1.spreekdoel ⟶ wat is het doel? Spreekstrategieën
2.Onderwerp/kennis ⟶ wat wel of niet?
3.Soort spreektaal ⟶ hoe? Globaal - bepaald gevoel willen
4.publiek/partner ⟶ voor wie? Handeling om ondergaan
5.Reflecteren op spreektaak spreekdoel te
bereiken
Luisterstrategie
Spreektaal: VS Intensief - iets te weten willen komen
1.Monitoren ⟶ meer/vragen? Luisterdoel
2.evalueren ⟶ volgende keer anders?
Kritisch - een mening willen vormen
Omgaan met elkaar, interactie en taal als Gericht - bepaalde handeling willen
communicatiemiddel. uitvoeren
Sociale/communi-
1.Zelfhandhaving catieve taalfunctie
2.Zelfsturing
3.Sturing van anderen Soorten: Globaal luisteren
4.Structurering van het gesprek
Domein 1 Luisterstrategieën Intensief luisteren
Kritisch luisteren
1.Jezelf verdedigen/beschermen
2.Aangeven wat je gaat doen, eigen handelen
3.Het gedrag van andere beïnvloeden Gericht luisteren
4.taal voor het beïnvloeden van gespreksverloop.
Taal gebruiken om te experimenteren, gevoel te uiten
vb: schrijven in een dagboek.
Expressieve
taalfunctie Amuseren - luisteraar vermaken
Spreekdoelen
Tekstrelaties Informeren - overbrengen informatie
Vraag - antwoord
Chronologisch Instrueren - uitleggen of verduidelijken
Voorbeelden
Vergelijken
Middel - doel Overtuigen - luisteraar overhalen
11 vragen Voorwaardelijk
Gemaakt door Frans Vlemmix
, Pas gebruiken met kennis van het taalsysteem. Je
Fonologisch ⟶ uitspraak
gebruikt taal per situatie.
Morfologisch ⟶ opbouw
Syntactisch ⟶ volgorde van de zin
Communicatieve competentie
Semantisch ⟶ betekenis
Orthografisch ⟶ eigen maken spelling
Grammaticale competentie ⟶ Kennis van grammaticale Soorten: Niveaus van Pragmatisch ⟶
regels/woordenschat. taalverwerving
Tekstuele competentie ⟶ kennis gesproken/geschreven
tekst.
Strategische competentie ⟶ strategie hanteren om doel Theorieën over taalverwerving:
te bereiken. Behaviorisme ⟶ taal leren door immitatie.
Functionele competentie ⟶ vermogeen om taalgebruik (nadoen van ouders)
aan te passen aan de situatie. Creatieve constructie theorie ⟶ aangeboren
taalvermogen, creatieve zinnen opbouwen.
Interactionele benadering ⟶ taalaanbod
omgeving/interactie van belang.
Taal als hulpmiddel om je gedachten te 6 w ⟶ huilen = signaal
ordenen, verwijzen naar betekenis. 6-20 w ⟶ vocaliseren = klanken
Cognitieve Domein 1 produceren.
1.Rapporteren taalfunctie Taalverwervingsfase 4-6 m ⟶ vocaal spel = experimenteren
2.redeneren prelinguale periode 0-1 J met geluid.
3.projecteren Soorten: 7+ m ⟶ brabbelen = klankgroep
herhalen (dada)
1.Verslag over iets wat in de werkelijkheid voorkomt. 1-2 J ⟶ vroeglinguale fase = van brabbelen ⟶
2.Gebeurtenissen ordenen of conclusies trekken, relatie leggen. betekenis (woordzinnen)
Taalverwervingsfase
3.Jezelf verplaatsen in het gevoel van een ander. 2,5-5J ⟶ differentiatie fase = woord heeft
linguale periode 1-5 J+ vorm/betekenis (overgeneralisatie)
5J+ ⟶ voltooingsfase = taal beheersing als
Tweede taalverwerving volwassenen, kleine woordenschat.
Simulante tweetaligheid ⟶ twee talen tegelijk leren. Eenwoordzin ⟶ losse woorden = ootoo weg
Overgeneralisatie: Tweewoordzin ⟶ combineren van woorden =
Successieve tweetaligheid ⟶ tweede taal leren na de
Taalregels worden onterecht papa weg, jas uit.
eerste taal.
toegepast. (loopte, gevald) Meerwoordzinnen ⟶ kleine zinnen = papa toel
inferentiefout ⟶ fouten door verschillen tussen 1e
11 vragen en 2e taal. pakken.
Gemaakt door Frans Vlemmix