geesteswetenschappen
Hoofdstuk 5 – Het ontstaan van de geesteswetenschappen
1. Een nieuwe manier van denken rond 1800
Volgens Michel Foucault vond er rond 1800 een grote epistemologische
breuk plaats. Dat betekent: een fundamentele verandering in hoe mensen
dachten over kennis, waarheid en de mens.
Hij stelt:
De natuurwetenschappelijke revolutie van de 17e eeuw was niet de
enige grote verandering.
Rond 1800 ontstond er nóg een revolutie: de geboorte van de
geesteswetenschappen.
Belangrijk is dat Foucault zegt dat je deze breuk niet goed kunt verklaren:
Niet door nieuwe ontdekkingen.
Niet door economische of maatschappelijke ontwikkelingen.
Maar door een verandering in de manier waarop kennis wordt
gestructureerd.
2. Kant: de mens als subject én object
Een centrale figuur in deze ontwikkeling is Immanuel Kant.
Wat verandert er bij Kant?
Hij maakt een fundamenteel onderscheid tussen:
Het kennende subject (de mens die waarneemt en denkt)
Het gekende object (de wereld die wordt waargenomen)
Belangrijk idee:
De mens structureert zelf de ervaring.
De mens is dus niet alleen iemand die de wereld waarneemt, maar iemand
die actief meebepaalt hoe die wereld verschijnt.
Kant ziet de mens:
Als empirisch object (je kunt hem bestuderen als
natuurverschijnsel)
, Maar ook als transcendentaal subject (bron van kennis)
Dit universele, rationele subject is volgens Kant:
Tijdloos
Niet afhankelijk van cultuur of geschiedenis
Dat past bij de idealen van de Verlichting: geloof in rede en universalisme.
3. Hegel: van rede naar Geist
Na Kant komt Georg Wilhelm Friedrich Hegel met een nieuw en invloedrijk
idee: Geist (Geest).
Waar Kant zich richt op het individuele verstand, kijkt Hegel naar:
Cultuur
Geschiedenis
Kunst
Religie
Staat
Volgens Hegel ontwikkelt de Geest zich in de geschiedenis. Die
ontwikkeling verloopt:
Stap voor stap
Via conflicten
In de richting van meer vrijheid
Dit noemt men zijn dialectische visie op geschiedenis.
Belangrijk:
De geest zit niet alleen in individuen.
Ze uit zich in objectieve vormen zoals kunst, recht en politiek.
Hier ontstaat het idee dat cultuurproducten (taal, kunst, religie)
uitdrukking zijn van een bepaalde tijdgeest.
4. Historisch bewustzijn: alles wordt historisch
Rond 1800 verandert ook het denken over tijd.
Tot dan toe dacht men:
, De menselijke natuur is onveranderlijk.
Geschiedenis is herhaling van hetzelfde.
Nu ontstaat het idee dat:
Alles historisch is.
Culturen veranderen.
Zelfs de menselijke natuur veranderlijk is.
Dit idee van historiciteit wordt een fundament van de
geesteswetenschappen.
Gevolg:
Elke tijd heeft een eigen bewustzijn.
Elk volk heeft een eigen geest (Volksgeist).
Betekenissen zijn tijd- en cultuurgebonden.
5. De contraverlichting
De geesteswetenschappen ontstaan niet alleen door filosofie, maar ook
door maatschappelijke ontwikkelingen.
Er komt een reactie op de Verlichting: de contraverlichting.
Waar de Verlichting stond voor:
Rede
Universalisme
Vooruitgang
Legt de contraverlichting de nadruk op:
Cultuur
Gevoel
Verbeelding
Nationaliteit
Cultuur wordt nu:
Iets specifieks van een volk
Iets historisch
Iets unieks
, Dit sluit aan bij het opkomende nationalisme.
6. Nationalisme en kolonialisme
Het nieuwe cultuurbegrip krijgt een politieke lading.
Men gaat denken:
Elk volk heeft een eigen cultuur.
Een volk hoort bij een staat.
Dit versterkt nationalistische bewegingen.
Tegelijkertijd groeit het kolonialisme. Europese landen rechtvaardigen
overheersing met het idee dat:
Zij verder ontwikkeld zijn.
Zij ‘primitieve’ volken moeten leiden.
Edward Said laat later in Orientalism zien hoe kennis over andere culturen
vaak samenhing met machtsuitoefening.
Belangrijk inzicht:
Wetenschappelijke kennis ontstaat niet los van macht en politiek.
7. Hervorming van de universiteiten
Een derde belangrijke factor is institutioneel.
Wilhelm von Humboldt hervormt het Duitse universitair systeem.
Hij introduceert twee principes:
1. Academische vrijheid
o Professoren moeten vrij zijn in onderzoek en onderwijs.
2. Eenheid van onderwijs en onderzoek
o Een echte wetenschapper moet zelf onderzoek doen.
Hij baseert dit op het ideaal van Bildung:
Ontwikkeling van kennis én karakter
Vorming van de hele persoon
Verbinding tussen wetenschap en morele ontwikkeling