Week 1
Bijna alles kan je kopen of verkopen en heeft dus een band met de markt. Dit is handig met
vraag en aanbod, maar het betekent ook dat je afhankelijk bent van de markt.
Kapitalisme is sinds de 18e eeuw ons economische systeem met:
- Privaat eigendom: jouw eigendommen waar je mee kan doen wat je zelf wilt.
- Markten: hier gaat het om ruilen (bijv. met geld), er worden eigendommen
overgegeven aan de hand van wederkerigheid en het is vrijwillig. Hieruit volgt een
competitie tussen concurrenten. Deze competitie zorgt ervoor dat er een permanente
revolutie is van de technologie.
Daarnaast zorgt de markt er ook voor dat goederen eerlijk efficiënt worden.
- Bedrijven: zijn de methode voor de productie in het kapitalisme. Bedrijfseigenaren,
het kapitaalgoed, kunnen medewerkers aannemen en ontslaan. Er wordt gestreefd
naar het maken van winst. De komst van bedrijven en markten zorgen voor
specialisatie in het maken van goederen.
Het kapitalisme is een goede meting van hoe hoog de welvaart in een land is. Ook heeft het
kapitalisme een positieve band met het welzijn van een land en helaas ook met het milieu
ervan.
Specialisatie zorgt ervoor dat mensen erg goed worden in hun vak, omdat ze dit erg vaak
herhalen. Taken worden verdeeld per vaardigheid. Hierdoor kan er sneller geproduceerd
worden en door een grotere productie worden de totale kosten ook lager, schaalvoordelen.
Opportuniteitskosten zijn de kosten die je bij het maken van een bepaalde keuze mist
(uitgaan of chillen op de bank). Bij samenwerking is dit de productie die verloren gaat. Bij
specialisatie: wie moet er het meest opgeven bij het specialiseren van een goed. Degene
met de minste opportuniteitskosten gaat specialiseren.
Week 2
Comparatief voordeel komt tot stand met specialisatie door samen te gaan handelen, aan
de hand van vraag en aanbod. De productie gaat omhoog en de kosten omlaag.
→ Degene die het meest kan produceren van een product in een bepaalde
tijd heeft het absolute voordeel.
Schaarste is er wanneer de wens van een product hoger (onbeperkt) is dan de voorraad
ervan (beperkt).
- Bij een vraagoverschot is er een hogere bereidheid om meer voor het goed te
betalen en zal de prijs dus stijgen.