anw pw les 3: bladeren
Een blad bestaat uit een bladsteel en een bladschijf. Met de bladsteel zit het blad aan de
stengel vast. Het platte gedeelte van het blad heet de bladschijf. De vaatbundels van de
stengel lopen via de bladsteel door tot in de bladschijf. In de bladschijf liggen de vaatbundels
en nerven. De hoofdnerf loopt meestal in het midden van het blad. De aftakkingen van de
hoofdnerf heten zijnerven. Deze vertakken zich in steeds kleinere nerven. De nerven zorgen
voor stevigheid van het blad. Ook zorgen ze voor het transport van water en voedingsstoffen
in het blad. Dit noemen we sapstromen. Alles wat tussen de nerven in ligt noemen we
bladmoes. Een blad waar geen bladmoes meer in zit, noemen we een bladskelet. Een
bladskelet bestaat uit alleen maar nerven. In bladeren zitten ook huidmondjes. Een
huidmondje bestaat uit 2 cellen die op en dicht kunnen. Via de open huidmondje kan
overdag koolstofdioxide en zuurstof de plant in en uit en kan er water verdampen. Als het
erg droog is sluiten de huidmondjes zich.
bladskelet
Als er geen bladmoes meer in de bladschijf zit noemen we dit een bladskelet.
fotosynthese
Door fotosynthese maakt een plant zijn eigen voedsel (glucose). Dit proces gebeurt in het
bladmoes en overige groene delen. Een plant neemt water op via zijn wortels, ook neemt hij
koolstofdioxide op via de bladeren. Dat is een gas, dit gas zit bijvoorbeeld ook in cola en spa
rood. Dit gas zit gewoon in de lucht en dat neemt de blad op samen met water. Door de
koolstofdioxide en water maakt de plant zuurstof. En die zuurstof gaan weer uit de blaadjes
en die komen de lucht in en dat ademen andere orgasme en wij weer in. Ook maakt de plant
glucose (druivensuiker)
water + koolstofdioxide + licht + zuurstof + glucose
H2o + C02 + licht + 02 + cH61206
Een blad bestaat uit een bladsteel en een bladschijf. Met de bladsteel zit het blad aan de
stengel vast. Het platte gedeelte van het blad heet de bladschijf. De vaatbundels van de
stengel lopen via de bladsteel door tot in de bladschijf. In de bladschijf liggen de vaatbundels
en nerven. De hoofdnerf loopt meestal in het midden van het blad. De aftakkingen van de
hoofdnerf heten zijnerven. Deze vertakken zich in steeds kleinere nerven. De nerven zorgen
voor stevigheid van het blad. Ook zorgen ze voor het transport van water en voedingsstoffen
in het blad. Dit noemen we sapstromen. Alles wat tussen de nerven in ligt noemen we
bladmoes. Een blad waar geen bladmoes meer in zit, noemen we een bladskelet. Een
bladskelet bestaat uit alleen maar nerven. In bladeren zitten ook huidmondjes. Een
huidmondje bestaat uit 2 cellen die op en dicht kunnen. Via de open huidmondje kan
overdag koolstofdioxide en zuurstof de plant in en uit en kan er water verdampen. Als het
erg droog is sluiten de huidmondjes zich.
bladskelet
Als er geen bladmoes meer in de bladschijf zit noemen we dit een bladskelet.
fotosynthese
Door fotosynthese maakt een plant zijn eigen voedsel (glucose). Dit proces gebeurt in het
bladmoes en overige groene delen. Een plant neemt water op via zijn wortels, ook neemt hij
koolstofdioxide op via de bladeren. Dat is een gas, dit gas zit bijvoorbeeld ook in cola en spa
rood. Dit gas zit gewoon in de lucht en dat neemt de blad op samen met water. Door de
koolstofdioxide en water maakt de plant zuurstof. En die zuurstof gaan weer uit de blaadjes
en die komen de lucht in en dat ademen andere orgasme en wij weer in. Ook maakt de plant
glucose (druivensuiker)
water + koolstofdioxide + licht + zuurstof + glucose
H2o + C02 + licht + 02 + cH61206