Gynaecologische ziekten
1. Anatomie & histologie
1.1 Uteruswand: lagen (histologie) van binnen naar buiten
Endometrium
- Cellulaire opbouw (weefseltypes)
Columnair (cilindrisch) epitheel
Tubulaire klieren
Stroma (gespecialiseerd steunweefsel)
- Anatomische opbouw (lagen):
Zona functionalis (bovenste 2/3 deel)
= Hormoonresponsieve laag die elke cyclus opbouwt en tijdens de menstruatie afstoot.
Zona basalis (onderste 1/3 deel)
Stamlaag die achterblijft en zorgt voor de heropbouw van het endometrium.
Myometrium: Dikke spierlaag (uterus = “spier rond slijmvlies”)
Serosa: Buitenste bedekkingslaag (peritoneum/buikvlies) die scheiding maakt t.o.v. andere organen
1.2 Cervix: epitheelzones en klinische relevantie
Buitenkant (ectocervix): plaveiselepitheel (squameus)
Binnenkant (endocervix/cervicaal kanaal): cilinderepitheel (kolumnair)
→ met “inhammen/crypten” en rijker doorbloed (kan roder ogen)
SQUAMOCOLUMNAIRE JUNCTIE (SCJ)
Overgangszone tussen squameus en kolumnair epitheel.
Belangrijk bij screening (Pap-smear/uitstrijkje): je wil cellen van:
o plaveiselepitheel
o cilinderepitheel
o én vooral de overgangszone (SCJ)
Leeftijdsverschil (klinisch heel belangrijk)
Jonge vrouw (bv. 26 jaar): SCJ ligt vaker meer naar buiten → rode zone/“erosie” kan zichtbaar zijn en is meestal
niet gevaarlijk.
Perimenopauzaal/oudere vrouw (bv. 50 jaar): SCJ schuift meer naar binnen/boven in het kanaal → een opvallend
rode zone extern is dan verdachter en vraagt meer aandacht.
1.3 Bekkenbodem (basisconcept)
Bekkenbodem = “spierplateau” dat organen ondersteunt.
Kernspieren die genoemd worden:
o m. levator ani (belangrijke “ophangspier”, houdt bekkenbodem omhoog)
o m. puborectalis en ilioinguinalis: belangrijk
Koppeling naar pathologie (later in cursus):
, Prolaps/uitzakkingen:
o uterusprolaps
o cystocele (blaas)
o rectocele (darm)
2. Semeiologie en gynaecologisch onderzoek
2.1 Anamnese: verloskundig en gynaecologisch
Verloskundige anamnese (A–P–G–M)
A = abortus (in brede zin; onderscheid: miskraam vs abortus provocatus)
P = para: aantal bevallingen/kinderen die geboren zijn
G = gravida: aantal zwangerschappen
M = moeder: aantal keren “moeder geworden” (contextueel gebruikt)
Daarnaast:
verloop van eerdere zwangerschappen en bevallingen
eerdere gynaecologische operaties (bv. sterilisatie, hysterectomie)
Systeemanamnese: chronische aandoeningen + risico’s die je móét uitvragen
Belangrijk omdat dit keuzes beïnvloedt (bv. anticonceptie):
epilepsie
trombo-embolie (→ oestrogenen liever vermijden bij voorschrijving anticonceptie)
diabetes
gewichtsveranderingen
abusus (roken, alcohol, drugs)
medicatie
sociofamiliaal, beroep, familiale antecedenten
2.2 Typische gynaecologische klachten (met betekenis)
Fluor = abnormale vaginale afscheiding (kleur/geur belangrijk)
Pruritus vulvae = jeuk (klassiek bij schimmelinfectie)
Vulvodynie = chronische/vage vulvapijn (soms neurologisch probleem)
Onderbuikspijn (suprapubisch, adnexaal)
Dyspareunie: pijn bij het vrijen
oppervlakkig (bv. infectie/schimmel, irritatie)
diep (klassiek bij endometriose)
libidoverlies
galactorree (melk/vocht verlies uit tepels)
mastodynie (borstpijn)
, PMS-klachten (ook psychisch): premenstrueel syndroom
Menstruatiegericht:
hoeveelheid bloedverlies (tampons/maandverband)
doorlekken ’s nachts
klonters
Urologisch: pollakisurie, mictalgie, nycturie
Defecatie: constipatie, dyschezie (pijn bij stoelgang), fecale incontinentie
2.3 Klinisch onderzoek: wat, waarom, hoe
Algemeen onderzoek
inspectie: lengte/gewicht, BMI, bloeddruk
tekenen zoals:
o obesitas (relevant voor hormonale keuzes)
o hirsutisme (denk PCOS; polycystische ovaria)
o huidletsels/acne/pigmentatie
o secundaire geslachtskenmerken ontwikkeling (volgens Tanner stadia)
Gynaecologisch onderzoek
voor meeste vrouwen ongemakkelijk
warme kamer en handen
gewicht, lengte, BMI, BD gemeten
uitleg wat men gaat doen
abdominale palpatie
o loslaatpijn
o tumor
o spierweerstand
Lithotomiepositie: klassieke beugels (vroeger) vs voetsteunen (modern)
doel: inspectie uitwendige genitalia + inwendig onderzoek
Onderzoek van de genitalia: speculumonderzoek (kerninstrument)
cervix inspecteren
Pap-smear (uitstrijkje)
vaginale/cervicale wissers (SOA/infectie)
biopsie/poliep verwijderen
colposcopie (microscopisch onderzoek cervix met kleuringen, biopsies gericht)
endometriumbiopsie (pipel; pijnlijk) bij vb. verdikt endometrium
Beeldvorming en scopie
Transvaginale echo
, o endometriumdikte en aspect
o ovaria (follikels zichtbaar)
Pelviene MRI
o vooral nuttig bij vb. (diepe/opervlakkige) endometriose en complexere evaluatie
Laparoscopie
o diagnostisch/therapeutisch via abdomen, onder algemene anesthesie
o Genitaliën via de buikholte zien: prikken in navel met kijkbuis
Hysteroscopie
o kijkonderzoek in de uterus via cervix na dilatatie (vb. poliepen, submucosale myomen)
3. De normale menstruele cyclus
3.1 De cyclus speelt op 4 niveaus
1. Hypothalamus: produceert GnRH (releasing hormone)
2. Hypofyse (anterior kwab): FSH en LH (gonadotrofines) productie
3. Ovaria
o folliculaire fase: vooral oestrogenen
o luteale fase (corpus luteum): vooral progesteron
4. Uterus (endometrium)
o folliculaire fase: proliferatief (trilaminair/drielagig)
o luteale fase: secretoir (homogener echogeen)
3.2 Steroïdhormonen: oorsprong en productieplaatsen
Alle steroïden komen uit cholesterol (cascade met enzymen)
Androgenen: ovaria + bijniercortex + perifeer
Oestrogenen: ovaria + perifeer (vetweefsel produceert ook oestrogenen)
Progesteron: typisch uit ovarium (corpus luteum)
3.3 “2-cell, 2-gonadotropin” concept
FSH werkt op granulosacel (follikel):
o follikelgroei
o stimuleert aromatase → omzetting androgenen → oestrogenen
o induceert LH-receptoren (voor latere fase)
LH werkt vooral op thecacel / luteale component:
o androgenproductie
o eicelmaturatie
o follikelruptuur (ovulatie)
o vorming/onderhoud corpus luteum
3.4 Cyclusverloop met feedback
Folliculaire fase