Tijd van jagers en boeren
1.2
Irrigatielandbouw: door kanalen te graven kon rivierwater naar de akkers gebracht worden. Bij
overstromingen werd het overtollig water opgevangen door dammen. —> grotere oogsten.
Om het op te bouwen en onderhouden moesten boeren goed samenwerken. De bevolking groeide
hierdoor: dorpen in Mesopotamië en Egypte waren rond 3500v.Chr. uitgegroeid tot steden.
Kenmerken:
- De landbouwopbrengst was groot
- Mensen konden zich specialiseren in andere dingen: er ontstonden beroepen.
- Kunstvoorwerpen
- Het bestaan van massaproductie
- Veel bouwwerken: paleizen, tempels.
- Hiërarchisch opgebouwd: slaven – boeren – ambachtslieden en soldaten – priesters –
koninklijke familie
- Polytheïsme: geloven in meerdere goden
De samenleving in stadstaten was complex: het was lastig om alles mondeling te doen: het schrift
ontstond.
1.3
Staat: grotere aaneengesloten gebieden onder leiding van een koning.
- Ambtenaren zorgden ervoor dat de wetten werden uitgevoerd.
- De farao en koning waren opperbevelhebber van het leger dat kon worden ingezet voor
binnen- en buitenlandse opstanden.
- Het belastingsysteem om de ambtenaren en het leger te financieren en bouwwerken te
betalen.
- Goddelijke legitimering: de koning en de farao waren goddelijk. De farao stond tussen de
gewone Egyptenaren en de goden.
- Propaganda: de meeste zagen hun koning nooit in levende lijven. Er werden standbeelden en
versieringen geplaatst. Dat diende als propaganda.
2.1
Griekenland was in de oudheid geen politieke eenheid maar bestond uit zelfstandige stadstaten:
poleis. Elke poleis was trots op hun eigen politieke zelfstandigheid maar tegelijk voelde ze zich
onderdeel van de Griekse beschaving: de bestuursvorm in elke poleis was anders maar de cultuur
hetzelfde. Vormen van bestuur:
- Monarchie: de koning is door erfopvolging aan de macht gekomen.
- Aristocratie: bestuur door een groep edelen
- Tirannie: bestuur door een alleenheerser
- Democratie: bestuursvorm waarin het volk met burgerschap (mannen) de grootste macht
heeft
- ontstaan in 509v.Chr. In Athene
- Directe democratie: om te kunnen stemmen moet een burger persoonlijk aanwezig zijn bij de
vergadering.
Hellenisme: het verspreiden van de Griekse cultuur. Alexander de Grote deed dat ver buiten
Griekenland.
,2.2
Wetenschappelijk denken: het systematisch onderzoeken van de werkelijkheid en die verklaren met
behulp van eigen waarneming en logisch redeneren. Drie voorbeelden:
1. Hippocrates: vader van de geneeskunde
2. Herodotos: uitgaan van feiten
3. Socrates
2.3
509v.Chr.: Rome was een republiek, de adelijke families hadden de meeste macht.
- Ze hadden honger naar macht en status —> gebiedsuitbreiding daardoor:
1. Meer belasting inkomsten
2. Landbouwgrond
3. Slaven
Julius Caesar:
- Hij was een generaal
- Hij is erg populair bij de soldaten en het romeinse volk
- Hij krijgt politieke macht maar mensen zijn bang dat hij een alleenheerser word dus wordt hij
vermoord.
27v.Chr. : Rome werd een keizerrijk onder leiding van de geadopteerde zoon van ceasar: 1 e keizer
octavianus (augustus)
Pax Romana: de eerste 2 eeuwen na Chr., romeinse bloei en vrede.
2.4
Kenmerkend aspect: klassieke Grieks-Romeinse vormentaal.
Griekse tempels hebben klassieke vormen met: zie tekening
2 romeinse verbeteringen in de bouwkunst zijn het beton en de boogconstructie: koepels. Een boog
maakte een bouwconstructie steviger.
2.5
Kenmerkend aspect: ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste
monotheïstische godsdiensten.
Monotheïstisch: geloven in een god —> probleem voor de Romeinen want ze vereren de keizer niet
meer als god daardoor was er veel onrust en vervolgingen.
Christendom
- Naastenliefde: voor elkaar zorgen
- Aantrekkelijk voor arme, slaven en vrouwen want status en rijkdom waren niet belangrijk.
- Plicht: het golf te verspreiden.
, 313: keizer Constantijn: zorgde ervoor dat het christendom dezelfde rechten kreeg als alle andere
godsdiensten.
391: keizer theodosius: het christendom werd de staatsgodsdienst van het romeinse rijk. Hij verbood
de verering van alle goden behalve die van de christenen.
Martelaar: iemand die sterft voor zijn geloof.
476: einde west-romeinse rijk.
3.1
Gevolgen val West-Romeinse rijk:
- Geld economie verdwijnt
- De handel nam —>
- Er woonde minder mensen in de steden —> ze raakte in verval
- Goeiende onveiligheid
- Infrastructuur vervalt
Sociaal-economisch
Domein: landgoed waaraan horigen waren gebonden. Het werd bewerkt volgens het hofstelsel. Het
was verdeeld in 2 delen: het vroonland met het klooster en de akkers van de heer en het hoeveland
met akkers van de horigen:
- De boer moest op de grond werken van de heer en hij kreeg bescherming in ruil voor een
deel van de oogst en hij moest allerlei diensten voor de heer verrichten . Horigen waren
gebonden aan de grond.
Politiek
Vroege middeleeuwen —> problemen:
- Geldeconomie verdween
- Infrastructuur werd minder
- Ongeletterdheid —> moeilijk te besturen:
Hoe te besturen: feodalisme
800: Karel de Grote: leenheer
Leenman/ vazal: mocht grond van de leenheer gebruiken om van te leven, het werdt niet zijn
eigendom.
- Trouw zweren aan leenheer met raad en daad bijstaan
Raad: de heer adviseren over besturen
Daad: de leenman moest soldaten leveren aan de leenheer.
2 problemen:
1. Leenmannen gaan hun grond zien als erfelijk bezit. Hierdoor kreeg de leenheer steeds minder
macht over zijn land
2. Achtermannen: een leenman werdt zelf een leenheer doodat hij een stukje van het land waar
hij op leefde uitleende aan een andere leenman —> versnippering van het rijk.
3.2
Koningen en geestelijken hebben elkaar nodig: wanneer een koning zich bekeerde deden zijn
onderdanen dat ook. Koningen beschermde geestelijken en schonken grond en andere goederen. In
ruil daarvoor stelde geestelijke documenten op en vervulden ze diplomatieke missies. Ook
legitimeerde de kerk de macht van de koning door te zeggen dat de koning was aangewezen door god
en dus moest worden gehoorzaamd.
Missionarissen: mensen die het Christelijke geloof proberen de versprijden, dat deden ze soms ook
met geweld. Hiervoor hadden ze de bescherming nodig van de wereldlijke macht. (Koning)
Missionarissen deden hun werk vanuit een klooster. Ze waren gesticht door mensen die zich volledig
wilden wijden aan god en alle verleiding weg wilde nemen en zich daarom afzonderde van de wereld.
Ze leefden volgens een regel: regel van Benedictus(480-550): kloosterlingen moesten hun leven
doorbrengen met bidden, studeren en werken. Ook moesten ze in armoede leven(naastenliefde,
Jezus) dit lukte niet altijd door alle schenkingen.