Informatie Brightspace
Pandrecht op vorderingsrechten
Vorderingsrechten of vorderingen op naam zijn vermogensrecht art. 3:6. Een
vordering op naam is het recht v.d. schuldeiser op een bepaalde prestatie van
zijn schuldenaar, die voortkomt uit een tussen hen bestaande verbintenis.
Vorderingsrecht zijn goederen en art. 3:83 bepaalt dat vorderingsrechten ib
overdraagbaar zijn.
Voor de vestiging van een beperkt recht op en goed geldt de schakelbepaling van
art. 3:98: de regels voor overdracht van een bepaald soort goed zijn van
overeenkomstige toepassing op de vestiging van een beperkt recht op dat
bepaalde soort goed. Een pandrecht is een beperkt recht, dus de regels voor de
overdracht van een vordering gelden ook voor de vestiging van een pandrecht op
een vordering. Voor de vestiging van een pandrecht op een vorderingsrecht moet
dus worden voldaan aan de eisen van art. 3:84 lid 1 en (voor de levering) aan de
eisen van art. 3:94.
Kennisclip: de overdraagbaarheid en verpandbaarheid van vorderingen
Goederen kunnen o.a. door overdracht worden verkregen.
Art. 3:84 lid 1 BW regelt de 3 vereisten voor overdracht van een goed:
1. Geldige titel (de ovk die ten grondslag ligt aan de overdracht)
2. Beschikkingsbevoegdheid (degene die overdraagt dient rechthebbende te
zijn); en
3. Een leveringshandeling (de vereisten voor levering hangen af v.d. vraag
wat overgedragen wordt.)
Maar voorafgaand aan de vraag of aan de drie vereisten voor overdracht is
voldaan, geldt nog het vereiste dat voor overdracht alleen in aanmerking komen
die goederen die op grond van art. 3:83 lid 1 BW overdraagbaar zijn.
Volgens art. 3:83 lid 1 BW zijn eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten
overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht
verzet. Een uitzondering op art. 3:83 lid 1 BW is art. 3:83 lid 2 BW: volgens dit
artikel kan de overdraagbaarheid van vorderingsrechten worden uitgesloten door
een beding tussen schuldeiser en schuldenaar.
Maar hoe werkt dit beding precies? Is het voldoende als schuldeiser en
schuldenaar afspreken dat de vordering niet overgedragen mag worden?
Betekent een dergelijke afspraak dat deze ook van invloed is op het vestigen van
pandrechten op vorderingen?
Op grond van de schakelbepaling van art. 3:98 BW gelden voor het vestigen van
een beperkt recht immers dezelfde vereisten als voor overdracht van het goed
waarop het beperkte recht rust. Dat betekent dat een goed dat onoverdraagbaar
is, in beginsel ook niet overgedragen kan worden en dus ook niet bezwaard kan
worden met een beperkt recht.
Wil men een pandrecht vestigen op een vordering, dan moet die vordering dus
overdraagbaar zijn. Als de vordering onverpandbaar is, komt het pandrecht
namelijk niet tot stand. De regels over de overdraagbaarheid van vorderingen
,zijn van overeenkomstige toepassing op de vestiging van een pandrecht op een
vordering.
Betekent het voorgaande dat indien schuldeiser en schuldenaar afspreken dat de
vordering onoverdraagbaar is, deze vordering ook niet verpand kan worden?
Over deze problematiek wees de Hoge Raad drie arresten, t.w.:
1. Oryx/Van Eesteren van 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168;
2. Coface/Intergamma van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682;
3. Rabobank/Ten Berge q.q. van 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:984.
Uit de drie arresten blijkt het volgende:
1. Oryx/Van Eesteren (2003)
Een beding dat de overdraagbaarheid van een vordering uitsluit kan
goederenrechtelijke werking hebben. De vordering is reeds o.g.v. art. 3:83
BW onoverdraagbaar waardoor er dus geen overdracht tot stand komt. In
een dergelijk geval komen wij dus niet toe aan de toetsing van de
vereisten van art. 3:84 lid 1 BW.
2. Coface/Intergamma (2014)
Niet elke afspraak tussen partijen o.g.v. art. 3:83 lid 2 BW heeft
goederenrechtelijke werking. Het uitgangspunt is dat een beding tussen
partijen in beginsel verbintenisrechtelijke werking heeft, tenzij uit de naar
objectieve maatstaven uit te leggen formulering blijkt dat daarmee
goederenrechtelijke werking in de zin van art. 3:83 lid 2 BW is bedoeld;
3. Rabobank/Ten Berge q.q. (2022)
Een goederenrechtelijk onoverdraagbare vordering is ook onverpandbaar:
beperkte rechten kunnen alleen gevestigd worden op een zelfstandig en
overdraagbaar recht (art. 3:228 BW). Ook de schakelbepaling van art. 3:98
BW brengt met zich dat alleen op overdraagbare goederen beperkte
rechten gevestigd kunnen worden.
,College 9 juni 2026
De zekerheidsrechten
- Art. 3:227 lid 1 BW
- Vestig je altijd tot zekerheid van terugbetaling van een vordering.
- Op registergoederen: kan alleen een hypotheek gevestigd worden.
- Op niet- registergoederen: een pandrecht.
- Een zekerheidsrecht wordt dus gevestigd om zekerheid te geven over de
terugbetaling van een geldsom (= een vordering).
Voorbeelden registergoederen art. 3:10
- Onroerende zaken
- Beperkte rechten op onroerende aken
- Teboekgestelde schepen
- Teboekgestelde luchtvaartuigen
- Appartementsrecht
Hoe vestig je een zekerheidsrecht?
Art. 3:98 = schakelbepaling: de vestigingsvereistenen voor het vestigen van een
beperkt recht zijn dezelfde als gelden voor overdracht v.h. goed waarop het
beperkte recht rust.
Vereisten voor overdracht (en dus vestiging)
- Art. 3:83: het goed waarop het beperkte recht gevestigd wordt dient
overdraagbaar te zijn.
- Art. 3:84:
1. Geldige titel: ovk tot vestigen v.h. zekerheidsrecht
2. Beschikkingsbevoegdheid: degene die het zekerheidsrecht vestigt
dient gerechtigd te zijn tot het goed.
3. Vestigingshandeling: pandrecht? Hypotheekrecht?
Vereisten voor vestiging van een pandrecht
1. Art. 3:98
2. Art. 3:83: het goed waarop het beperkte recht gevestigd wordt, dient
overdraagbaar te zijn.
3. Art. 3:84
1) Geldige titel: ovk tot vestiging v.h. pandrecht.
2) Beschikkingsbevoegdheid: degene die het pandrecht vestigt dient
eigenaar te zijn v.d. roerende zaak.
3) Vestigingshandeling: hangt af v.h. goed waarop het pandrecht
wordt gevestigd en van welk pandrecht er sprake is.
Vestigen pandrecht op een roerende zaak
- Op roerende zaken
a. Vuistpand art. 3:236 lid 1
o Door de zaak te brengen in de macht v.d. pandhouder.
o Degene die het pandrecht vestigt = de pandgever.
o Degene die het pandrecht als zekerheidsrecht verkrijgt = de
pandhouder (veelal de bank).
b. Vuistloos pandrecht (ook: stil pandrecht) art. 3:237 lid 1
o Bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte.
Vestiging pandrecht op een vordering
- ook hier zijn 2 verschillende soorten pandrechten
, a. openbaar pandrecht (medegedeelde pandrecht)
o art. 3:236 lid 2 jo. 3:94
o art. 3:236 lid 2: op andere goederen wordt pandrechtrecht
gevestigd op overeenkomstige wijze als voor de levering v.h. te
verpanden goed is bepaald.
o Art. 3:94 (leveren vordering): buiten de in het vorige artikel
geregelde gevallen worden tegen een of meer bepaalde
personen uit te oefenen rechten geleverd door een daartoe
bestemde akte, en mededeling daarvan aan die personen door
de vervreemder of verkrijger.
b. stil pandrecht op een vordering
o art. 3:239 lid 1: bij authentieke of geregistreerde onderhandse
akte, zonder mededeling.
Heel belangrijk:
- bij een pandrecht op een vordering, zijn er altijd 2 vorderingen:
1. de vordering tot zekerheid waarvoor het pandrecht strekt (= de
vordering v.d. bank op A).
2. De vordering waarop het pandrecht rust. (= vordering die de
pandgever heeft bezwaard met het pandrecht t.b.v. de bank en is dus
het object v.h. pandrecht).
- Onderscheid is o.a. van belang voor het zaaksgevolg en omdat de
vordering WAARVOOR toekomstig kan zijn. De vordering waarop kan NIET
toekomstig zijn.
Art. 3:237 lid 3: afgifte roerende zaak: als je als pandhouder een pandrecht hebt
op een roerende zaak, die je niet onder je hebt (vuistloos pandrecht), hoe kun je
dan overgaan tot executie, want je hebt het niet onder je? Dat regelt dit artikel.
Als je als pandhouder een goede grond hebt om te vrezen dat de pandhouder
tekortschiet of tekort gaat schieten, ben je bevoegd te vorderen dat de zaak of
het toonderpapier in zijn macht of in die van een derde wordt gebracht.
Executie van een pandrecht op een vordering
- Een vordering wordt niet geëxecuteerd, maar de zekerheidsgerechtigde
kan betaling verlangen v.d. vordering aan hem.
- Art. 3:246 lid 1: rust het pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder
bevoegd in en buite rechte nakoming daarvan te eisen en betalingen in
ontvangst te nemen. Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever, zolang
het pandrecht niet aan de schuldenaar v.d. vordering is medegedeeld.