Bachelor jaar 1 – Blok 1
HC1 Introductie (4 – 9 – ’24)
Wat is anatomie?
Systemische anatomie:
Tractus digestivus => spijsverteringsstelsel
Tractus circulatorius => hart- en vaatstelsel, lymfestelsel
In een regio bevinden zich
Nomencaltuur/topografische aanduidingen
Vascularisatie = bloedvoorziening
Innervatie = zenuwvoorziening (aansturing door een zenuw)
Topografische aanduiding Betekenis
Craniaal Naar cranium (schedel)
Caudaal Naar cauda (staart)
Ventraal Naar venter (buik)
Dorsaal Naar dorsum (rug)
Lichaamsholten
Cavitas = holte
Voor structuren die beschermd moeten worden / faciliteren van beweging
Als twee structuren ten opzichte van elkaar moeten kunnen moeten bewegen, zal
er een glad glijvlak nodig zijn.
In het borst- buik bekkengebied wordt dit gefaciliteerd door sereuze vliezen. In de
abdomen is dit peritoneum, oftewel buikvlies. Sereuze vliezen
produceren sereus vocht, wat een glijvlak produceert.
Doorsnede-anatomie
1. transversaal (= axiaal)
2. Frontaal (= coronaal)
3. Sagittaal (= mediaan)
! Een transversaal plaatje is per definitie een onderaanzicht !
HC2 Steun- en bewegingsstelsel (4 – 9 –’24)
ALGEMENE BEWEGINGSLEER
Arthrologie (gewrichtsleer)
Junctura = gewricht, een verbinding tussen botten
Junctura fibrosa : bindweefselverbinding
o Bijv. sutura (schedelnaat), syndesmose
(ligamentenverbinding)
Junctura cartilaginea : kraakbeenverbinding
o Bijv. Discus intervertebralis (tussenwervelschijven)
Junctura synovialis : ruimte tussen de botten, bevat synovia (de
gewrichtssmeer)
o = articulatio, bijv. Art. humeri (schoudergewricht)
De algemene bouw van synoviale gewrichten
Kop (caput) en de kom zijn bedekt met hyalien kraakbeen.
Gewrichtkapsel: membrana synovialis (binnenkant, produceert synovia),
membrana fibrosa (buitenkant, stevig)
Cavitas articularis bevat synovia (sereus vocht).
Ligamenten (belang voor stabiliteit, bewegingen niet ongelimiteerd):
, Capsulair (onderdeel van het kapsel)
Extracapsulair (los van het kapsel)
Soms hebben synoviale gewrichten een intra-articulaire kraakbeen structuren om
de pasvorm te verbeteren:
Discus (rond)
Meniscus (C-vormig)
Bewegingen van gewrichten
Translatie = schuifbeweging, geen hoekverandering
Rotatie = draaiing (om een as), met hoekverandering
Abductie/adductie -> om sagittale as, in frontale vlak
Flexie/extensie (anteflexie/retroflexie) -> om transversale as, in
sagittale vlak
Endorotatie/exorotatie -> om longitudinale as, in
transversale vlak
Indeling synoviale gewrichten:
Translatie Vlak gewricht
Rotatie
1 as Scharniergewricht; rolgewricht
- Bijv. radio-ulnair gewricht of
enkelgewricht
2 assen Zadelgewricht; ellipsoid (condyloid)
gewricht
- Bijv. duim gewricht, vinger
(knokkel)
3 assen Kogelgewricht; kogelgewricht
- Bijv. schouder/heup gewricht
Spieren
De origo van een spier zit altijd dichter bij het lichaamscentrum,
de insertie zit daar verder vanaf. -> bij
ligamenten
Spieren lopen over 1 (mono-), 2 (bi-) of meer (polyarticulair)
gewrichten heen.
Plantairflexie = flexie in de enkel (richting van de voetzool)
SCHOUDER: SCHOUDERGORDEL EN SCHOUDERGEWRICHT
Schoudergordel = clavicula en scapula
- Het is een open gordel, dit is van groot belang van de
mobiliteit.
Schoudergewricht = gewricht tussen scapula en de humerus
Art. sternoclavicularis (1) -> tussen sternum en clavicula (bevestigt gordel
aan de romp)
o Bevat de bewegingsmogelijkheden als een kogelgewricht, met dank
aan aanwezigheid van een discus = functioneel kogelgewricht.
Art. acromioclavicularis (2) -> tussen acromion van de scapula (AC
gewricht)
o Nauwelijks bewegelijk, door ligamenten.
Art. humeri / Art. glenohumeralis (3) -> tussen glenoid van de scapula en
de humerus
o Slap gewricht, kom is ondiep en bijna 2x zo groot als de kop. Dus
spieren geven de stabiliteit.
Er zijn 3 stabiliteitsfactoren in een gewricht:
, Vorm van de botten
Stevige ligamenten
Spieractiviteit
Bewegingen van de schoudergordel worden gerelateerd aan de bewegingen van
de scapula:
- Elevatie / depressie -> op en neer
- Protractie / retractie -> om de romp heen
- Laterorotatie / mediorotatie -> draaiing
Rotator cuff = spiergroep die (vooral) endo-/exorotatie faciliteert en belangrijk is
voor de stabiliteit.
Het zijwaarts heffen van de arm wordt gefaciliteerd door abductie van de arm
(beperkt) en laterorotatie van de scapula. De samenwerking tussen de
schoudergordel en het schoudergewricht wordt het scapulohumerale ritme.
HC5/6 Steun- en bewegingsstelsel II (5 – 9 – ’24)
De onderste extremiteit draagt het lichaamsgewicht en zet het lichaam in
beweging.
Het zwaartepunt: denkbeeldig punt waar je alle
massa kunt concentreren -> ventraal van S2.
o Hoek tussen collum femoris en corpus
femoris (125 graden) -> zodat de femora
naar de knieën lopen.
o Hoek tussen femor en tibia (174 graden) -
> zodat de onderbenen recht staan =
stabieler.
De bekkengordel (gesloten)
Bestaat uit 3 afzonderlijk botten:
2 x os coxae -> linker- en een rechterheupbeen.
o Os pubis (schaambot)
o Os ischii (onderkant)
o Os ilium (bovenkant)
Komen samen in acetabulum (kraakbeengewrichten verbenen na
puberteit)
Os sacrum -> het heiligbeen
Gewrichten (weinig bewegelijkheid)
Tussen de ossa coxae -> symphysis pubica
o Junctura cartilaginea
Tussen os coxae en os sacrum -> art. sacroilica (SI gewricht,2 x)
o Junctura synovialis -> door stevige ligamenten en reliëf op
gewrichtsoppervlakken, matig bewegelijk.
Bij zwangerschap worden de kapsels/ligamenten weker en soepeler.
De bekkeningang verdeeld de bekken in de pelvis major en pelvis minor.
Pelvis major = bekkeningang en daarboven
Pelvis minor = bekkenuitgang en alles onder de bekkeningang
-> bevat de bekkenholte (cavitas pelvis)
o Bekkenbodem = soort omgekeerd diafragma, sluit het bekken af,
ondersteund de bekkenorganen en is belangrijk om de buikdruk te
reguleren.
Het vrouwelijke pelvis = laag een breed, ovaal.