EEN ENQUÊTE OPSTELLEN
Onderzoeksontwerp: wat instrument: gestandaardiseerde vragenlijst
gesloten: waarnemingsvragen antwoorden
o Diverse vormen van enquêtevragen (pp.142-147)
o Diverse antwoordmogelijkheden (pp.148-152)
o Opbouw vragenlijst (pp.152-154)
ENQUÊTEVRAGEN
SOORTEN
o Gesloten vragen
“Hoe tevreden bent u over de dienstverlening in deze
organisatie?”
“Heel ontevreden, ontevreden, eerder ontevreden, eerder
tevreden, tevreden, heel tevreden”
o Halfopen vragen
“Welke sport beoefent u?”
“lopen, fietsen, zwemmen, voetbal, tennis, volleybal,
andere: ….”
“Hoe oud bent u?”
“… jaar” (numeriek open einde)
Optie “andere”
o Open vragen
Numeriek open einde
“Hoe oud bent u?”
Niet opnemen als waarnemingsvraag verwerking +
gestandaardiseerd karakter verdwijnt
Enkel als afsluitende vragen, bv. “Hebt u nog iets toe te
voegen?”
o Enkelvoudige vragen
Slechts 1 antwoord aanduiden
Dichotoom: twee antwoordmogelijkheden, bv. ja/nee of
ontevreden/tevreden
Rangschikkingsvragen
Antwoorden ordenen bv. in functie van belangrijkheid,
waarbij 1 staat voor zeer onbelangrijk en 5 heel belangrijk
o Meervoudige vragen
, Meerdere antwoorden aanduiden
o Likertschalen – meetschalen
Meerdere (enkelvoudige) enquêtevragen
Zelfde antwoordschaal – schaalvragen, bv. helemaal oneens
helemaal eens
bv. schaal zelfwaardering Rosenberg
VRAGEN OPSTELLEN
o Formuleer de vragen kort en bondig (maximaal 20-25 woorden)
Minder kans op afhaking en zullen het volledig lezen ipv half
o Stem de vragen af op de doelgroep
Taal afgestemd op kennis van doelgroep
Pretest: vooraf vragenlijst afnemen van die doelgroep voor
eventuele verbetering
o Stel geen suggestieve vragen
Respondent al in bepaalde richting sturen, onderzoekereffect
“Vindt u ook dat de directeur de pestkoppen op school strenger
moet bestraffen? Ja/nee”
o Stel geen dubbele vragen
Je kan verschillende mening hebben per onderwerp dat in 1
vraag staat.
“Ik hecht belang aan correctheid en engagement bij
hulpverleners”
o Formuleer vragen met een tijdsdimensie zo concreet mogelijk
“Bent u in de afgelopen 12 maanden slachtoffer geweest van …”
o Vermijd dubbele negaties
--+
Niet: “Ik heb niet het gevoel dat mijn organisatie mij niet
voldoende ondersteunt wanneer ik geconfronteerd word met
agressie tijdens mijn werk”
Wel: “Mijn organisatie ondersteunt mij voldoende wanneer ik
geconfronteerd word met agressie tijdens mijn werk”
o Gebruik zowel positief als negatief geformuleerde vragen
, Zie voorbeeld schaal Rosenberg
o Vermijd primacy- en recency-effecten
Primacy: eerste wat je hoort onthoud je het beste
Recency: wat je het laatste hoort onthoud je het beste
“Bent u ervoor dat de doodstraf terug zou worden ingevoerd in
ons land of bent u ertegen?”
o Gebruik open vragen bij vragen naar aantallen
Wel: inkomen
Niet: leeftijd
Gebruik van categorieën/klassen?
ANTWOORDMOGELIJKHEDEN
o Even of oneven aantal antwoorden
Oneven= neutraal
Mening vs kennisvragen
o Geen mening vs. ik weet het niet (altijd: het is oké
om iets niet te weten)
o Antwoorden moeten bij de vraag passen
o Antwoorden in een logische volgorde
“Hoger onderwijs, secundair onderwijs, lager onderwijs (of
omgekeerd)”
“Van ontevreden naar tevreden of van tevreden naar
ontevreden”
o Overlap vermijden
Vooral bij categorieën/klassen
Vb: 0-5, 5-10, 10-15
o Uitputtende antwoordmogelijkheden
Je moet optie kunnen terugvinden.
Hoeveel verdien je netto per maand? “€ 1500-1999, € 2000-
2499 en € 2500 of meer”
o Evenwichtig aantal antwoordenmogelijkheden bij schaalvragen