HC Intro + Koorts / Luchtweginfecties
Er zijn twee soorten klachten: systemische en lokale. Systemische klachten
ervaart de patiënt door het hele lichaam, zoals koorts, vermoeidheid,
verwardheid en zich ziek voelen. Lokale klachten beperken zich tot een gebied,
zoals hoesten, sputum, kortademig en pijn op de borst. Epidemilogische clues
zijn aanwijzingen voor de oorzaken van infecties of virussen, zoals vogels,
kinderen of reizen.
De vijf tekenen van inflammatie (ontsteking) zijn: warmte, roodheid, zwelling,
pijn en functieverlies.
De lichaamstemperatuur kan perifeer gemeten worden (oor, oksel, oraal) of
centraal (rectaal, oesofageaal, longslagader). De perifere meting is altijd 0,6
graden lager dan de centrale. De lichaamstemperatuur ligt normaal tussen de
35,5 en 37,7 graden, gemiddeld 36,7 graden (oraal). Bij een hogere leeftijd, een
lager BMI en het mannelijk geslacht ligt de lichaamstemperatuur gemiddeld wat
lager.
Kerntemperatuur: in de dieper gelegen organen (receptor
hypothalamus);
Schiltemperatuur: perifere temperatuur (receptor ruggenmerg, diepe
abdominale en thoracale weefsels, maar voornamelijk in de huid).
Neuronen in de anterieure en posterieure hypothalamus registreren de
bloedtemperatuur/kerntemperatuur en integreren de thermo-informatie uit de
huidoppervlak en diepere weefsels. Het anterieure gedeelte van de
hypothalamus fungeert als thermostaat en regelt het warmteverlies. Het
posterieure gedeelte van de hypothalamus regelt warmteproductie, behoud van
warmte en is de schakeling naar de hersenstam.
De hypothalamus ontvangt informatie van de thermoreceptoren (bloed en
externe temperatuur). De hypothalamus kan verschillende onderdelen aansturen:
Gladde spiercellen in de arteriolen: vasoconstrictie (vasthouden) en
vasodilatatie (afgeven);
Zweetklieren: zweetverdamping op de huid (afgeven);
Kippenvel-spieren: haren gaan rechtop staan (vasthouden);
Skeletspieren: rillen, warmteproductie door spiergebruik (vasthouden);
Bijnieren en schildklier: metabole veranderingen.
Een verhoogde temperatuur wordt een hyperthermie genoemd. Een
heatstroke (zonnesteek) kan voorkomen bij bepaalde medicatie (drugs) of
sommige metabole ziekten, maar meestal is dit een combinatie van exogene
hitte en endogene warmteproductie. Er is dan geen reset van de thermoregulatie.
De reset van de thermoregulatie is koorts, het lichaam probeert de
warmtehomeostase te hanteren. Koorts heb je bij een temperatuur hoger dan
37,8 graden. Een hyperpyrexie is > 41,5 graden, hierbij gaan er enzymen kapot.
Hypothalaam endotheel maakt prostaglandine E2 (PGE2). Prostaglandine E2
zorgt ervoor dat de thermostaat van de hypothalamus omhoog gaat, er is een
,reset van de thermoregulatie (koorts). Exogene pyrogenen activeren leukocyten
die cytokines maken, waardoor de prostaglandine E2 productie toeneemt.
Pyrogenen zijn stoffen die koorts veroorzaken. Er zijn verschillende soorten
pyrogenen:
Exogeen: de meesten zijn producten van micro-
organismen.
Endogeen: cytokinen (bv. TNF, IL-1 of IL-6) die
geproduceerd worden door o.a. monocyten,
neutrofielen, lymfocyten en macrofagen.
Door het remmen van de PGE2 zou de koorts
onderdrukt kunnen worden. Corticosteroïden remmen
het fofolipase waardoor er minder arachidonzuur is en
uiteindelijk minder PGE2. NSAID’s remmen de cyclo-
oxygenase (COX) dat het arachidonzuur omzet in
PGE2. Paracetamol en aspirine doen dit ook, maar deze zijn veel zwakker.
Koorts betekent niet direct dat men een infectie heeft. Koorts kan ook voorkomen
bij maligniteiten, ontstekingen of andere oorzaken.
Terminologie:
Ontsteking = een reactie van het lichaam op de beschadiging/irritatie
van weefsels, er is hier geen micro-organisme bij betrokken.
Infectie = het proces waarbij een micro-organisme het lichaam
binnendringt, zich nestelt en zich vermenigvuldigd.
Bacteriemie = ernstige infectie waarbij het micro-organisme in het bloed
gekomen is.
Sepsis = een systemische reactie van het lichaam bij een bacteriemie.
Vaak zijn de gevolgen van een sepsis, het falen van meerdere organen.
qSOFA (quick SOFA) criteria:
o Systolische bloeddruk < 100 mmHg
o RR > 22/min
o Verwardheid
Septische shock = een ernstige sepsis met een lage bloeddruk en een
hoge pols, dit kan het gevolg zijn van een shock en leiden tot een
verminderde perfusie en orgaanfalen.
Casus:
Een man (68) heeft als onderliggend lijden diabetes mellitus en coronair lijden.
Hij komt met de klachten koorts en hoesten bij de huisarts.
o Voelt u zich ziek? (malaise)
o Verwardheid
o Sputum? Welke kleur?
o Kortademigheid?
o Pijn op de thorax?
De klachten van de patiënt waren koorts, hoesten met groenige
sputumproductie en kortademigheid. De amoxicilline die door de huisarts
voorgeschreven is, heeft niet geholpen. De arts gaat nu op zoek naar
epidemiologische clues. Deze waren afwezig.
Bij lichamelijk onderzoek was een matig zieke man te zien met een hoge
ademfrequentie (normaal = 12/14), normale bloeddruk, hoge pols en een
,zuurstofsaturatie van 96% (met zuurstof). De temperatuur was 38,9 graden. Bij
het ausculteren van de longen hoort de arts wat crepiteren links en verder
geen afwijkingen.
Bij labonderzoek was er een hoog CRP en een iets verhoogd leukocyten gehalte
gemeten, dit is een maat voor inflammatie. Een X-thorax geeft zekerheid van
een pneumonie (longontsteking).
HC Immunologie 1: kennismaking met het afweersysteem
Introductie immuunsysteem
Immunologie is de wetenschap die onderzoek doet naar het immuunsysteem:
de afweermechanismen die in organismen voorkomen tegen binnengedrongen
organismen en lichaamsvreemde cellen/stoffen.
De immuunrespons hoort adequaat te zijn. Als er te weinig immuunrespons is kan
je last krijgen van infectieziekten (extern) of kanker (intern). Als er te veel
immuunrespons is kan je last krijgen van een allergie (extern) of een auto-
immuunziekte (intern). Een ziekteverwekker induceert een besmettelijke ziekte.
De status van de gastheer, ofwel de vatbaarheid/weerbaarheid, bepalen hoe deze
erop reageert.
Interactie tussen aangeboren & verworven
Het doelwit van het immuunsysteem zijn de pathogenen of de geïnfecteerde
cellen. Om deze te bestrijden worden pathogenen gedood/afgebroken
(extracellulair) of geïnfecteerde cellen afgebroken (intracellulair). De
effectorfuncties zijn de middelen die we hiervoor gebruiken:
Lysis van bacteriën (complement afhankelijk)
Fagocytose & intracellulaire killing
Opsonisatie / Neutralisatie
Apoptose inductie
Het immuunsysteem begint met barrières, dit kan de cilia, slijm of het epitheel
zijn. Als de barrière doorbroken wordt, zal eerst het aangeboren systeem
reageren. Het aangeboren systeem heeft het doel de bacteriën te doden of tijd te
rekken voor het adaptieve systeem. Deze bestaat uit:
Mast cellen -> histamine afgifte induceert een acute ontstekingsreactie
Fagocyten
o Macrofagen -> fagocytose + oproepen neutrofielen middels
cytokinen
o Neutrofielen -> fagocytose
Dendritische cellen -> schakeling naar het adaptieve immuunsysteem
Complement eiwitten -> opsonisatie + lysis van pathogenen
Cytokinen (eiwitten) -> ontstekingsreactie
Fagocyten herkennen micro-organismen op grond van hun oppervlak / genoom
als gevaarlijke stoffen. PAMPS (Patterns Associated with Molecular Pathogenesis)
zijn patronen die herkent worden door een fagocyt. De receptoren waarmee zij dit
, doen zijn PRR’s (Pattens Recognition Receptor). In dit proces wordt bepaald wat
voor micro-organisme de ziekteverwekker is.
Ontstekingsreactie in een overzicht:
1) De barrière wort doorbroken, micro-organisme treedt binnen.
2) Micro-organismen activeren de macrofagen (aangeboren afweer).
3) Macrofagen geven anti-ontstekingsmoleculen af.
4) De permeabiliteit van de bloedvaten neemt af: vocht, eiwitten en cellen
kunnen makkelijker naar het ontstoken gebied.
5) Complement en antilichamen vernietigen micro-organismen.
6) Chemokines zorgen voor de migratie van leukocyten naar het weefsel.
7) Fagocyten nemen micro-organismen op.
Dendritische cellen
presenteren het pathogeen aan
de T-cellen via het lymfesysteem.
Een actieve T-cel kunnen
geïnfecteerde cellen herkennen
en verwijderen, daarbij kunnen ze
ook de B-cellen stimuleren of zelf
de macrofagen op de plek van
invasie te ondersteunen. De B-
cellen produceren een
antilichaam tegen de
ziekteverwekker, als er sprake is
van herinfectie vindt de productie
sneller plaats. De T- en B-lymfocyten vormen het adaptieve systeem, dit proces is
trager maar wel specifieker.
Macrofagen zijn in kleine getallen aanwezig in het weefsel en zijn belangrijk
voor de signalering. De neutrofiele granulocyten zijn dus de belangrijkste
opruimers.
Een antigeen (Ag) is een molecuul(samenstelling) op het
membraan/wand van de pathogeen. Een
antistof/antilichaam/immunoglobuline (Ig) is de stof die het
lichaam maakt om het antigeen te labelen. Een neutrofiele granulocyt
grijpt aan op het continue of niet-specifieke deel van een antistof,
waardoor fagocytose geïnduceerd wordt.
Verschil aangeboren en adaptieve (verworven) afweer
Innate (aangeboren) Verworven
o Snelle reactietijd o Trage reactietijd
o Beperkte herkenning o Diverse herkenning (specifiek)
o Cellen zijn al massaal aanwezig o Geheugen
De 5 kenmerken van het afweersysteem
Kenmerk nr. 1: herkenning eigen en lichaamsvreemde cellen