Aantekeningen college 1 – Onderwijssociologie
Docent: Rozemarijn van der Ploeg
Het tentamen is een openboek tentamen met essayvragen (digitaal en vanuit huis).
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
H1 – De sociologische verzuchting
Een definitie van sociologie: “Sociologie is de studie van het menselijke, sociale leven, van menselijke
groepen en maatschappijen. […] De sociologie heeft een zeer breed belangstellingsveld, van de
analyse van kortstondige ontmoetingen van mensen op straat tot onderzoek naar globale sociale
processen.” (Anthony Giddens, 1938). Het is een wetenschap van het samenleven.
Sociologie gaat over hoe mensen samenleven. Direct of indirect ben je met andere mensen
verbonden en afhankelijk. Sociologie gaat ook over in- en uitsluiting, het wel of niet behoren tot een
groep. Hierdoor ontstaan ‘wij’ en ‘zij’.
Meer vrouwelijke studenten bij deze opleiding. Waardoor ontstaat dit verschil? Dit kan komen door
invloed van normen en waarden. Het is logisch als meisjes/vrouwen zich interesseren in opvoeding
en kinderen en minder logisch voor jongens.
Je kunt kijken naar het gedrag van individuen (micro processen), zoals psychologen. Of je kijkt naar
sociale systemen, groepen, instituties etc. (macro processen).
Stratificatie = Ongelijkheid die bestaat tussen verschillende groepen. Sociale klasse (SES) is hier een
voorbeeld van, verschil tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden. Een patroon in de Nederlandse
samenleving is bijvoorbeeld dat studenten op de universiteit voor een groot deel uit hoge SES
komen.
Doel van de sociologie is, om te onderzoeken hoe mensen samenleven en hoe het komt dat ze juist
zo samenleven.
Het ontstaan van de sociologie
In de 18e eeuw was de westerse samenleving een agrarische samenleving. De meerderheid leefde
van het verbouwen van gewassen en het houden van vee. Door de industriële revolutie (1760-1914)
kwam er een overgang naar een industriële samenleving, het maken van goederen verplaatste naar
fabrieken. Hierdoor trok men massaal van het platteland naar de stad, om in de fabrieken te werken.
Deze grote en ongewoon snelle veranderingen riepen vragen op over het functioneren van de
samenleving. Bijvoorbeeld: “Hoe konden mensen samenleven in de steeds grotere en drukkere
steden?”
Waar voorheen de productie van goederen vooral in handen lag van één persoon, was er nu sprake
van arbeidsdifferentiatie. Werkzaamheden werden als het ware opgeknipt in kleinere stukken. Er
ontstonden meerdere functies in het productieproces. Arbeid werd hierdoor steeds meer
gespecialiseerd. De productiviteit en welvaart nam toe.
Ook vond er een differentiatie plaats in het gezin. Waarin de agrarische samenleving het gezin een
soort van bedrijf was waarin de productie van goederen, zorgtaken, opvoeding en onderwijs veelal
verenigd waren, werden in de moderne gezinnen deze taken uitbesteed. Scholen nemen het
onderwijs en voor een deel de opvoedtaken op zich. De zorgtaak word opgenomen door de artsen,
verplegers en ziekenhuizen. Het gezin is alleen nog maar de plek waar kinderen geboren worden en
opgroeien.
In de 18e eeuw vond er onder invloed van de Verlichting en de Franse Revolutie (1789-1799) ook een
andere overgang plaats. De standenmaatschappij, waarin de adel de hoogste stand had gevolgd door
de geestelijken en de boeren, ging over naar de klassenmaatschappij. In de standenmaatschappij
stond vast in welke stand je zat. Een boer kon nooit tot de adel behoren. In de klassenmaatschappij
werden deze scheidslijnen vager. Je positie werd bepaalt door je sociale klasse, bijvoorbeeld door je
1
,opleidingsniveau. Dit wordt ook wel de overgang van toegewezen status naar verworven status
genoemd. Mensen kregen kansen om hogerop te komen.
Daarnaast was het vanwege de arbeidsdifferentiatie belangrijk om specifieke vaardigheden te leren
en je bekwaamheid te bewijzen. In traditionele samenlevingen werd gezag vooral bepaald door de
stand (traditioneel gezag). In moderne samenleving wordt gezag vooral bepaald op basis van kennis
en verdiensten (rationeel gezag). Het onderwijs werd belangrijker en toegankelijker en de
samenleving werd meer open.
Deze 2 grote ontwikkelingen, de industrialisatie en het verdwijnen van de standenmaatschappij,
waren onderdeel van de modernisering van de samenleving. Door deze ontwikkelingen kwamen er
ook nieuwe maatschappelijke problemen, zoals armoede, vervuiling, ongelijkheid en kinderarbeid.
o Het grootste deel van de toenemende welvaart kwam bij de eigenaren van de fabrieken terecht.
Door de toenemende welvaart nam dus ook de ongelijkheid in de samenleving toe. De meeste
arbeiders waren arm en leefden onder slechte omstandigheden. Daarnaast konden hun
kinderen niet naar school, maar moesten meehelpen in de fabrieken.
Door de nieuwe ontwikkelingen en de nieuwe problemen die hierdoor ontstonden, was er
toenemende interesse en behoefte aan kennis over de samenleving. Zodat verbeteringen in gang
konden worden gezet (idee van de maakbaarheid van de samenleving). Hiervoor was data nodig,
bijvoorbeeld een armoedekaart.
Een tweede, voor het ontstaan van de sociologie, zeer relevant kenmerk van de 19 e eeuw is de
reactie tegen het verlichtingsdenken. Er groeide grote belangstelling voor de omstandigheden
waaronder mensen leven, evenals aandacht voor de duidelijke verbanden tussen die
omstandigheden en de aard van de geleide levens. Het individu wordt verankerd in de
omstandigheden waarin het leeft.
Centrale uitgangspunten van sociologie
1. Besef van contingentie > Het besef van dat er denkbare alternatieven zijn. Dit zien we wanneer
we naar andere samenlevingen kijken, zij hebben andere gewoonten, opvattingen en instanties.
“Onze samenleving zoals wij die nu kennen had er ook heel anders uit kunnen zien.”
o Bijvoorbeeld het hoger onderwijs in de VS en in Nederland. Studenten wonen in de VS
samen op de campus en kunnen een studiebeurs aangeboden hebben gekregen via de
sport die ze beoefenen. In Nederland bestaan zulke campussen niet en wordt de studie
voornamelijk betaalt door de staat.
2. Besef dat de contingentie niet arbitrair is > Dat onze samenleving anders had kunnen zijn,
betekent niet dat er geen redenen zijn waarom de samenleving is zoals die is.
“Hoe onze samenleving er uitziet, is niet toevallig”
o In Nederland vinden we gelijke kansen en uitkomsten belangrijk met betrekking tot het
hoger onderwijs. We hebben een uitgebreide verzorgingsstaat, die gericht is op nivellering.
In de VS vindt men gelijke startkansen afdoende, maar gelijke uitkomsten zijn minder van
belang.
2
,De vraag waarom het contingente niet arbitrair is stond centraal in de discussie tussen
vertegenwoordigers van de Verlichting en die van de Tegen-Verlichting. Het sterk geseculariseerde,
geïndividualiseerde en gerationaliseerde denken, waartoe de Verlichting had geleid, verwierp een
beroep op religie als een handhaver van de orde. Het goede samenleven, was niet meer afhankelijk
van het volgen van goddelijke voorschriften, maar van het volgen van de eigen rede en het eigen
redeneervermogen. De rede moest de grondslag van de maatschappelijke orde worden.
Vroeger was het niet gewoon dat de samenleving kon veranderen. Zo was er eeuwenlang in sprake
geweest van een standenmaatschappij in West-Europa, waarin sociale verhoudingen nauwelijks en
langzaam veranderden. De sociale orde werd gezien als door God gegeven en lag vast.
Als mensen niet meer geloofden dat de regels die het samenleven mogelijk maakt van
bovennatuurlijke oorsprong waren, zouden ze elkaar niet meer respecteren, zo meenden de
aanhangers van de Tegen-Verlichting. Als de regels het nastreven van het eigen belang
belemmerden, zouden mensen zeggen dat die regels willekeurig waren en ze met voeten treden om
hun eigen belang toch te kunnen behartigen. Daarom waren godsdienst en gezag nodig om de
samenleving te regelen.
Probleem van de sociale orde
Hoe worden voorspelbaarheid en een mate van orde gerealiseerd?
Het besef dat de samenleving anders zou kunnen zijn is een voorwaarde voor sociale verandering en
beleid dat de samenleving beter zou moeten maken. Als er geen sprake zou zijn van contingentie,
zou er geen sprake kunnen zijn van verandering of verbetering.
De sociale orde bestaat uit alle machtsverhoudingen, wetten, regels, gewoonten en instituties die
bepalen hoe onze samenleving werkt. Door de sociale orde is ons leven in zekere mate voorspelbaar
en leefbaar.
o Of we nou links of rechts rijden maakt niet uit voor de leefbaarheid. Als we het maar allemaal
hetzelfde doen.
Om samen te kunnen leven, moeten we erop kunnen vertrouwen dat de sociale orde niet plotseling
verandert en dat bijna iedereen de sociale orde accepteert. Het probleem hierbij is dus dat we ervoor
moeten zorgen dat veranderingen in de samenleving tot chaos leiden. Hoe zorgen we dat iedereen
de sociale orde accepteert, de regels naleeft en goed meedoet?
Contingentie en de sociale orde houden nauw verband. Als je namelijk gelooft dat de samenleving
niet veranderbaar is (non-contingent), dan vertrouw je erop dat iedereen volgens dezelfde regels,
normen en waarden leeft. Als je je voor kunt stellen dat de samenleving ook anders kan zijn, kun je je
voorstellen dat er mensen zijn die andere regels willen. Kunnen we er dan wel op vertrouwen dat de
sociale orde stabiel is en door iedereen geaccepteerd wordt?
“Hoe kan men de mensen ertoe brengen de wet te eerbiedigen, hoe zijn de rechtstaat en de sociale
orde mogelijk als iedereen zich ervan bewust is dat het allemaal conventies en constructies zijn?”
(Rousseau).
Visies van sociologen op het probleem van de sociale orde:
Waarom en in welke mate is de door de mens geschapen maatschappelijke orde niet willekeurig en
ons vertrouwen en inzet waard?
Auguste Comte (1798-1857)
Een belangrijk figuur in de geschiedenis van de sociologie is Auguste Comte. Hij bedacht de term
sociologie en gebruikte het voor het eerst om zijn intellectueel werk te omschrijven. Comte pleitte
voor een sterk zakelijke, op strakke wetenschappelijke observatie en logica gesteunde sociologie. Hij
noemde dit de positieve of positivistische benadering van de sociale werkelijkheid. Onze aandacht
moet uitgaan naar het ontdekken van regelmaten in het gedrag en deze wetmatigheden moeten de
3
, onveranderlijkheid van echte wetmatigheden hebben. Kennis en theorie waren er volgens Comte om
waargenomen feiten te coördineren tot grotere gehelen (past bij de Verlichting).
Tegelijkertijd was Comte gevoelig voor stellingen van de aanhangers van de Tegen-Verlichting. Hij
geloofde niet dat het volgen van de rede automatisch tot een geregelde samenleving zou leiden. Ook
hij stelde zich de vraag hoe en waarom mensen wetten en normen zouden respecteren als zij inzagen
dat dit slechts conventies zijn, beperkingen die worden opgelegd aan het individuele handelen en die
dikwijls de belangen van de machtigen blijken te dienen.
Comte ging opzoek naar een manier waarop mensen zich bewust konden worden van de rol die de
mensheid speelt in het scheppen van sociale orde, zonder dat dit leidde tot het gevoel dat alles
willekeurig is en dat de bestaande orde enkel door dwang en misleiding kan worden gehandhaafd.
Comtes visie samengevat, komt het erop neer dat het menselijk handelen niet alleen wordt geleid
door de rede, maar ook door impulsen, gevoelens en emoties. Men moet die emotionele elementen
samen met de rede juist kanaliseren = naar goede, voor de mens positieve doelen leiden. Slechts één
instelling was volgens hem daartoe in staat geweest, namelijk de religie. Maar religies hadden de
rede echter onvoldoende aanvaard en de emoties ook niet altijd naar sociaal wenselijke doelen
gericht. Daarom grondvestigde Comte een nieuwe religie genaamd de Mensheid.
“Sociale orde door Positivisme”
oKennis is gebaseerd op waargenomen feiten van de werkelijkheid (empirie)
oEr zijn sociale wetmatigheden die we kunnen ontdekken door het doen van onderzoek
oTheorieën toetsen aan de werkelijkheid
Jürgen Habermas (1929-nu) (Verlichting)
Habermas juicht het werk van de wetenschap toe. Echter stelt hij ook vast dat de wetenschappelijke
rede ons niet kan zeggen wat we moeten doen. Het kan ons weliswaar op veel gebieden vertellen
hoe we iets doeltreffend en/of efficiënt kunnen aanpakken, maar niet waarom we eerder het ene
dan het andere moeten doen.
Habermas gelooft dat de wetenschap ons een methode aanreikt om op een open wijze met elkaar te
leren communiceren. Ongedwongen communicatie zou ertoe leiden dat alle eerlijke en redelijke
mensen die met elkaar in debat gaan het eens worden over wat we moeten doen en hoe ze
beleidsprioriteiten moeten stellen. Hierdoor zouden de regels en de instellingen die we zelf maken,
ophouden willekeurig en arbitrair te zijn, want eerlijke en redelijke mensen zouden ze
onderschrijven.
In tegenstelling tot Luhmann is Habermas van mening dat het recht rechtvaardig moet zijn, dat het
daardoor kan en moet worden bekritiseerd op basis van het rechtvaardigheidsgevoel. Volgens hem
mag en moet ook de meerderheid aan kritiek worden onderworpen.
“Sociale orde door de reden”
oDe wetenschap geeft wel kennis, maar geen richting
oDoor open, ongedwongen communicatie kan sociale orde ontstaan
Niklas Luhmann (1927-1998) (Tegen-Verlichting)
Volgens Luhmann is het zinloos om zich af te vragen welke doelen de juiste zijn. Ook redelijke en
eerlijke mensen kunnen het volgens hem, ook na een open en oprechte discussie, nog grondig
oneens zijn over wat wenselijk en prioritair is. Hij is van oordeel dat we met het contingente moeten
leren leven door het arbitraire op een aantal punten gewoon te aanvaarden.
Volgens hem kan chaos slechts vermeden worden de keuzemogelijkheden van mensen op de een of
andere manier beperken. Dat kan onder meer door hen te laten geloven dat de bestaande orde of
bepaalde aspecten daarvan onvermijdelijk zijn. Een dergelijke overtuiging kan worden bevorderd
door religie, door het geloof dat de bestaande orde natuurlijk is of door een groot respect voor de
traditie.
4
Docent: Rozemarijn van der Ploeg
Het tentamen is een openboek tentamen met essayvragen (digitaal en vanuit huis).
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
H1 – De sociologische verzuchting
Een definitie van sociologie: “Sociologie is de studie van het menselijke, sociale leven, van menselijke
groepen en maatschappijen. […] De sociologie heeft een zeer breed belangstellingsveld, van de
analyse van kortstondige ontmoetingen van mensen op straat tot onderzoek naar globale sociale
processen.” (Anthony Giddens, 1938). Het is een wetenschap van het samenleven.
Sociologie gaat over hoe mensen samenleven. Direct of indirect ben je met andere mensen
verbonden en afhankelijk. Sociologie gaat ook over in- en uitsluiting, het wel of niet behoren tot een
groep. Hierdoor ontstaan ‘wij’ en ‘zij’.
Meer vrouwelijke studenten bij deze opleiding. Waardoor ontstaat dit verschil? Dit kan komen door
invloed van normen en waarden. Het is logisch als meisjes/vrouwen zich interesseren in opvoeding
en kinderen en minder logisch voor jongens.
Je kunt kijken naar het gedrag van individuen (micro processen), zoals psychologen. Of je kijkt naar
sociale systemen, groepen, instituties etc. (macro processen).
Stratificatie = Ongelijkheid die bestaat tussen verschillende groepen. Sociale klasse (SES) is hier een
voorbeeld van, verschil tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden. Een patroon in de Nederlandse
samenleving is bijvoorbeeld dat studenten op de universiteit voor een groot deel uit hoge SES
komen.
Doel van de sociologie is, om te onderzoeken hoe mensen samenleven en hoe het komt dat ze juist
zo samenleven.
Het ontstaan van de sociologie
In de 18e eeuw was de westerse samenleving een agrarische samenleving. De meerderheid leefde
van het verbouwen van gewassen en het houden van vee. Door de industriële revolutie (1760-1914)
kwam er een overgang naar een industriële samenleving, het maken van goederen verplaatste naar
fabrieken. Hierdoor trok men massaal van het platteland naar de stad, om in de fabrieken te werken.
Deze grote en ongewoon snelle veranderingen riepen vragen op over het functioneren van de
samenleving. Bijvoorbeeld: “Hoe konden mensen samenleven in de steeds grotere en drukkere
steden?”
Waar voorheen de productie van goederen vooral in handen lag van één persoon, was er nu sprake
van arbeidsdifferentiatie. Werkzaamheden werden als het ware opgeknipt in kleinere stukken. Er
ontstonden meerdere functies in het productieproces. Arbeid werd hierdoor steeds meer
gespecialiseerd. De productiviteit en welvaart nam toe.
Ook vond er een differentiatie plaats in het gezin. Waarin de agrarische samenleving het gezin een
soort van bedrijf was waarin de productie van goederen, zorgtaken, opvoeding en onderwijs veelal
verenigd waren, werden in de moderne gezinnen deze taken uitbesteed. Scholen nemen het
onderwijs en voor een deel de opvoedtaken op zich. De zorgtaak word opgenomen door de artsen,
verplegers en ziekenhuizen. Het gezin is alleen nog maar de plek waar kinderen geboren worden en
opgroeien.
In de 18e eeuw vond er onder invloed van de Verlichting en de Franse Revolutie (1789-1799) ook een
andere overgang plaats. De standenmaatschappij, waarin de adel de hoogste stand had gevolgd door
de geestelijken en de boeren, ging over naar de klassenmaatschappij. In de standenmaatschappij
stond vast in welke stand je zat. Een boer kon nooit tot de adel behoren. In de klassenmaatschappij
werden deze scheidslijnen vager. Je positie werd bepaalt door je sociale klasse, bijvoorbeeld door je
1
,opleidingsniveau. Dit wordt ook wel de overgang van toegewezen status naar verworven status
genoemd. Mensen kregen kansen om hogerop te komen.
Daarnaast was het vanwege de arbeidsdifferentiatie belangrijk om specifieke vaardigheden te leren
en je bekwaamheid te bewijzen. In traditionele samenlevingen werd gezag vooral bepaald door de
stand (traditioneel gezag). In moderne samenleving wordt gezag vooral bepaald op basis van kennis
en verdiensten (rationeel gezag). Het onderwijs werd belangrijker en toegankelijker en de
samenleving werd meer open.
Deze 2 grote ontwikkelingen, de industrialisatie en het verdwijnen van de standenmaatschappij,
waren onderdeel van de modernisering van de samenleving. Door deze ontwikkelingen kwamen er
ook nieuwe maatschappelijke problemen, zoals armoede, vervuiling, ongelijkheid en kinderarbeid.
o Het grootste deel van de toenemende welvaart kwam bij de eigenaren van de fabrieken terecht.
Door de toenemende welvaart nam dus ook de ongelijkheid in de samenleving toe. De meeste
arbeiders waren arm en leefden onder slechte omstandigheden. Daarnaast konden hun
kinderen niet naar school, maar moesten meehelpen in de fabrieken.
Door de nieuwe ontwikkelingen en de nieuwe problemen die hierdoor ontstonden, was er
toenemende interesse en behoefte aan kennis over de samenleving. Zodat verbeteringen in gang
konden worden gezet (idee van de maakbaarheid van de samenleving). Hiervoor was data nodig,
bijvoorbeeld een armoedekaart.
Een tweede, voor het ontstaan van de sociologie, zeer relevant kenmerk van de 19 e eeuw is de
reactie tegen het verlichtingsdenken. Er groeide grote belangstelling voor de omstandigheden
waaronder mensen leven, evenals aandacht voor de duidelijke verbanden tussen die
omstandigheden en de aard van de geleide levens. Het individu wordt verankerd in de
omstandigheden waarin het leeft.
Centrale uitgangspunten van sociologie
1. Besef van contingentie > Het besef van dat er denkbare alternatieven zijn. Dit zien we wanneer
we naar andere samenlevingen kijken, zij hebben andere gewoonten, opvattingen en instanties.
“Onze samenleving zoals wij die nu kennen had er ook heel anders uit kunnen zien.”
o Bijvoorbeeld het hoger onderwijs in de VS en in Nederland. Studenten wonen in de VS
samen op de campus en kunnen een studiebeurs aangeboden hebben gekregen via de
sport die ze beoefenen. In Nederland bestaan zulke campussen niet en wordt de studie
voornamelijk betaalt door de staat.
2. Besef dat de contingentie niet arbitrair is > Dat onze samenleving anders had kunnen zijn,
betekent niet dat er geen redenen zijn waarom de samenleving is zoals die is.
“Hoe onze samenleving er uitziet, is niet toevallig”
o In Nederland vinden we gelijke kansen en uitkomsten belangrijk met betrekking tot het
hoger onderwijs. We hebben een uitgebreide verzorgingsstaat, die gericht is op nivellering.
In de VS vindt men gelijke startkansen afdoende, maar gelijke uitkomsten zijn minder van
belang.
2
,De vraag waarom het contingente niet arbitrair is stond centraal in de discussie tussen
vertegenwoordigers van de Verlichting en die van de Tegen-Verlichting. Het sterk geseculariseerde,
geïndividualiseerde en gerationaliseerde denken, waartoe de Verlichting had geleid, verwierp een
beroep op religie als een handhaver van de orde. Het goede samenleven, was niet meer afhankelijk
van het volgen van goddelijke voorschriften, maar van het volgen van de eigen rede en het eigen
redeneervermogen. De rede moest de grondslag van de maatschappelijke orde worden.
Vroeger was het niet gewoon dat de samenleving kon veranderen. Zo was er eeuwenlang in sprake
geweest van een standenmaatschappij in West-Europa, waarin sociale verhoudingen nauwelijks en
langzaam veranderden. De sociale orde werd gezien als door God gegeven en lag vast.
Als mensen niet meer geloofden dat de regels die het samenleven mogelijk maakt van
bovennatuurlijke oorsprong waren, zouden ze elkaar niet meer respecteren, zo meenden de
aanhangers van de Tegen-Verlichting. Als de regels het nastreven van het eigen belang
belemmerden, zouden mensen zeggen dat die regels willekeurig waren en ze met voeten treden om
hun eigen belang toch te kunnen behartigen. Daarom waren godsdienst en gezag nodig om de
samenleving te regelen.
Probleem van de sociale orde
Hoe worden voorspelbaarheid en een mate van orde gerealiseerd?
Het besef dat de samenleving anders zou kunnen zijn is een voorwaarde voor sociale verandering en
beleid dat de samenleving beter zou moeten maken. Als er geen sprake zou zijn van contingentie,
zou er geen sprake kunnen zijn van verandering of verbetering.
De sociale orde bestaat uit alle machtsverhoudingen, wetten, regels, gewoonten en instituties die
bepalen hoe onze samenleving werkt. Door de sociale orde is ons leven in zekere mate voorspelbaar
en leefbaar.
o Of we nou links of rechts rijden maakt niet uit voor de leefbaarheid. Als we het maar allemaal
hetzelfde doen.
Om samen te kunnen leven, moeten we erop kunnen vertrouwen dat de sociale orde niet plotseling
verandert en dat bijna iedereen de sociale orde accepteert. Het probleem hierbij is dus dat we ervoor
moeten zorgen dat veranderingen in de samenleving tot chaos leiden. Hoe zorgen we dat iedereen
de sociale orde accepteert, de regels naleeft en goed meedoet?
Contingentie en de sociale orde houden nauw verband. Als je namelijk gelooft dat de samenleving
niet veranderbaar is (non-contingent), dan vertrouw je erop dat iedereen volgens dezelfde regels,
normen en waarden leeft. Als je je voor kunt stellen dat de samenleving ook anders kan zijn, kun je je
voorstellen dat er mensen zijn die andere regels willen. Kunnen we er dan wel op vertrouwen dat de
sociale orde stabiel is en door iedereen geaccepteerd wordt?
“Hoe kan men de mensen ertoe brengen de wet te eerbiedigen, hoe zijn de rechtstaat en de sociale
orde mogelijk als iedereen zich ervan bewust is dat het allemaal conventies en constructies zijn?”
(Rousseau).
Visies van sociologen op het probleem van de sociale orde:
Waarom en in welke mate is de door de mens geschapen maatschappelijke orde niet willekeurig en
ons vertrouwen en inzet waard?
Auguste Comte (1798-1857)
Een belangrijk figuur in de geschiedenis van de sociologie is Auguste Comte. Hij bedacht de term
sociologie en gebruikte het voor het eerst om zijn intellectueel werk te omschrijven. Comte pleitte
voor een sterk zakelijke, op strakke wetenschappelijke observatie en logica gesteunde sociologie. Hij
noemde dit de positieve of positivistische benadering van de sociale werkelijkheid. Onze aandacht
moet uitgaan naar het ontdekken van regelmaten in het gedrag en deze wetmatigheden moeten de
3
, onveranderlijkheid van echte wetmatigheden hebben. Kennis en theorie waren er volgens Comte om
waargenomen feiten te coördineren tot grotere gehelen (past bij de Verlichting).
Tegelijkertijd was Comte gevoelig voor stellingen van de aanhangers van de Tegen-Verlichting. Hij
geloofde niet dat het volgen van de rede automatisch tot een geregelde samenleving zou leiden. Ook
hij stelde zich de vraag hoe en waarom mensen wetten en normen zouden respecteren als zij inzagen
dat dit slechts conventies zijn, beperkingen die worden opgelegd aan het individuele handelen en die
dikwijls de belangen van de machtigen blijken te dienen.
Comte ging opzoek naar een manier waarop mensen zich bewust konden worden van de rol die de
mensheid speelt in het scheppen van sociale orde, zonder dat dit leidde tot het gevoel dat alles
willekeurig is en dat de bestaande orde enkel door dwang en misleiding kan worden gehandhaafd.
Comtes visie samengevat, komt het erop neer dat het menselijk handelen niet alleen wordt geleid
door de rede, maar ook door impulsen, gevoelens en emoties. Men moet die emotionele elementen
samen met de rede juist kanaliseren = naar goede, voor de mens positieve doelen leiden. Slechts één
instelling was volgens hem daartoe in staat geweest, namelijk de religie. Maar religies hadden de
rede echter onvoldoende aanvaard en de emoties ook niet altijd naar sociaal wenselijke doelen
gericht. Daarom grondvestigde Comte een nieuwe religie genaamd de Mensheid.
“Sociale orde door Positivisme”
oKennis is gebaseerd op waargenomen feiten van de werkelijkheid (empirie)
oEr zijn sociale wetmatigheden die we kunnen ontdekken door het doen van onderzoek
oTheorieën toetsen aan de werkelijkheid
Jürgen Habermas (1929-nu) (Verlichting)
Habermas juicht het werk van de wetenschap toe. Echter stelt hij ook vast dat de wetenschappelijke
rede ons niet kan zeggen wat we moeten doen. Het kan ons weliswaar op veel gebieden vertellen
hoe we iets doeltreffend en/of efficiënt kunnen aanpakken, maar niet waarom we eerder het ene
dan het andere moeten doen.
Habermas gelooft dat de wetenschap ons een methode aanreikt om op een open wijze met elkaar te
leren communiceren. Ongedwongen communicatie zou ertoe leiden dat alle eerlijke en redelijke
mensen die met elkaar in debat gaan het eens worden over wat we moeten doen en hoe ze
beleidsprioriteiten moeten stellen. Hierdoor zouden de regels en de instellingen die we zelf maken,
ophouden willekeurig en arbitrair te zijn, want eerlijke en redelijke mensen zouden ze
onderschrijven.
In tegenstelling tot Luhmann is Habermas van mening dat het recht rechtvaardig moet zijn, dat het
daardoor kan en moet worden bekritiseerd op basis van het rechtvaardigheidsgevoel. Volgens hem
mag en moet ook de meerderheid aan kritiek worden onderworpen.
“Sociale orde door de reden”
oDe wetenschap geeft wel kennis, maar geen richting
oDoor open, ongedwongen communicatie kan sociale orde ontstaan
Niklas Luhmann (1927-1998) (Tegen-Verlichting)
Volgens Luhmann is het zinloos om zich af te vragen welke doelen de juiste zijn. Ook redelijke en
eerlijke mensen kunnen het volgens hem, ook na een open en oprechte discussie, nog grondig
oneens zijn over wat wenselijk en prioritair is. Hij is van oordeel dat we met het contingente moeten
leren leven door het arbitraire op een aantal punten gewoon te aanvaarden.
Volgens hem kan chaos slechts vermeden worden de keuzemogelijkheden van mensen op de een of
andere manier beperken. Dat kan onder meer door hen te laten geloven dat de bestaande orde of
bepaalde aspecten daarvan onvermijdelijk zijn. Een dergelijke overtuiging kan worden bevorderd
door religie, door het geloof dat de bestaande orde natuurlijk is of door een groot respect voor de
traditie.
4