Hoofstuk 2: de cytoplasmatische organellen:
Het endoplasmatisch reticulum:
1. RER: het ruw endoplasmatisch reticulum
2. GER: het glad endoplasmatisch reticulum
3. Ribosomen en polysomen
4. Annulate lamellae
5. Sarcoplasmatisch reticulum
Het ruw endoplasmatisch reticulum:
Structuur:
Binnenkant opgebouwd uit: grillig anastomoserende cisternae, tubuli en
vesiculae
Ruimte van cysterna wisselt volgens de activiteitsgraad van de cel
l> spleetvormig, een paar verwijdingen
l> membranen die cysterna begrenzen -> lopen parallel en liggen dicht bij
elkaar
Buitenkant opgebouwd uit: ribosomen
Functie ribosomen: eiwitsynthese
Verloop eiwitsynthese:
Eiwitten die gesynthetiseerd worden -> opgestapeld in de cysternae va
het RER
Schikking van de cysternale membranen = wisselend
l> cytoplasmatische gebieden: liggen parallel en dicht op elkaar ->
dwarsdoorsnede: uienschillen
l> omgeving van de kern: liggen parellel met de kernenenveloppe
Inhoud van cysternae wisselt que hoeveelheid, vorm en samenstelling in
functie van de activiteitstoestand van de cel
,Het RER plakt aan de kern omdat de kopie wordt gemaakt in de kern, eens uit
buiten het membraan wordt gebracht, kan het direct naar het RER
Voorbeeld: kern = bibliotheek, in een bibliotheek leen je boeken uit maar in deze
bibliotheek kan je geen boeken uitlenen -> 2 mogelijkheden (daar lezen of
kopiëren)
Gebeurt in de kern ook: kopieën maken (DNA -> RNA)
Probleem: hoofdstuk in het chinees -> vertalen -> gebeurt ook in de kern
(RNA -> aminozuursequentie) wordt uitgevoerd door RER
Als je het RER opensnijdt zie je verschillende lamellen(cysternen) die aan elkaar
zijn gebonden door anastomose
De bolletjes -> ribosomen -> zorgt voor de ruwheid
Ribsomen:
Ligging:
vrij in het cytoplasma
vastgehecht op de buitenzijde van de membranen van het RER
Structuur:
Ribsomen -> 2 subeenheden -> Kleine en grote subeenheid
2 subeenheden -> specifiek gewicht -> geconserveerd system (vroeger:
bacteriën,virussen hebben hetzelfde system)
Beide subeenheden: bevat eiwitten met grote hoeveelheden rRNA
gebonden
Geen eiwitsynthese: subeenheden komen afzonderlijk voor (zonder mRNA)
Functie kleine subeenheid: grijp mRNA-keten vast en gaat mRNA aflezen
Functie grote subeenheid: bevat enzymen die de vorming van
peptidebinding tussen de aminzoruen gaat katalyseren
! membranen van RER -> geen RNA
Aanmaak RNA van de ribosomale subeenheden:
Aangemaakt in nucleolus -> rRNA -> cytoplasma
Vooral ze de kern verlaten -> rRNA wordt gebonden aan eiwitten ->
ribonucleoproteïnen
Eiwitsynthse:
Vind plaats om de ribosomen
1. Aminozuren uit het cytosol -> tRNA -> ribosoom
2. Die aminozuren worden gebonden aan andere aminozuren ->
peptideketens
3. Volgorde: bepaald door mRNA (bindt tijdelijk op het ribosoom)
4. De genetische informatie dat is aangebracht door mRNA -> eiwit
Je hebt 2 mogelijkheden:
, 1. Eiwitten als secretieproduct: worden gesynthetiseerd (ribosoom) ->
gevolg: geven polypeptideketens af in het reticuloplasma (binnenruimte
RER)
2. Eiwitten voor eigen metabolisme: worden gesynthetiseerd op vrije
ribosmen (vlug groeiende en delenda cellen)
Vrije ribosomen -> proteïnen vormen -> membranen van RER zijn niet
noodzakelijk voor eiwitproductie
Cisternae = transportsysteem van de eiwitten die gevormd zijn ter hoogte
van de ribosomen naar het Golgi-apparaat
In Golgi-apparaat: eiwitachtige secretieproducten -> verpakt in
secretiekorrels -> opgestapeld in cytoplasma (tijdelijk) -> door exocytose -
> uitgescheiden aan opp
Plasmacellen die gespecialiseerd zijn in de productie van antilichamen ->
antilichamen worden niet verpakt in secretiegranulen -> worden
opgestapld in de cisternae -> uitzetten
Polysomen:
= vrije en gebonden ribosomen die in groepjes van 5-25 liggen
Bestaat uit: ribosomen die verbonden zijn door een dun filament
(wisselende lengte) + 1 molecuul mRNA
Het endoplasmatisch reticulum:
1. RER: het ruw endoplasmatisch reticulum
2. GER: het glad endoplasmatisch reticulum
3. Ribosomen en polysomen
4. Annulate lamellae
5. Sarcoplasmatisch reticulum
Het ruw endoplasmatisch reticulum:
Structuur:
Binnenkant opgebouwd uit: grillig anastomoserende cisternae, tubuli en
vesiculae
Ruimte van cysterna wisselt volgens de activiteitsgraad van de cel
l> spleetvormig, een paar verwijdingen
l> membranen die cysterna begrenzen -> lopen parallel en liggen dicht bij
elkaar
Buitenkant opgebouwd uit: ribosomen
Functie ribosomen: eiwitsynthese
Verloop eiwitsynthese:
Eiwitten die gesynthetiseerd worden -> opgestapeld in de cysternae va
het RER
Schikking van de cysternale membranen = wisselend
l> cytoplasmatische gebieden: liggen parallel en dicht op elkaar ->
dwarsdoorsnede: uienschillen
l> omgeving van de kern: liggen parellel met de kernenenveloppe
Inhoud van cysternae wisselt que hoeveelheid, vorm en samenstelling in
functie van de activiteitstoestand van de cel
,Het RER plakt aan de kern omdat de kopie wordt gemaakt in de kern, eens uit
buiten het membraan wordt gebracht, kan het direct naar het RER
Voorbeeld: kern = bibliotheek, in een bibliotheek leen je boeken uit maar in deze
bibliotheek kan je geen boeken uitlenen -> 2 mogelijkheden (daar lezen of
kopiëren)
Gebeurt in de kern ook: kopieën maken (DNA -> RNA)
Probleem: hoofdstuk in het chinees -> vertalen -> gebeurt ook in de kern
(RNA -> aminozuursequentie) wordt uitgevoerd door RER
Als je het RER opensnijdt zie je verschillende lamellen(cysternen) die aan elkaar
zijn gebonden door anastomose
De bolletjes -> ribosomen -> zorgt voor de ruwheid
Ribsomen:
Ligging:
vrij in het cytoplasma
vastgehecht op de buitenzijde van de membranen van het RER
Structuur:
Ribsomen -> 2 subeenheden -> Kleine en grote subeenheid
2 subeenheden -> specifiek gewicht -> geconserveerd system (vroeger:
bacteriën,virussen hebben hetzelfde system)
Beide subeenheden: bevat eiwitten met grote hoeveelheden rRNA
gebonden
Geen eiwitsynthese: subeenheden komen afzonderlijk voor (zonder mRNA)
Functie kleine subeenheid: grijp mRNA-keten vast en gaat mRNA aflezen
Functie grote subeenheid: bevat enzymen die de vorming van
peptidebinding tussen de aminzoruen gaat katalyseren
! membranen van RER -> geen RNA
Aanmaak RNA van de ribosomale subeenheden:
Aangemaakt in nucleolus -> rRNA -> cytoplasma
Vooral ze de kern verlaten -> rRNA wordt gebonden aan eiwitten ->
ribonucleoproteïnen
Eiwitsynthse:
Vind plaats om de ribosomen
1. Aminozuren uit het cytosol -> tRNA -> ribosoom
2. Die aminozuren worden gebonden aan andere aminozuren ->
peptideketens
3. Volgorde: bepaald door mRNA (bindt tijdelijk op het ribosoom)
4. De genetische informatie dat is aangebracht door mRNA -> eiwit
Je hebt 2 mogelijkheden:
, 1. Eiwitten als secretieproduct: worden gesynthetiseerd (ribosoom) ->
gevolg: geven polypeptideketens af in het reticuloplasma (binnenruimte
RER)
2. Eiwitten voor eigen metabolisme: worden gesynthetiseerd op vrije
ribosmen (vlug groeiende en delenda cellen)
Vrije ribosomen -> proteïnen vormen -> membranen van RER zijn niet
noodzakelijk voor eiwitproductie
Cisternae = transportsysteem van de eiwitten die gevormd zijn ter hoogte
van de ribosomen naar het Golgi-apparaat
In Golgi-apparaat: eiwitachtige secretieproducten -> verpakt in
secretiekorrels -> opgestapeld in cytoplasma (tijdelijk) -> door exocytose -
> uitgescheiden aan opp
Plasmacellen die gespecialiseerd zijn in de productie van antilichamen ->
antilichamen worden niet verpakt in secretiegranulen -> worden
opgestapld in de cisternae -> uitzetten
Polysomen:
= vrije en gebonden ribosomen die in groepjes van 5-25 liggen
Bestaat uit: ribosomen die verbonden zijn door een dun filament
(wisselende lengte) + 1 molecuul mRNA