Palliatieve zorg Blok D 25/26
Naam:
Naam:
Studiegroep: Palliatieve zorg
Cursuscode: GKO-Palliat-D
Docent:
Inleverdatum: 09-06-2026
Aantal woorden: 5092
,Inhoudsopgave
Fase I...................................................................................................................... 2
1. Anamnese....................................................................................................... 2
1.1 Casus......................................................................................................... 2
1.2 Anamnese instrument................................................................................ 3
1.3 Beïnvloedende factoren op de kwaliteit van leven sterven........................4
1.4 Prioriteiten van de zorgvrager....................................................................4
1.5 Somatisch en psychosociaal palliatief symptoom......................................4
1.6 Markering palliatieve fase..........................................................................5
Fase II..................................................................................................................... 5
2. Symptoomregistratie....................................................................................... 5
2.1 Somatische palliatieve symptoom.................................................................5
2.2 Psychosociale palliatieve symptoom..........................................................6
2.3 Werkhypothese.......................................................................................... 6
2.4 Kritische beslismomenten..........................................................................8
3. Symptoommanagement.................................................................................. 9
3.1 Indicatie, dosering en (bij)werking medicatie.............................................9
3.2 Meetinstrument........................................................................................ 10
3.3 Gezamenlijke besluitvorming...................................................................12
3.4 Interventies.............................................................................................. 12
Fase III.................................................................................................................. 14
4. Afspraken over evaluatie van het beleid.......................................................14
Fase IV.................................................................................................................. 15
5. Bijstellen van het beleid en blijven evalueren...............................................15
6. Literatuur...................................................................................................... 15
7. Bijlage........................................................................................................... 19
Bijlage 1: Individueel interdisciplinair anamnese...........................................19
Bijlage 2: Utrecht Symptoom Dagboek (USD)................................................27
Bijlage 3: Multidimensionele Vermoeidheidsindex (MVI)................................28
Bijlage 4: Geriatric Depression Scale-15 (GDS-15).........................................31
Bijlage 5: Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS)..............................32
Bijlage 6: Peer assessment samenwerking....................................................38
1
,Fase I
1. Anamnese
1.1 Casus
De heer is 85 jaar oud en woont zelfstandig in een gelijkvloers appartement. Hij is vroeger
opgroeit met twee broers, waarvan zijn jongste broer nog leeft. Toen de heer 24 jaar oud
was, leerde hij zijn vrouw kennen. Samen kregen zij één zoon.
De heer heeft vroeger in een parfum fabriek gewerkt en daarna in een verfspuiterij. Hij geeft
dat nu de schuld, waardoor hij ziek is geworden.
Acht jaar geleden is er prostaatkanker geconstteerd bij de heer. Hiervoor krijgt hij dagelijks
medicijnen en krijgt hij een keer per drie maanden een injectie, waardoor de kanker niet
progressief is. Hij ondervindt hier geen pijn aan. De enige hinder die hij ondervindt is de urge
incontinentie. Sinds vijf jaar is de heer bekend met de ziekte van Parkinson. Hierdoor heeft
hij een schuifelgang, verminderde mimiek, vertraagd denkvermogen en een stotterende
spraak. Daarnaast is hij bekend met visuele migraine, waardoor hij maar een deel van zijn
beeld ziet, wat dan ook nog trilt, ook wel oogmigraine genoemd (The Migraine Clinic, z.d.).
De heer heeft geen pijn van de migraine, maar kan op sommigen momenten geen licht
verdragen. Hierdoor raakt hij meer zijn balans met lopen kwijt, wat de kans op vallen
vergroot. Hij loopt ten alle tijden met een rollator en durft niet meer alleen naar buiten. Door
zijn migraine ligt de heer veel op bed.
De heer is al tien jaar weduwnaar. Zijn vrouw is overleden aan de gevolgen van ernstig
hartfalen. Samen woonde zij in Zeeland, maar toen zijn vrouw overleed, is hij dichterbij zijn
zoon komen wonen. Hij heeft een zeer betrokken zoon, welke dichtbij woont en elke dag
langskomt. Zijn zoon haalt de heer een keer per week op om bij hem thuis te komen eten.
De heer krijgt tweemaal daags hulp bij Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) in de
ochtend en avond. Medicatie regelt hij nog zelf, al zijn er twijfels of hij de medicatie op de
juiste tijdstippen inneemt. Huisarts heeft aangegeven dat de heer naar verwachting met zes
maanden in een rolstoel zit en niet meer kan lopen, vanwege de progressieve achteruitgang
van de ziekte van Parkinson.
De heer vindt zijn eigen regie en behoud van zelfstandigheid erg belangrijk, maar merkt zelf
ook dat hij langzaamaan steeds meer hulp nodig heeft. Zijn zoon twijfelt soms aan de heer
zijn cognitie, maar hij noemt het zelf als kleine bijkomstigheid van de ziekte van Parkinson.
De heer is realistisch over zijn toekomstperspectief met zijn ziekte en blijft hij het liefste zo
lang mogelijk thuis wonen, maar geeft ook aan dat als dat niet meer mogelijk is dat een
verpleeghuis dan een mooi vervolg is, zolang hij nog kan lopen. Hij bespreekt zijn
achteruitgang met zijn zoon, waarbij er ook ruimte is voor grapjes erover. Daarnaast heeft de
heer ook gesprekken met de huisarts over eventueel een euthanasietraject. Zijn grootste
angst is om niet meer te kunnen lopen.
2
, 1.2 Anamnese instrument
Om de situatie van de heer in kaart te brengen is er gebruik gemaakt van een individueel
interdisciplinair anamnese, waarbij de lichamelijke, sociale/maatschappelijke, psychische en
spirituele aspecten zijn uitgevraagd (Hospice Demeter, 2020). Tevens wordt ook de
symptoominventarisatie en registratie en medische anamnese uitgevraagd. De
symptoominventarisatie en registratie komt overeen met het Utrecht Symptoom Dagboek
(USD) (Palliaweb, 2024). Daarnaast zijn de prioriteiten en wensen van de heer en zijn zoon
ten aanzien van de medische behandeling geïnventariseerd. De interdisciplinaire anamnese
is te vinden in Bijlage 1.
Lichamelijke aspecten
Karnofsky Performance Score: is slechts tot beperkte zelfzorg in staat, meer dan 50%
van de dag in bed of stoel.
Gehoor: de heer is slechthorend, maar kan goed een gesprek voeren als hij zijn
gehoorapparaten draagt.
Visus: de heer is bekend met visuele migraine, waardoor hij beperkt is met zijn zicht,
waarbij zijn zicht trilt. De heer draagt een bril voor veraf zicht.
Mobiliteit: de heer loopt zowel in huis als buitenshuis met een rollator. Door de ziekte
van Parkinson schuifelt hij met zijn voeten. Het opstaan vanuit de stoel gaat
langzaam. Hij durft niet meer alleen naar buiten, tenzij iemand met hem meegaat.
Cognitie: er zijn twijfels of de heer zijn cognitie verminderd is, maar hij noemt het zelf
een kleine bijkomstigheid van de ziekte van Parkinson. Dementie is niet officieel
afgesteld.
Prothese: de heer draagt een kunstgebit.
Wens: de zorg wordt aangepast een het energieniveau van de heer.
Sociale aspecten
Gezin: de heer is tien jaar weduwnaar en heeft een zoon, welke erg betrokken is bij
de heer. Zijn zoon komt dagelijks langs, doet de boodschappen en ondersteunt de
heer met administratie en belangrijke afspraken. Daarnaast wordt de heer elke week
een keer opgehaald om te eten bij zijn zoon.
Werk: de heer heeft in het verleden bij een fabriek gewerkt waar parfum gemaakt
werd en later bij een verfspuiterij.
Bezigheden: de heer houdt van gezelligheid en samen eten. Twee keer per maand
wordt er in het complex waar hij woont een diner georganiseerd, wat hij erg gezellig
vindt. Daarnaast gaat hij een keer per week bij zijn zoon eten. Zijn jongere broer komt
ook met regelmaat langs.
Psychische aspecten
Ziekte-inzicht: de heer heeft een goed inzicht over zijn ziekte en de progressie ervan.
Emotioneel: hij vindt het moeilijk dat hij steeds meer zelfstandigheid moet inleveren.
De heer kan zich druk maken dat zijn mimiek uitstraalt dat hij ongeïnteresseerd lijkt.
Hij probeert elke dag wat hij kan en accepteert als hij een slechtere dag heeft. Daarbij
geeft hij wel aan als er meer slechtere dagen zijn dan goede dagen, dat hij niet meer
wil leven.
Spirituele en morele aspecten
Religie: de heer is niet gelovig.
3