1. Algemeen
• Parasieten zijn een vorm van symbiose
= samenlevingsvormen tss ≥ 2 verschillende species
o 50% van alle diersoorten zijn parasitair op bepaald stadium van hun levenscyclus
o 100% van dieren en planten kunnen worden geparasiteerd
o Er kunnen meerdere parasieten voorkomen per gastheerspecies
= mixed infecDons
o Soms meerdere gastheren voor 1 parasiet species
-> kan zorgen voor zoönosen
Mutualisme: afhankelijk van elkaar, geen schade
Commensalisme: het ene organisme heeft een voordeel, het andere heeft niks
Parasitisme: het ene organisme heeft een voordeel, voor de andere is het schadelijk
• Parasitologie
= studie van parasitaire samenlevingsvorm
o Parasiet
§ Morfologie, cyclus, biologie, (diagnose)
o RelaDe tss gastheer en parasiet
§ Fysiologie, biochemie, celbiologie, kliniek, pathologie
o Immunologie
§ Immuun mechanismen: humoraal, cellulair, moleculair
o Epidemiologie
§ RelaDe gastheer – parasiet – (vector) – omgeving
o Ziekteleer
§ Farmacologie, kliniek, pathologie
o Behandeling (inleiding)
• DefiniDes
o De aVankelijkheid van de gastheer
§ Obligaat
= parasitair stadium binnen cyclus noodzakelijk
§ FacultaDef
= onaVankelijke, niet parasitaire cyclus mogelijk
• Kan dus ook Djdelijk in de omgeving vrij leven
o Duur van de interacDe
§ Permanent
= volledige cyclus op gastheer, vb luizen
§ Tijdelijk
= deel van cyclus op gastheer, het andere deel in de omgeving
, o Specificiteit van de interacDe
§ Incidenteel
= zeldzaam bij genoemde gastheer
§ ErraDsch
= niet aangepast aan de gastheer
-> brengen een verhoogde pathologie met zich mee, schadelijker
Biologische vector: wanneer een parasiet vermeerdert in deze vector (bv malaria)
Mechanische vector: wanneer een parasiet een vector gebruikt om naar andere
gastheer te gaan (vb dazen)
- Geen vermeerdering maar wel een rol bij infectie nieuwe gastheer
Prepatente vs patente periode
- Prepatente periode is het belangrijkste: bepaalt het interval van behandeling,
om te zorgen dat je geen uitscheiding krijgt
- Patente periode: duurtijd dat je infectieus bent
• Zoönoses
o Directe zoönoses
§ Directe besmeZng
o Cyclozoönoses
§ Gaat via voeding
,• AdaptaDes
o Parasieten willen voorkomen dat hun gastheer ster^, omdat ze zich zoveel mogelijk
willen voortplanten. Hierdoor zijn ze sterk aangepast aan de gastheer.
o Noodzakelijk om zich binnen de gastheer te bestendigen
§ InfecDe, overleving, vermeerdering
o Morfologisch
§ Groobe, vorm, aanpassing van bewegingsorganen, vasthechDngsoranen
(haken, zuignap, klauwen), vermindering CZS (sensoriële funcDes) en
verteringsstelsel (mondkapsel, tanden, snijplaten)
o Levenscyclus
§ Toename van reproducDef potenDeel: ei-producDe, hermafrodisme,
parthenogenesis, verlies van seizoensgebondenheid, snelle rijping tot
volwassen stadium, verlengde levensduur, aseksuele vermeerdering
gedurende meerdere fasen van de levenscyclus, inclusie van secundaire en
terDaire gastheren
o Immunologisch
§ AbsorpDe van ‘host’ anDgeen, anDgenische variaDe, immunologische
‘sanctuary’ sites, disrupDe van de gastheer immuun response, moleculaire
mimicry
o Biochemisch
§ Energiemetabolisme (anaeroob, micro-aerofiel), opname van voedingsstoffen
(toename van transportsystemen)
• Gastheerspecificiteit
o LokalisaDe van de gastheer (host-finding)
§ Ecologische en geografische beperking
• Bv: leverbot
-> als een slak geen biotoop hee^, is er ook geen leverbot
§ Specifieke prikkels (geotaxis, chemotaxis, luminotaxis, abractants, geur)
§ Tussengastheren als onderdeel van voeding
§ Gedragswijziging van tussengastheren
o VesDging in de gastheer
§ Een niet-geschikte gastheer zorgt voor geen infecDe of erraDsche infecDe
• De parasiet hee^ specifieke prikkels nodig van de gastheer
§ Doorboren van huid
§ ‘Hatching’ of ‘exsheaDng’ (temp, pH, redox, verteringsenzymes)
o Groei en voortplanDng
§ Afwezigheid van noodzakelijke gastheer sDmuli
§ Gastheer immuun response – natuurlijke immuniteit
§ EssenDële nutriënten
• Mechanismen van infecDe
o Passief
§ Via voeding - drinkwater (cysten, eieren)
§ Door direct contact (vb sommige protozoa)
§ De parasiet hoe^ geen inspanning te doen
o AcDef
§ Via vectoren (bijtend of zuigend)
§ Speciale ontwikkelingsvormen (larven)
§ VerDcale transmissie (zelden)
, • Overleving en immuniteit
o Ectoparasieten
§ Geen immuniteit, korte interacDe
§ Contact gastheer en parasiet is te kort om een direct effect te krijgen
o Endoparasieten
§ Wel immuniteit door intra/extracellulaire interacDe
§ Intracellular = immune avoidance
§ Extracellulair = immune evasion
• Cel oppervlakte bedekken met gastheer eiwit
• AnDgenische variaDe
• Vorming van beschermende wand (cyste)
• Schadelijke effecten
o Hematofaag = bloedzuigend
o Histofaag = leven van darminhoud
o InfecDe gastro-intesDnaal, waar meer pathogeen?
§ Rectum is lage pathogeniciteit
§ In dikke darm is fysiologische rol beperkt dus ook minder pathogeniciteit
§ Thv het rumen hee^ parasiet niet veel pathologie
§ Thv de dunne darm wel meer relevante patholgoie
o Alles wordt bepaald door infecDedruk
§ Vb: lage druk en hoge weerstand
= subklinische infecDe
o Wanneer gaat een parasiet beter pathogeen zijn
§ Species
• Het ene species is meer pathogeen dan de andere
§ InfecDedruk
• Hoeveel van de parasiet komt voor
• Als men behandelt binnen de prepatente fase, zal de infecDedruk
lager zijn
§ LokalisaDe
• Waar de parasiet voorkomt
§ Stadium
• Bepaalde cycli kennen een sterke migraDe doorheen het lichaam
o Gevoeligheid aVankelijk van verschillende factoren bij de gastheer
§ Lee^ijd: heel jong en heel oud
§ Voeding: ondervoeding is risico op infecDe
§ Immuuntoestand: zwangerschap werkt immunosuppresief, aids, diabetes
§ Fysiologische toestand: zwangerschap
o Gevolgen
§ WasDng, spoliaDe
• Verlies van opgenomen stoffen door bv diarree
§ SuperinfecDe
• Migrerende parasiet kan zorgen dat een bacterie wordt meegesleurd
§ ….