Instructies...................................................................................................................................4
1. Leesvaardigheid......................................................................................................................5
1.1 Hoofdgedachte.................................................................................................................5
1.2 Onderwerp en deelonderwerpen....................................................................................6
1.3 Tekstdoel...........................................................................................................................7
1.4 Tekststructuur...................................................................................................................8
1.5 Signaalwoorden en tekstverbanden.................................................................................9
1.6 Verwijswoorden..............................................................................................................11
1.8 Impliciete informatie......................................................................................................12
1.9 Samenvatten...................................................................................................................13
1.10 Complete leesteksten...................................................................................................14
2. Argumentatie........................................................................................................................16
2.1 Standpunten herkennen.................................................................................................16
2.2 Argumenten analyseren.................................................................................................17
2.3 Argumentatieschema's...................................................................................................18
2.4 Drogredenen...................................................................................................................19
2.5 Overtuigingsmiddelen....................................................................................................20
3. Tekstbegrip...........................................................................................................................24
3.1 Alineaverbanden............................................................................................................24
3.2 Functie van alinea's........................................................................................................25
3.3 Titel en tussenkopjes......................................................................................................26
3.4 Schrijfdoel.......................................................................................................................27
3.5 Doelgroep.......................................................................................................................28
4. Woordenschat......................................................................................................................33
4.1 Betekenis uit de context.................................................................................................33
4.2 Moeilijke woorden..........................................................................................................35
4.4 Formeel taalgebruik.......................................................................................................38
5. Taalverzorging.......................................................................................................................41
5.1 Spelling...........................................................................................................................41
5.3 Grammatica....................................................................................................................42
, 5.4 Formuleringen................................................................................................................43
5.4 Formuleringen................................................................................................................47
6. Samenvatten.........................................................................................................................49
6.1 Hoofd- en bijzaken..........................................................................................................49
6.2 Kernzinnen......................................................................................................................50
6.3 Bondige formuleringen...................................................................................................51
7. Examenteksten.....................................................................................................................54
7.1 Krantenartikelen.............................................................................................................54
7.2 Opinieartikelen...............................................................................................................55
7.3 Achtergrondartikelen.....................................................................................................57
7.4 Wetenschappelijke teksten............................................................................................58
7.5 Online publicaties...........................................................................................................59
Bijlage A – Examenstrategie HAVO Nederlands.......................................................................62
Bijlage B – Stappenplan Leesvaardigheid.................................................................................63
Bijlage C – Samenvattingsstrategie...........................................................................................64
Bijlage D – Signaalwoordenoverzicht.......................................................................................65
Bijlage E – Argumentatieschema’s en Drogredenen................................................................66
Bijlage F – Academische Woordenschat Nederlands...............................................................67
Bijlage G – Veelvoorkomende Examenfouten..........................................................................68
Bijlage H – Tijdsplanning tijdens het Examen...........................................................................69
Bijlage I – Checklist voor het Maken van het Examen..............................................................70
,Voorwoord
Welkom bij de Oefentoets Centraal Landelijk Examen HAVO Nederlands 2027.
Deze oefentoets is ontwikkeld om je zo goed mogelijk voor te bereiden op het landelijke centraal
examen Nederlands. De opgaven sluiten aan bij de examenstof en zijn qua vraagstelling,
moeilijkheidsgraad en opbouw vergelijkbaar met wat je tijdens het officiële examen kunt verwachten.
De toets bevat 135 zorgvuldig samengestelde vragen en antwoorden, verdeeld over verschillende
vraagvormen, waaronder open vragen, meerkeuzevragen, invulvragen en waar/niet waar-vragen.
De onderwerpen bestrijken alle belangrijke examenonderdelen van HAVO Nederlands, zoals
leesvaardigheid, argumentatie, tekstbegrip, woordenschat, taalverzorging en samenvatten.
Naast de oefenvragen bevat deze uitgave uitgebreide antwoordmodellen en praktische bijlagen met
examenstrategieën, zodat je niet alleen kunt controleren of een antwoord goed of fout is, maar ook
begrijpt waarom een bepaald antwoord juist is. Hierdoor kun je gericht werken aan het verbeteren van
je examenvaardigheden.
Veel succes met het maken van deze oefentoets en met de voorbereiding op het Centraal Landelijk
Examen HAVO Nederlands 2027.
Instructies
Lees iedere vraag zorgvuldig voordat je een antwoord geeft.
Maak de opgaven bij voorkeur in de aangegeven volgorde.
Gebruik alleen de informatie die in de opgave of bijbehorende tekst is gegeven.
Bij open vragen wordt gelet op zowel de inhoud als de formulering van het antwoord.
Bij meerkeuzevragen is steeds één antwoord het meest juist, tenzij anders vermeld.
Vul invulvragen duidelijk en volledig in.
Beantwoord waar/niet waar-vragen uitsluitend met Waar of Niet waar, tenzij om een
toelichting wordt gevraagd.
Probeer tijdens het oefenen geen gebruik te maken van externe hulpmiddelen, zodat je een
realistisch beeld krijgt van je examenniveau.
Controleer na afloop je antwoorden met het antwoordmodel en lees de uitleg zorgvuldig door,
ook wanneer je een vraag goed hebt beantwoord.
Noteer de onderwerpen waarop je fouten hebt gemaakt en oefen deze onderdelen opnieuw.
Houd tijdens het maken van de oefentoets rekening met de beschikbare examentijd en probeer
in een gelijkmatig tempo te werken.
Sla moeilijke vragen tijdelijk over en keer hier later naar terug als je tijd over hebt.
Deze oefentoets is bedoeld als voorbereiding op het Centraal Landelijk Examen HAVO
Nederlands 2027 en kan meerdere malen worden gebruikt om je voortgang te meten.
,1. Leesvaardigheid
1.1 Hoofdgedachte
Vraag 1
Welke omschrijving geeft het best de hoofdgedachte van een tekst?
A. Het meest opvallende voorbeeld uit de tekst.
B. De belangrijkste boodschap die de auteur wil overbrengen.
C. De eerste alinea van de tekst.
D. De conclusie zonder argumenten.
Vraag 2
In een betogende tekst worden vijf argumenten genoemd voor strengere regels rond
smartphonegebruik op school. Welke vraag helpt het meest om de hoofdgedachte te bepalen?
A. Welke argumenten zijn het sterkst?
B. Wat wil de schrijver uiteindelijk duidelijk maken?
C. Welke voorbeelden worden gebruikt?
D. Welke bron is het meest betrouwbaar?
Vraag 3
De titel luidt: Waarom steeds meer jongeren vrijwilligerswerk doen. De tekst bespreekt verschillende
motieven en sluit af met de conclusie dat vrijwilligerswerk jongeren persoonlijk én maatschappelijk
sterker maakt. Wat is de hoofdgedachte?
A. Vrijwilligerswerk kost jongeren veel vrije tijd.
B. Jongeren kiezen alleen vrijwilligerswerk voor hun cv.
C. Vrijwilligerswerk levert jongeren én de samenleving voordelen op.
D. Vrijwilligerswerk wordt verplicht op scholen.
Vraag 4
Waarom staat de hoofdgedachte meestal niet letterlijk in één zin?
A. Omdat schrijvers altijd moeilijke taal gebruiken.
B. Omdat de lezer de informatie uit meerdere tekstgedeelten moet combineren.
C. Omdat hoofdgedachten verboden zijn in informatieve teksten.
D. Omdat alleen de titel belangrijk is.
Vraag 5
Welke samenvatting bevat waarschijnlijk de hoofdgedachte?
A. Een opsomming van alle voorbeelden.
B. Een korte zin waarin onderwerp én belangrijkste boodschap samenkomen.
C. Alleen de conclusie van de laatste alinea.
D. Een overzicht van alle tussenkopjes.
, 1.2 Onderwerp en deelonderwerpen
Vraag 6
Wat is het verschil tussen een onderwerp en een deelonderwerp?
A. Een onderwerp is een mening; een deelonderwerp is een feit.
B. Een onderwerp beschrijft waarover de hele tekst gaat; deelonderwerpen behandelen afzonderlijke
aspecten daarvan.
C. Er is geen verschil.
D. Deelonderwerpen staan alleen in de inleiding.
Vraag 7
Een tekst gaat over kunstmatige intelligentie. De tussenkopjes luiden:
AI in de zorg
AI in het onderwijs
AI en privacy
Wat is het onderwerp?
A. Privacy.
B. Onderwijs.
C. Kunstmatige intelligentie.
D. Zorg.
Vraag 8
Welke titel past het minst goed als deelonderwerp binnen een tekst over duurzame mobiliteit?
A. Elektrisch rijden.
B. Openbaar vervoer.
C. Fietsinfrastructuur.
D. Middeleeuwse kastelen.
Vraag 9
Waarom gebruikt een schrijver deelonderwerpen?
A. Om de tekst langer te maken.
B. Om de informatie logisch te ordenen.
C. Om minder argumenten te hoeven geven.
D. Om de conclusie te vermijden.
Vraag 10
Welke vraag helpt het beste om het onderwerp van een tekst vast te stellen?
A. Welke voorbeelden worden genoemd?
B. Waar gaat de tekst als geheel over?
C. Wat vindt de schrijver van de laatste alinea?
D. Hoeveel alinea's bevat de tekst?