Leerstof: handboek, slides en lesopnames. Belangrijk voor het examen: jaartallen en
namen moet je nooit uit het hoofd kennen. Wat je wél moet kunnen, is de inhoud van een
theorie begrijpen, theorieën herkennen wanneer ze aan een naam gekoppeld worden, en
theorieën met elkaar kunnen linken. Een goede organisatiestructuur is belangrijk voor de
prestatie van het personeel — dat is de rode draad doorheen dit vak.
Hoofdstuk 1: Inleiding en situering
Definitie en afbakening
De arbeids- en organisatiepsychologie (A&O-psychologie) gaat over de interactie tussen
de werknemer en de organisatie. Binnen het vakgebied maken we een onderscheid tussen
twee deeldomeinen:
Arbeidspsychologie: focust op de kenmerken van het werk zelf en de impact daarvan
op werknemers. Denk aan taakverdeling, veiligheid en werktijden. Arbeid is dus
werkgericht: het gaat om de inhoud en de omstandigheden van het werk.
Organisatiepsychologie: probeert menselijk gedrag te begrijpen in de context van
een organisatie. Denk aan motivatie, leiderschap en teams. Organisatie is dus
mensgericht: het gaat om het gedrag van mensen binnen de organisatie.
Er bestaan heel wat synoniemen en verwante termen die allemaal naar hetzelfde
vakgebied verwijzen: A&O-psychologie, bedrijfspsychologie, Work and Organizational
Psychology, en Industrial-Organizational (I-O) Psychology. Je hoeft enkel te weten dat al
deze termen naar de arbeids- en organisatiepsychologie verwijzen.
Historische achtergrond: wetenschappelijke evoluties
A) De natuurwetenschappelijke methode
De eerste grote evolutie in de psychologie was het aanvaarden van de
natuurwetenschappelijke methode: de psychologie ging werken zoals andere
natuurwetenschappen (fysica, biologie). Dat betekent systematisch onderzoeken in plaats
van enkel filosoferen. De methode verloopt volgens een vast stappenplan:
1. Observatie: je ziet of merkt iets op in de werkelijkheid. Bijvoorbeeld: waarom
gehoorzamen mensen bevelen, zelfs als die schadelijk zijn?
2. Hypothese: je formuleert een voorlopige veronderstelling of verklaring. Bijvoorbeeld:
mensen gehoorzamen bevelen omdat ze respect hebben voor autoriteit.
3. Toetsing: je test de hypothese via een experiment, met een onafhankelijke variabele
(wat je verandert) en een afhankelijke variabele (wat je meet).
4. Resultaat: op basis van de resultaten wordt de hypothese aanvaard of verworpen.
,Een klassiek voorbeeld is het Milgram-experiment, dat aantoonde dat meer dan 60% van
de mensen bevelen van een autoriteit opvolgt, zelfs tot het toedienen van (schijnbaar)
dodelijke schokken. Conclusie: autoriteit kan leiden tot grensoverschrijdend gedrag.
B) Eerste academische ontwikkelingen
Wilhelm Wundt richtte zich op fundamentele psychologische processen zoals aandacht en
geheugen. Hij gebruikte twee methoden: de experimentele methode (gecontroleerd
onderzoek) en introspectie (mensen laten beschrijven wat er in hun eigen gedachten en
gevoelens gebeurt). Zijn studenten werden later de echte grondleggers van de A&O-
psychologie.
Hugo Münsterberg was een leerling van Wundt. Hij zorgde voor de verschuiving van puur
fundamenteel onderzoek naar toegepaste psychologie: hij paste de empirische
(wetenschappelijke) methode toe op de selectie van werknemers. Dit was de eerste keer
dat er een link werd gelegd tussen werk en experimentele psychologie.
McKeen Cattell had een sterke interesse in individuele verschillen tussen mensen — in
tegenstelling tot Wundt, die meer geïnteresseerd was in algemene processen. Hij is één van
de grondleggers van de persoonlijkheidspsychologie.
Scott & Bingham zijn bekend van grootschalige intelligentietesting tijdens de
Wereldoorlog. Scott begon bovendien na te denken over consumentenpsychologie ("Hoe
word ik beïnvloed door reclame?") en gaf een toespraak over psychologie en reclame. Dit
was de eerste keer dat commerciële activiteiten gelinkt werden aan psychologische
inzichten.
C) Evolutie van het maatschappelijke mensbeeld in een arbeidssituatie
Vóór de 20e eeuw: de gehoorzame werknemer
Het beeld was dat de werknemer slaafs instructies volgt en geen eigen mening heeft. De
mens was een instrument in handen van de werkgever.
De rationeel-economische mens
Volgens deze visie zijn mensen van nature lui en willen ze niet werken; ze moeten dus
extern gestimuleerd worden. De mens is een homo economicus: hij werkt enkel omwille
van rationele, economische motieven (zoals geld). Kenmerkend is ook de atomistische
visie: de mens wordt gezien als een los, geïsoleerd individu.
Taylor — Scientific Management. Voor de eerste keer kwam de focus op de mens zelf te
liggen (en niet enkel op de omgeving). Het doel was een dubbel voordeel: de organisatie
werkt efficiënter én de werknemer wordt beloond. De mens werd gezien als een rationeel-
economisch wezen: economische motieven zijn de enige drijfveer. Werkmethoden moesten
wetenschappelijk bepaald worden: wat is dé beste manier van werken? De principes van
het Scientific Management:
1. Taken opsplitsen en specialiseren (horizontale arbeidsdeling).
, 2. Werknemers selecteren op kenmerken die bij de job passen.
3. Werknemers trainen in hun taak.
4. Belonen op basis van productiviteit (bv. stukloon).
Het Taylorisme gaat er dus van uit dat mensen niet graag werken en dat motivatie enkel via
loon en beloning tot stand komt.
Gilbreths — Time & Motion Studies. Hetzelfde idee als Taylor, maar dan op microniveau:
kleine bewegingen analyseren en verbeteren (human engineering). Voorbeelden: een jasje
sneller dichtknopen van boven naar beneden; metsers verloren tijd door te bukken, dus
werd een speciale stelling ontworpen zodat ze niet meer hoefden te bukken; op het
toetsenbord werden vaak gebruikte letters dichter bij elkaar gezet. De focus lag telkens op
micro-analyses: de optimale manier vinden en die implementeren.
De sociale mens
Volgens deze visie hebben werknemers naast economische ook sociale behoeften.
Mayo — Hawthorne-studies (Western Electric Company). Mayo onderzocht de invloed
van werkomstandigheden (zoals verlichting) op prestaties. Het opvallende resultaat: de
prestaties gingen omhoog zodra werknemers merkten dat er aandacht voor hen was —
ongeacht of de verlichting verbeterde of verslechterde. Dit noemen we het Hawthorne-
effect: een soort sociaal placebo-effect. Als mensen zich bekeken of aangesproken voelen,
gedragen ze zich anders (meestal beter).
Kritiek: de Hawthorne-studies gebruikten geen strikte wetenschappelijke methoden. Toch
waren ze baanbrekend, want ze toonden het belang van sociale relaties en erkenning aan.
Uit deze studies groeide de Human Relations-beweging.
De naar-ontplooiing-zoekende mens
Volgens deze visie willen mensen meer dan enkel randvoorwaarden (loon, veiligheid): ze
willen ook intrinsieke motivatie — interessant werk, verantwoordelijkheid, leren en
groeien.
Herzberg — Tweefactorentheorie. Herzberg stelde de vraag: wanneer ben je tevreden of
ontevreden met je werk? Zijn antwoord bestaat uit twee aparte factoren:
Hygiënefactoren (extrinsiek): loon, werkomstandigheden, relaties met collega's.
Deze voorkomen ontevredenheid, maar motiveren niet. Als ze in orde zijn, ben je niet
ontevreden — maar daarom nog niet gemotiveerd of tevreden.
Motivatoren (intrinsiek): verantwoordelijkheid, interessant werk, erkenning, groei.
Deze zorgen voor echte motivatie en tevredenheid. Vooral de jobinhoud is dus
motiverend.
Belangrijk: tevredenheid en ontevredenheid liggen volgens Herzberg niet op één dimensie
— het zijn twee aparte dimensies. Het omgekeerde van tevredenheid is "geen
tevredenheid", niet "ontevredenheid".
, Job Design School. Voortbouwend hierop: een organisatie presteert het best als het werk
interessant is. Twee manieren om dat te bereiken:
Job enlargement (taakverruiming): meer verschillende taken toevoegen
(horizontale uitbreiding).
Job enrichment (taakverrijking): meer autonomie en verantwoordelijkheid
toevoegen (verticale uitbreiding).
Kritiek op de tweefactorentheorie: de resultaten zijn moeilijk te repliceren in onderzoek; het
verband tussen tevredenheid en productiviteit wordt in twijfel getrokken; en het idee dat
hygiënefactoren (zoals geld) niet motiveren, klopt niet volgens andere studies.
De complexe mens
Maslow — Behoeftenpiramide. Maslow onderscheidt vijf niveaus van behoeften,
hiërarchisch geordend:
1. Fysiologische behoeften: de basis (eten, slaap).
2. Veiligheidsbehoeften: zekerheid, een stabiel inkomen.
3. Sociale behoeften: contact, erbij horen.
4. Waardering: erkenning, status.
5. Zelfontplooiing: persoonlijke groei, leren, creativiteit.
De piramide is hiërarchisch omdat volgens Maslow de bovenliggende behoeften pas
relevant worden wanneer de onderliggende (relatief) bevredigd zijn.
Kritiek op Maslow: er is weinig wetenschappelijke ondersteuning; de vijf behoeften zijn niet
altijd terug te vinden; de strikte hiërarchie wordt niet ondersteund door onderzoek; het
model is te westers en houdt geen rekening met cultuur; en er zijn individuele verschillen.
Alderfer — ERG-theorie. Dit is een vereenvoudigde en flexibelere versie van Maslow, met
drie behoeftecategorieën:
Existence needs: bestaan (basis- en veiligheidsbehoeften).
Relatedness needs: sociale relaties.
Growth needs: groei en ontwikkeling.
Belangrijk verschil met Maslow: er is geen strikte volgorde — meerdere behoeften kunnen
tegelijk spelen.
Werken: welke prestatie leveren?
Werken = het leveren van een prestatie. Daarbij gaat het over het proces en niet over het
resultaat:
Het proces (inspanning, aanpak, inzet) ligt wél onder controle van de werknemer.