De jaarrekening: Balans en resultaten rekening
Jaarrekening 3 onderdelen
• De balans : foto einde jaar inzicht waarden panden, leningen, vermogen (waarde
onderneming)
• De resultaten rekening (winst- en verlies): overzicht jaar periode van kosten en
inkomsten van een jaar (onderneming gepresteerd heeft)
• Een toelichting
Balans-> totaal van de activa is gelijk aan de passiva zijde = totaal vermogen
Activa zijde (totaal bezittingen): bezit van de onderneming bijv vastgoed, installaties,
openstaande vorderingen, bank en kas
• Vaste activa -> eigen vermogen
• Vlottende activa-> vreemd vermogen
• Totaal activa -> totaal passiva
Vaste activa-> duurzaam gebruik dus langer dan een jaar in de onderneming
Bijv. Verhuurde woning, winkels, ontwikkellocaties,
Minder exibel maar sterke lange termijn positie
Materiële activa -> tastbare bezittingen zoals woningen, winkel, bedrijfsterreinen,
installaties, liften en inventaris die structureel gebruikt word
Word afgeschreven over de gebruiksduur maar kan in waarde stijgen of dalen.
Immateriele activa -> niet tastbare bezittingen zoals software licenties, ontwikkelde
software, merkrechten, patenten, goodwill
Financiële activa -> langer dan een jaar lopende nanciële belangen zoals deelnemingen
in andere ondernemingen (aandelen), langlopende leningen, obligaties langer dan1 jaar
Vlottende activa-> binnen een jaar verkocht, verbruikt word of in geld word omgezet
Bijv. Bank en kas saldo, debiteuren, vooruitbetaalde kosten, voorraden
Flexibel en kunnen snel in gezet worden nanciële exibiliteit
Passiva zijde (Totaal vermogen): Hoe de bezitting zijn ge nancierd eigenaar-> eigen
vermogen of externe partijen (vreemd vermogen)
Eigen vermogen (Permanent vermogen/ bu er minder risico) -> kapitaal dat zelf is
ingebracht door de onderneming of opgebouwde winst of waardeveranderingen van
bezittingen
Solvabiliteit -> sterkere nanciële positie en belangrijke maatstaf 25% is acceptabel
Signaal functie-> hoe groter het eigen vermogen hoe groter het risico dat de
aandeelhouder zelf draagt
Financiële zelfstandigheid -> zelf snel investeren, tijdelijke tekorten opvangen, exibel
inspelen in kansen op de markt
Waarderingsgrondslag -> eigen vermogen als uitgangspunt voor de waardering van de bv
1
fl fi fi ff fi fl fi fl
, Vreemd vermogen (Tijdelijk vermogen/ meer risico) -> middelen uit externe partijen
met terugbetaling plicht of rente of een contract met looptijd en a ossing bijv
hypothecaire lenigen. Blijft niet in de onderneming
Kort vreemd vermogen -> schulden binnen een jaar terugbetaald -> hoog aandeel kort
vreemd vermogen => Liquiditeit risico
• crediteuren (te betalen facturen)
• belastingschulden
• rente
• vooruit ontvangen bedragen
• rekening courant schulden (kortlopende schuld)
Lang vreemd vermogen -> schulden looptijd langer dan 1 jaar -> langlopende
nancieringen => langdurige investeren (minder invloed op liquiditeit)
• Hypothecaire leningen
• Bankleningen langer dan 1 jaar
• Obligaties langer dan 1 jaar
Betekenis voor vastgoed professionals -> inzicht betalingsdruk op korte termijn
nancieringsstructuur in onderneming, stabiele inkomsten inzicht
Veel lang vermogen=> stabiel met de juiste huurinkomsten
Veel kort vreemd vermogen en weinig eigen vermogen =-> hoog risico bij tegenvallers
H2 Financieringsvormen, nanciële ratio’s en
kerngetallen
Hypothecaire lening en zekerheidsrecht
Hypothecaire lening -> lening met onroerend goed als onderpand
Het zekerheidsrecht (gekoppeld aan vastgoed) -> vastgelegd in het recht van hypotheek
door notaris in openbare register van het kadaster en geldverstrekker voorrang boven
andere schuldeisers. Lagere rente want minder risico
Hypotheekgever (geld ontvangt)-> eigenaar vastgoed
Hypotheeknemer (geld uitleent)-> geldverstrekker(de bank)
• Eerste hypotheek voorrang boven latere hypotheken
• Bij verkoop of executie eerste de eerste hypotheek afgelost
• Eerste hypotheek geeft daarom lagere rente en minder risico dan de tweede hypotheek
• Eerste hypotheek is vaak vastgoed en tweede vaak voor verbouwing, her nanciering of
extra investering
A ossingsvormen bij vastgoed nanciering
Lineaire lening -> Zekerheid en snelle schuld afbouw vaak voor eigen woning
• Elke maand los je hetzelfde bedrag af
• Rentedeel word elke maand lager want past zich aan het bedrag
• Totale maandlast daalt gedurende tijd
2
fi fl fi fi fl fi
, • Hogere maandlasten in het begin maar voordeliger omdat je op lange termijn minder
rente betaald
Annuitaire lening -> continu bedrag en vaak gebruikt bij eigen woning
• Elke maand hetzelfde totale bedrag dat je betaald
• Een deel is a ossing en een deel is rente
• In het begin betaal je vooral rente en daarna meer a ossing
• Totale rente last is hoger dan lineaire
A ossingsvrije lening -> toegepast bij beleggingsvastgoed wel meer risico en hoge schuld
• Je betaald alleen de rente maandelijks dus je lost niks af dus lage maandlasten
• Geen vermogensopbouw via a ossing
• Volledige lening moet aan het einde afgelost worden door verkoop of her nanciering
Winst- en resultaat begrippen in vastgoed
Brutowinst -> (huur)opbrengsten - directe kosten (onderhoud etc)
Brutowinst marge -> drukt de bruto winst uit in percentage hoe hoger hoe beter
Bedrijfsresultaat (operationeel resultaat) -> opbrengsten - alle kosten bedrijfsvoering
(personeel, huisvesting, beheer, afschrijvingen etc)
Winst uit bedrijfsvoering -> resultaat uit kern bedrijfsactiviteiten voor aftrek rentelasten,
belastingen of incidentele gebeurtenissen
Financieel resultaat-> kosten en opbrengsten van nanciering (te betalen en ontvangen
rente)
Buitengewoon resultaat-> incidentele lasten of resultaten bijv eenmalige winst of een
schadevergoeding
Nettowinst en nettowinstmarge (percentage)-> uiteindelijke resultaat => - alle kosten incl
rente, belastingen en buitengewone kosten etc
Waarde begrippen in vastgoed
Boekhoudkundig
Aanschafwaarde -> bedrag aankoop onroerend goed imlc. Overdrachtsbelasting,
notariskosten en advieskosten (bepaald afschrijving)
Afschrijving -> bedrag waarmee de waarde jaarlijks word verlaagd in boekhouding door
slijtage of economische veroudering (e ect in de jaarrekening maar niet over de actuele
marktwaarde)
Boekwaarde -> waarde van vastgoed op de balans = aanschafwaarde - afschrijvingen
(kan afwijken van marktwaarde)
Markt en investeringsbeslissingen
Vervangingswaarde -> bedrag voor een vergelijkbaar pand (gebruikt bij verzekeringen of
schade-vaststelling) stijgende bouwkosten zorg voor hogere vervangingswaarde
Actuele waarde -> geschatte waarde vastgoed op dat moment in de markt (belangrijk
voor verkoop, her nanciering en risico nanciering)
Restwaarde -> verwachte waarde aan het einde gebruiksduur
Opbrengst waarde -> verwachte inkomsten vertaalt naar waarde-> rendement analyses
3
fl
fl fi fl fffi fi fl fi