Inhoudsopgave
WEEK 1................................................................................................................... 1
HC1 Bouw en algemene organisatie CZS, vaten en vliezen................................1
HC2 Ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel................................................5
PB1 Anamnese in de neurologie..........................................................................9
HC3 Baansystemen............................................................................................. 9
HC4 Corticale functies....................................................................................... 13
PB2 Revalidatie na een hersenbeschadiging.....................................................16
HC5 Verlamming 1: centraal – perifeer, centrale syndromen............................16
HC6 Epidurale en subdurale bloedingen...........................................................17
PB3 Subarachnoïdale bloeding – met patiëntvoorbeelden................................19
WEEK 2................................................................................................................. 19
HC7&8 Neuronen, bouwstenen van het zenuwstelsel.......................................19
HC9 Synaptische communicatie tussen neuronen............................................22
HC10 Verlamming 2: herhaling onderscheid centraal – perifeer: perifere
syndromen........................................................................................................ 23
HC11 Focale uitval aan de hand van casussen..................................................24
WEEK 3................................................................................................................. 26
HC12 Hersenzenuwuitval a.d.h.v. casussen/patiëntvoorbeelden......................26
HC13 Bewustzijnsstoornissen............................................................................28
HC14 Cerebellum en basale kernen..................................................................31
HC15 Extrapiramidale aandoeningen met patiëntvoorbeelden.........................34
PB4 Cerebellair syndroom................................................................................. 36
WEEK 4................................................................................................................. 36
HC16 & 17 Inleiding psychiatrie........................................................................36
HC18 Farmacologie van het centrale zenuwstelsel...........................................38
PB5 Angststoornissen........................................................................................ 41
PB6 Stemmingsstoornissen............................................................................... 41
PB7 Schizofrenie................................................................................................ 41
WEEK 1
HC1 Bouw en algemene organisatie CZS, vaten en vliezen
Inleiding CZS
,Het zenuwstelsel kan je op een topografische en functionele indeling,
onderverdelen. Topografisch gezien heb je een centraal zenuwstelsel (CZS), waar
de hersenen en het ruggenmerg onder vallen, en een perifeer zenuwstelsel
(PZS), waar de hersenzenuwen en -kernen, ruggenmergzenuwen en -neuronen en
de sensibele/autonome ganglia onder vallen. Functioneel gezien kan je het
zenuwstelsel indelen op een afferent en efferente systeem.
Afferent: gaat naar het CZS toe en bestaat uit sensibele neuronen;
o Somatosensibel = romp en ledematen (huid en gewrichten)
o Viscerosensibel = organen
Efferent: gaat naar de effector toe en bestaat uit motorische neuronen;
o Somatomotorisch (willekeurig) = aansturing skeletspieren
o Vischeromotorisch (autonoom) = aansturing organen
(Ortho)sympatisch = stress
Parasympatisch = rust
Het zenuwstelsel bevat witte en grijze stof. In witte stof lopen de uitlopers van de
neuronen met daaromheen myelinescheden, voor de versnelde geleiding. In de
grijze stof liggen de cellichamen van de neuronen. Op het niveau van de
hersenen ligt de grijze stof in de cortex, maar ook in een aantal centrale
gebieden. Op het niveau van het ruggenmerg ligt de
grijze stof in het midden.
Hersenvliezen en -vascularisatie
De hersenen liggen in een drietal hersenvliezen:
Dura mater
De dura mater bestaat uit twee bladen: het
endostale en het meningeale blad. Het
endostale blad ligt tegen het schedelbot aan,
het meningeale blad tegen de andere vliezen.
Op enkele plekken komen deze twee bladen
van elkaar af en ontstaat er een intra-durale ruimte waar het veneuze
bloed in uitmond, een veneuze sinus. De ankervenen zijn de venen die in
deze sinus uitmonden en maken dat de hersenen “verankerd” aan de dura
blijven. De meningeale bladen lopen dan door tegen elkaar aan, waardoor
je een duraal dubbelblad krijgt. Dit noem je ook wel een duraal schot. Er
zijn twee potentiële ruimten die in fysiologische situaties NIET aanwezig is.
o Epidurale ruimte
o Subdurale ruimte
Arachnoidea mater
Het arachnoidea bestaat uit een membraaneuze laag die door middel van
trabekels verbonden zijn met de pia mater. Tussen deze trabekels zit de
subarachnoïdale ruimte. Hierin bevindt zich liquor (hersenvocht) en
oppervlakkige arteriën. Op sommige plekken stulpt de arachnoidea mater
uit in een veneuze sinus, dit worden granulaties genoemd. Door de
granulaties kan liquor afgegeven worden in de veneuze sinus.
Pia mater
De pia mater ligt strak tegen de hersenen aan en gaat elke groeve in.
,De dura mater kan dus durale schotten vormen (meningeaal dubbelblad). De falx
cerebri zit in het cerebrum, tussen beide hemisferen in. De falx cerebelli zit
tussen het cerebellum, de kleine hersenen. En de tentorium cerebelli zit als een
soort tent (horizontaal) op het cerebellum. In onderstaande afbeelding staan ook
de veneuze sinussen aangegeven.
De dura mater wordt met name gevasculariseerd door de a. meningea media.
Het veneuze systeem van de hersenen wordt onderverdeeld in een oppervlakkig
(ankervenen) en een diep systeem. Het diepe systeem verzamelt het bloed uit
het midden van de hersenen, al deze kleine venen monden gezamenlijk uit in de
v. cerebri magna. Op zijn beurt loopt deze weer uit in de sinus rectus. Alle
sinussen monden uit in de v. jugularis interna, zowel het oppervlakkige als het
diepe systeem dus.
De sinus cavernosus heeft een intra-extracraniële anastomose. Dit betekent dat
venen van het neus-, mond- en rug gebied in verbinding staan met deze sinus.
Een infectie in de neus kan zo bijvoorbeeld de hersenen bereiken.
Het arterieel deel is er sprake van een voorste en achterste systeem. Het voorste
systeem wordt gevoed door de aa. carotes internae en voorziet veruit het
grootste deel van de hersenen. Het achterste systeem door de aa. vertebrales. In
de hersenen ligt een aaneengesloten cirkel die het voorste en het achterste
systeem verbindt: de cirkel van Willis. Deze cirkel wordt gevoed door 6
hoofdstammen gevoed:
A. cerebri anterior (sinistra en
dextra)
Boven en mediale zijde
(hanenkam)
A. cerebri media(sinistra en
dextra)
Laterale zijden
A. cerebri posterior (sinistra en
dextra)
Achterkant van de hersenen
, De stroomgebieden van de hersenen hebben variaties per persoon, zelfs per
hersenhelft.
Waterscheidingsinfarct:
Bij een hele lage bloeddruk krijgen de meest distale vaten geen bloed meer.
Hierdoor kan ischemie optreden, waardoor uitvalsverschijnselen zich voordoen.
Door variatie in stroomgebieden kunnen deze verschijnselen ook variëren.
De 6 hoofdstammen van de cirkel van Willis hebben centrale (perforerende) en
corticale (oppervlakkige) takken. De centrale takken vasculariseren de
hersengebieden in het midden van de hersenen, ze worden ook wel de rami
perforantes genoemd. De corticale takken (rami corticales) vasculariseren de
hersengebieden in de cortex van de hersenen.
Lacunair infarct:
Bij een lacunair infarct is er sprake van een bloeding of beschadiging van de
rami perforantes. Het woord “lacunair” verwijst ook naar een hele kleine
beschadiging. Hierdoor krijgen diepere hersenstructuren als de basale kernen
of de capsula interna, niet genoeg bloed meer.
Er bestaan 3 soorten extra-cerebrale bloedingen:
Epidurale bloeding: op de dura mater (2)
Op een CT-scan heeft de bloeding een
citroenvorm, omdat de dura met de schedel
vast zit. Het is een arteriële bloeding van
de a. meningea media. Dit gaat vaak
samen met een trauma.
Subdurale bloeding: onder de dura mater
(1)
Op een CT-scan heeft de bloeding een
banaanvorm, omdat het bloed kan
verspreiden over de hersenhelft. Het is een
veneuze bloeding van de ankervenen.
Subarachnoïdale bloeding: onder de
arachnoïdale mater (3)
Vaak is de bloeding een ruptuur van de cirkel van Willis. Dit kan
bijvoorbeeld door een gescheurd aneurysma (verwijd bloedvat).
De bloedhersen-barrière wordt gekenmerkt door de tight junctions van de
endotheelcellen. In een “normaal” bloedvat, zijn er openingen tussen de cellen
wat stofwisseling bevorderd. Daarnaast bakenen de gliacellen (astrocyten) het
bloedvat af, zodat er een beperkte doorlaatbaarheid voor stoffen is. Er zijn een
aantal gebieden waar de endotheelcellen niet door tight junctions verbonden zijn,
dit zijn de circumventricular organs. Hier vindt vrije uitwisseling van moleculen
plaats. Een voorbeeld is de hypofyse en de epifyse.
Ruggenmergvliezen
In de hersenen zitten ook 3 vliezen: de dura mater, de arachnoidea mater en de
pia mater. Een groot verschil is dat de dura mater maar uit 1 laag bestaat en dat
hier WEL een epidurale ruimte is met losmazig weefsel en een veneuze plexus