leeuwenbekjes (bloemen), je hebt rood en wit, maar beide niet recessief. Heterozygoot 
roze, want beide allelen komen tot uiting in fenotype = intermediair fenotype = fenotype dat
een mengvorm van beide allelen is. Allelen voor witte/rode bloemen zijn onvolledig dominant.

Genen weergeven
In genetica worden genen in letter aangegeven. Dominant met hoofdletter en recessief kleine
letter. Als beide allelen tot uiting komen (intermediair fenotype) dan rood leeuwenbekje ArAr,
wit leeuwenbekje AwAw en roze ArAw.

Recombinantie en mutatie
Geslachtelijke voortplanting  recombinatie chromosomen  recombinatie allelen.
Elk chromosomenpaar bevat veel allelenparen. Er zit altijd wel een heterozygoot bij,
waardoor de chromosomen van chromosomenpaar ook een beetje van elkaar verschillen.
Tijdens meiose I gaan chromosomen uit elkaar, chromosomen verschillen dus sowieso een
beetje van elkaar  dochtercellen verschillend genotypen. Hoe kleiner je n is hoe minder
combinaties van chromosomen er kunnen worden gemaakt. Bevruchting  diploïde cel
zygote en worden allelen van beide ouders bij elkaar gebracht  nieuwe allelenparen 
andere combinatie van erfelijke eigenschappen dan ouders en broers/zussen.

Genetische variatie= door recombinatie van allelen (of mutaties) ontstaan er veel
verschillende soorten genotypen binnen een soort  soort grote overlevingskans, want
milieuomstandigheden veranderen dan altijd wel een paar individuen die zich kunnen
aanpassen.

Tweelingen
Eeneiige tweeling  ontstaan uit 1 zygote  deling zygote  cellen met dezelfde genotypen
 cellen splitsen zich  ontwikkelen tot individuen met precies hetzelfde genotypen. Als 2
individuen van een tweeling met elkaar vergelijkt kun je zien hoe groot de invloed van
genotype/milieufactoren zijn op fenotype.
Twee-eiige tweeling  ontstaan uit 2 eicellen en 2 zaadcellen. De genen in 2 eicellen en 2
zaadcellen zijn niet hetzelfde  niet hetzelfde genotype  lijken net zoveel op elkaar als
normale broer/zus.

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
IsabelHendrickx
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
351
Member since
4 year
Number of followers
266
Documents
12
Last sold
6 months ago

5.0

2 reviews

5
2
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions