leggen. De begrippen in deze toets zijn iets lastiger dan gemiddeld, dan weet je dat even.
, Hoofdstuk 1 – Projectdefinitie, start en organisatie
Vraag 1
Beschrijf welke elementen minimaal in een projectdefinitie moeten worden opgenomen om
een project succesvol te kunnen starten. Leg uit waarom het ontbreken van deze elementen
tot faalrisico’s leidt.
Vraag 2
Analyseer het verschil tussen een opdrachtgever en een projectleider. Beschrijf hoe hun
verantwoordelijkheden elkaar aanvullen en waar mogelijke spanningen kunnen ontstaan.
Vraag 3
Leg uit waarom een duidelijke projectscope cruciaal is binnen projectmanagement. Beschrijf
wat er kan gebeuren wanneer de scope tijdens het project onvoldoende wordt bewaakt.
Vraag 4
Beschrijf hoe een projectorganisatie wordt ingericht. Ga in op de rol van projectteam,
stuurgroep en projectleider en de onderlinge verhouding.
Vraag 5
Analyseer waarom het structureren van een project in fasen (fasering) volgens Wijnen,
Renes & Storm bijdraagt aan beheersbaarheid en besluitvorming.
Hoofdstuk 2 – Planning, beheersing en risicomanagement
Vraag 6
Leg uit hoe een projectplanning wordt opgebouwd en welke onderdelen minimaal nodig zijn
om een realistische planning te maken.
Vraag 7
Analyseer het belang van kritieke pad-analyse binnen projectplanning. Beschrijf wat er
gebeurt als activiteiten op het kritieke pad vertragen.
Vraag 8
Beschrijf hoe tijd-, geld- en capaciteitsbeheer met elkaar samenhangen binnen
projectbeheersing.
Vraag 9
Leg uit hoe een projectleider kan sturen op afwijkingen binnen planning en budget zonder
het projectteam te demotiveren.
Vraag 10
Analyseer het proces van risicomanagement binnen projecten. Beschrijf hoe risico’s worden
geïdentificeerd, geclassificeerd en beheerst.