Natuurkunde samenvatting hoofdstuk 4
Paragraaf 1
In een combiketel van een cv-installatie wordt aardgas verbrandt. De chemische energie in de
brandstof wordt dan omgezet in warmte. Zo’n energie-omzetting kun je weergeven in een
energie-stroomdiagram. De pijl links stelt de energie voor die de warmtebron opneemt (verbruikt)
en de pijl recht stelt energie voor die de warmtebron afstaat (levert).
De wet van behoud van energie geeft aan dat de totale hoeveelheid in energie bij een energie
omzetting niet veranderd. Er gaat dus geen energie verloren bij energie-omzetting.
De combiketel gebruikt gas (chemische energie) en levert warm water (warmte). De kwaliteit van de
energiesoort geeft aan hoe bruikbaar de energiesoort is, dus voor hoeveel doelen je het kunt
gebruiken.
Bij het verwarmen van water neemt de gemiddelde snelheid van de watermoleculen toe en daar is
energie voor nodig. De warmte die het water opneemt, wordt dus gebruikt om water moleculen
sneller te laten bewegen.
Als water 100°C is stijgt de temperatuur niet meer, de warmte wordt dan gebruikt om de afstand
tussen de moleculen sterk te vergroten.
Als de temperatuur daalt neemt de gemiddelde snelheid van moleculen af.
Het absolute nulpunt = de temperatuur van een stof waarbij de temperatuur niet verder kan
afkoelen
De temperatuurschaal van Kelvin is gebaseerd op het feit dat het absolute nulpunt voor alle stoffen
gelijk is aan -273°C.
0 kelvin (K) = -273°C
Warmtemeter = een meter waarmee je nauwkeurig kunt meten hoeveel warmte er nodig is voor het
verwarmen van een bepaalde hoeveelheid vloeistof.
De dompelaar in de warmtemeter zet elektrische energie om in warmte. Omdat het bakje goed
geïsoleerd is wordt vrijwel alle geproduceerde warmte door het water opgenomen.
Soortelijke warmte (c) = de hoeveelheid warmte die nodig is om 1,0 g van een stof 1,0°C in
temperatuur te laten stijgen
cwater = 4,18 J/g x °C
Paragraaf 1
In een combiketel van een cv-installatie wordt aardgas verbrandt. De chemische energie in de
brandstof wordt dan omgezet in warmte. Zo’n energie-omzetting kun je weergeven in een
energie-stroomdiagram. De pijl links stelt de energie voor die de warmtebron opneemt (verbruikt)
en de pijl recht stelt energie voor die de warmtebron afstaat (levert).
De wet van behoud van energie geeft aan dat de totale hoeveelheid in energie bij een energie
omzetting niet veranderd. Er gaat dus geen energie verloren bij energie-omzetting.
De combiketel gebruikt gas (chemische energie) en levert warm water (warmte). De kwaliteit van de
energiesoort geeft aan hoe bruikbaar de energiesoort is, dus voor hoeveel doelen je het kunt
gebruiken.
Bij het verwarmen van water neemt de gemiddelde snelheid van de watermoleculen toe en daar is
energie voor nodig. De warmte die het water opneemt, wordt dus gebruikt om water moleculen
sneller te laten bewegen.
Als water 100°C is stijgt de temperatuur niet meer, de warmte wordt dan gebruikt om de afstand
tussen de moleculen sterk te vergroten.
Als de temperatuur daalt neemt de gemiddelde snelheid van moleculen af.
Het absolute nulpunt = de temperatuur van een stof waarbij de temperatuur niet verder kan
afkoelen
De temperatuurschaal van Kelvin is gebaseerd op het feit dat het absolute nulpunt voor alle stoffen
gelijk is aan -273°C.
0 kelvin (K) = -273°C
Warmtemeter = een meter waarmee je nauwkeurig kunt meten hoeveel warmte er nodig is voor het
verwarmen van een bepaalde hoeveelheid vloeistof.
De dompelaar in de warmtemeter zet elektrische energie om in warmte. Omdat het bakje goed
geïsoleerd is wordt vrijwel alle geproduceerde warmte door het water opgenomen.
Soortelijke warmte (c) = de hoeveelheid warmte die nodig is om 1,0 g van een stof 1,0°C in
temperatuur te laten stijgen
cwater = 4,18 J/g x °C