Kennistoets periode 2.
Organisatiekunde
Om als organisatie effectief en efficiënt te zijn is het volgende nodig:
1. Verdeling van arbeid
2. Afstemming coördinatie onderling
3. Toekennen beslissingsbevoegdheden (overdragen van taken)
4. Passende communicatie
Kenmerken van een organisatie
o Organisatie heeft een doel
o Samenwerking
o Leiding en uitvoering (mensen)
o Middelen
Soorten organisaties:
- Bedrijven= willen altijd winst maken.
- Non profit = organisaties die geen doelstelling hebben om winst te
maken.
- Overige organisaties = Sportvereniging, belangverenigingen.
Een vereniging heeft leden en een stichting niet, zij hebben een bestuur.
Ontwerpen van een organisatiestructuur
Horizontaal organiseren betekent dat een organisatie het
werk verdeelt tussen teams op hetzelfde niveau. Dat kan op twee
manieren:
1. Functionalisatie: indeling op basis van werkzaamheden of
specialisaties (zoals HR, ICT, Finance).
2. Afdelingsvorming: indeling op basis van producten, doelgroepen
of regio’s (zoals Jeugd, Wmo, Participatie bij de gemeente).
Horizontaal = naast elkaar samenwerken, niet onder elkaar.
Verticaal organiseren betekent dat het werk wordt verdeeld van boven
naar beneden in verschillende hiërarchische lagen. Het draait
om leiding geven en controleren: wie is de baas van wie.
Je krijgt dan:
Topmanagement → bepaalt strategie
Middenmanagement → vertaalt beleid
© BY Notes | Betül Yakut
, Werkvloer → voert uit
Verticaal = macht en beslissingen stromen omlaag (en klachten meestal
omhoog).
INDELINGEN
1️indeling naar gelijksoortigheid (interne differentiatie)
Mensen met dezelfde functie of taak zet je bij elkaar
→ F-indeling (Functie-indeling), zoals HR, ICT, Finance
2️indeling naar samenhang (interne specialisatie)
Je richt afdelingen in op basis van wat ze samen opleveren:
o P-indeling: per product/dienst
o M-indeling: per markt/doelgroep
o G-indeling: per geografisch gebied
o Span of control/spanwijdte= het aantal medewerkers dat
één leidinggevende direct aanstuurt. Meer medewerkers onder
een manager zorgt voor grotere spanwijdte.
Term Gaat over Direct/ Feit of max
indirect
aansturen
Spanwijdte (wat het Aantal Direct Feitelijke
nu is) mensen/horizont situatie
aal
Omspanningsvermo Aantal mensen Direct Maximaal
gen (wat maximaal mogelijk
kan)
Horizontaal
Spandiepte (huidig) Aantal Indirect Feitelijk
lagen/verticaal
Omspanningsvermo Aantal lagen Indirect Maximaal
gen mogelijk
Verticaal (wat is
haalbaar)
© BY Notes | Betül Yakut
, Organisatie stelsels
Lijnorganisatie= Iedereen heeft een baas. Snelle besluitvorming,
klein bedrijf. Geen specialisten die leiding adviseren
Lijn-staf organisatie= een baas per medewerker, specialisten die
leiding adviseren, juridisch afdeling, gemeente is lijn -
staforganisatie.
Matrixorganisatie = (tijdelijke projecten), medewerkers hebben 2
bazen, functioneel leidinggevende (vak/afdeling) projectleider
(tijdelijk project. Innovatie en flexibiliteit, kans op conflicten, een
bouwproject is een matrixorganisatie.
Divisiestructuur= zelfstandige onderdelen met eigen winst,
personeel, klanten en producten. Focus op markt/product, snelle
beslissing per divisie. Denk aan bedrijven zoals coca cola, NS, ING
Coördinatie; iedereen doet zijn eigen taak maar wel op elkaar afgestemd
Standaardisatie: alles op dezelfde manier doen zodat het soepel blijft.
Formalisering: regels vastleggen voor duidelijkheid en controle.
Effectiviteit = kijkt naar het resultaat.
Efficiënt = kijkt naar het proces
1. Structure
De formele organisatiestructuur: hoe afdelingen, functies en
leidinggevenden zijn ingedeeld. Denk aan organogram, hiërarchie en
organisatiestelsels (lijn, lijn-staf, matrix, divisie).
2. Strategy
De lange-termijn koers van de organisatie. Hoe de organisatie haar doelen
wil bereiken en zich wil onderscheiden.
3. Systems
De processen, procedures en werkwijzen binnen de organisatie.
Inclusief primaire processen (product/dienst), ondersteunende processen
(HR/financiën/ICT) en bestuurlijke processen (planning & control).
© BY Notes | Betül Yakut
Organisatiekunde
Om als organisatie effectief en efficiënt te zijn is het volgende nodig:
1. Verdeling van arbeid
2. Afstemming coördinatie onderling
3. Toekennen beslissingsbevoegdheden (overdragen van taken)
4. Passende communicatie
Kenmerken van een organisatie
o Organisatie heeft een doel
o Samenwerking
o Leiding en uitvoering (mensen)
o Middelen
Soorten organisaties:
- Bedrijven= willen altijd winst maken.
- Non profit = organisaties die geen doelstelling hebben om winst te
maken.
- Overige organisaties = Sportvereniging, belangverenigingen.
Een vereniging heeft leden en een stichting niet, zij hebben een bestuur.
Ontwerpen van een organisatiestructuur
Horizontaal organiseren betekent dat een organisatie het
werk verdeelt tussen teams op hetzelfde niveau. Dat kan op twee
manieren:
1. Functionalisatie: indeling op basis van werkzaamheden of
specialisaties (zoals HR, ICT, Finance).
2. Afdelingsvorming: indeling op basis van producten, doelgroepen
of regio’s (zoals Jeugd, Wmo, Participatie bij de gemeente).
Horizontaal = naast elkaar samenwerken, niet onder elkaar.
Verticaal organiseren betekent dat het werk wordt verdeeld van boven
naar beneden in verschillende hiërarchische lagen. Het draait
om leiding geven en controleren: wie is de baas van wie.
Je krijgt dan:
Topmanagement → bepaalt strategie
Middenmanagement → vertaalt beleid
© BY Notes | Betül Yakut
, Werkvloer → voert uit
Verticaal = macht en beslissingen stromen omlaag (en klachten meestal
omhoog).
INDELINGEN
1️indeling naar gelijksoortigheid (interne differentiatie)
Mensen met dezelfde functie of taak zet je bij elkaar
→ F-indeling (Functie-indeling), zoals HR, ICT, Finance
2️indeling naar samenhang (interne specialisatie)
Je richt afdelingen in op basis van wat ze samen opleveren:
o P-indeling: per product/dienst
o M-indeling: per markt/doelgroep
o G-indeling: per geografisch gebied
o Span of control/spanwijdte= het aantal medewerkers dat
één leidinggevende direct aanstuurt. Meer medewerkers onder
een manager zorgt voor grotere spanwijdte.
Term Gaat over Direct/ Feit of max
indirect
aansturen
Spanwijdte (wat het Aantal Direct Feitelijke
nu is) mensen/horizont situatie
aal
Omspanningsvermo Aantal mensen Direct Maximaal
gen (wat maximaal mogelijk
kan)
Horizontaal
Spandiepte (huidig) Aantal Indirect Feitelijk
lagen/verticaal
Omspanningsvermo Aantal lagen Indirect Maximaal
gen mogelijk
Verticaal (wat is
haalbaar)
© BY Notes | Betül Yakut
, Organisatie stelsels
Lijnorganisatie= Iedereen heeft een baas. Snelle besluitvorming,
klein bedrijf. Geen specialisten die leiding adviseren
Lijn-staf organisatie= een baas per medewerker, specialisten die
leiding adviseren, juridisch afdeling, gemeente is lijn -
staforganisatie.
Matrixorganisatie = (tijdelijke projecten), medewerkers hebben 2
bazen, functioneel leidinggevende (vak/afdeling) projectleider
(tijdelijk project. Innovatie en flexibiliteit, kans op conflicten, een
bouwproject is een matrixorganisatie.
Divisiestructuur= zelfstandige onderdelen met eigen winst,
personeel, klanten en producten. Focus op markt/product, snelle
beslissing per divisie. Denk aan bedrijven zoals coca cola, NS, ING
Coördinatie; iedereen doet zijn eigen taak maar wel op elkaar afgestemd
Standaardisatie: alles op dezelfde manier doen zodat het soepel blijft.
Formalisering: regels vastleggen voor duidelijkheid en controle.
Effectiviteit = kijkt naar het resultaat.
Efficiënt = kijkt naar het proces
1. Structure
De formele organisatiestructuur: hoe afdelingen, functies en
leidinggevenden zijn ingedeeld. Denk aan organogram, hiërarchie en
organisatiestelsels (lijn, lijn-staf, matrix, divisie).
2. Strategy
De lange-termijn koers van de organisatie. Hoe de organisatie haar doelen
wil bereiken en zich wil onderscheiden.
3. Systems
De processen, procedures en werkwijzen binnen de organisatie.
Inclusief primaire processen (product/dienst), ondersteunende processen
(HR/financiën/ICT) en bestuurlijke processen (planning & control).
© BY Notes | Betül Yakut