Hoofdstuk 8: Genetica
1. Inleiding
Genen:
- Erfelijke eenheden die van generatie op generatie worden
overgedragen
- Brengen eigenschappen van en organisme tot uitdrukking
Lokalisatie: op chromosomen in de celkern
2. Monohybride overerving
2.1 De experimenten van Mendel
Mendel experimenteerde met bonen -> 7 eigenschappen waren
interessant
7 eigenschappen -> 2 varianten (rond of gerimpeld, rood of wit, groen of
geel …)
Bij kruising: nakomelingen die op één van de ouders leken
Kruising tussen twee nakomelingen: beide kenmerken kwamen terug
Voorbeeld; rode bloemen gekruist met witte bloemen: rode bloemen als
nakomeling
- Het kenmerk dat verschijnt = dominant
- Het kenmerk dat verborgen blijft = recessief
Voorbeeld: F1 nakomelingen kruisen: 705 rode bloemen en ¼ witte
bloemen
! belangrijke notaties:
Oudergeneratie: P
Eerste nakomelingen: F1
Tweede nakomelingen: F2
o Voorbeeld:
P rood x wit
F1 allemaal rood
F2 75% rood - 25% wit
2.2 conclusies
Elke bonenplant bezit voor elke eigenschap twee erfelijke factoren
Vorming van gameten: twee factoren uit elkaar -> 2 verschillende
gameten terecht -> elke gameet heeft 1 factor voor elke eigenschap
Elke nieuwe plant: krijg van ouder 1 factor
Erfelijkheidsfactoren afzonderlijke eenheden
Stemt overeen met wat er tijdens de meiose gebeurd:
- Diploïde kern: elk type chromosoom in dubbel
- Elk chromosoom: bevat een homoloog paar genen voor eenzelfde serie
eig.
, - Voor elke eigenschap: twee genen
- Door meiose: homologe paren gaan uit elkaar, elke gameet bevat dus 1
chromosoom en bijgevolg 1 variant
2.3 Hedendaagse inzichten
Gen bloemkleur: 2 varianten
Indien 2 of meer varianten: allelen
Allel = één van de genen die op een bepaalde locus (plaats op
chromosoom) voorkomt
Notatie (dominant: RR, recessief: rr)
Een recessief allel komt niet tot uiting als op de overeenkomstige locus in
het homologe chromosoom een dominant allel aanwezig is
Homozygoot: voor een bepaalde eigenschap gelijke allelen (vb: RR of rr)
Heterozygoot: voor een bepaalde eigenschap verschillende allelen (vb: Rr)
Fenotype: wat tot uiting komt – aan het fenotype is niet te zien wan de
genensamenstelling is
Genotype: genensamenstelling (op het cellulaire niveau)
- Voorbeeld: fenotype in F1: rode kleur, genotype: Rr
Verhouding fenotype: 3:1
Monohybride kruising: kruising waarbij er gelet wordt op 1 eigenschap
Gameten (via meiose) bevatten voor 50% R en voor 50% r)
Schaakborddiagram:
Rr (rood)
Spermacellen
R r
Rr (rood)
-> verhouding: 3:1
eicellen R RR Rr
r Rr rr
Twee homogzygoten -> identieke nakomelingen
Twee heterozygoten -> niet
Mendel gebruikte toevallig alleen dominante allelen
Intermediair fenotype: beide allelen komen tot uiting (heterozygoot) (bv:
rode bloem x witte bloem -> roze bloem) = onvolledige dominantie
Als je de roze met elkaar kruist, krijg je weer rode, witten en roze bloemen
(1:2:1)
1. Inleiding
Genen:
- Erfelijke eenheden die van generatie op generatie worden
overgedragen
- Brengen eigenschappen van en organisme tot uitdrukking
Lokalisatie: op chromosomen in de celkern
2. Monohybride overerving
2.1 De experimenten van Mendel
Mendel experimenteerde met bonen -> 7 eigenschappen waren
interessant
7 eigenschappen -> 2 varianten (rond of gerimpeld, rood of wit, groen of
geel …)
Bij kruising: nakomelingen die op één van de ouders leken
Kruising tussen twee nakomelingen: beide kenmerken kwamen terug
Voorbeeld; rode bloemen gekruist met witte bloemen: rode bloemen als
nakomeling
- Het kenmerk dat verschijnt = dominant
- Het kenmerk dat verborgen blijft = recessief
Voorbeeld: F1 nakomelingen kruisen: 705 rode bloemen en ¼ witte
bloemen
! belangrijke notaties:
Oudergeneratie: P
Eerste nakomelingen: F1
Tweede nakomelingen: F2
o Voorbeeld:
P rood x wit
F1 allemaal rood
F2 75% rood - 25% wit
2.2 conclusies
Elke bonenplant bezit voor elke eigenschap twee erfelijke factoren
Vorming van gameten: twee factoren uit elkaar -> 2 verschillende
gameten terecht -> elke gameet heeft 1 factor voor elke eigenschap
Elke nieuwe plant: krijg van ouder 1 factor
Erfelijkheidsfactoren afzonderlijke eenheden
Stemt overeen met wat er tijdens de meiose gebeurd:
- Diploïde kern: elk type chromosoom in dubbel
- Elk chromosoom: bevat een homoloog paar genen voor eenzelfde serie
eig.
, - Voor elke eigenschap: twee genen
- Door meiose: homologe paren gaan uit elkaar, elke gameet bevat dus 1
chromosoom en bijgevolg 1 variant
2.3 Hedendaagse inzichten
Gen bloemkleur: 2 varianten
Indien 2 of meer varianten: allelen
Allel = één van de genen die op een bepaalde locus (plaats op
chromosoom) voorkomt
Notatie (dominant: RR, recessief: rr)
Een recessief allel komt niet tot uiting als op de overeenkomstige locus in
het homologe chromosoom een dominant allel aanwezig is
Homozygoot: voor een bepaalde eigenschap gelijke allelen (vb: RR of rr)
Heterozygoot: voor een bepaalde eigenschap verschillende allelen (vb: Rr)
Fenotype: wat tot uiting komt – aan het fenotype is niet te zien wan de
genensamenstelling is
Genotype: genensamenstelling (op het cellulaire niveau)
- Voorbeeld: fenotype in F1: rode kleur, genotype: Rr
Verhouding fenotype: 3:1
Monohybride kruising: kruising waarbij er gelet wordt op 1 eigenschap
Gameten (via meiose) bevatten voor 50% R en voor 50% r)
Schaakborddiagram:
Rr (rood)
Spermacellen
R r
Rr (rood)
-> verhouding: 3:1
eicellen R RR Rr
r Rr rr
Twee homogzygoten -> identieke nakomelingen
Twee heterozygoten -> niet
Mendel gebruikte toevallig alleen dominante allelen
Intermediair fenotype: beide allelen komen tot uiting (heterozygoot) (bv:
rode bloem x witte bloem -> roze bloem) = onvolledige dominantie
Als je de roze met elkaar kruist, krijg je weer rode, witten en roze bloemen
(1:2:1)