Tabblad 1
,Biologische psychologie (kort)
Leerpad 1
Het biopsychosociaal perspectief op gedrag
Gedrag wordt binnen de psychologie verklaard vanuit drie categorieën factoren: biologische
invloeden (zoals erfelijkheid en hersenwerking), sociale invloeden (interacties met anderen) en
cognities (gedachten en overtuigingen). Hoewel de biologische psychologie specifiek focust op
de biologische processen, is een volledig begrip van de mens enkel mogelijk door de
wisselwerking tussen deze drie perspectieven te erkennen.
Het gevaar van een te reductionistische bril
Een eenzijdige focus op biologische verklaringen wordt als reductionistisch en gevaarlijk
beschouwd. Hoewel een biologische verklaring ontschuldigend kan werken voor families bij
aandoeningen zoals ADHD of autisme, kan het bij complex gedrag (zoals criminaliteit of
seksualiteitsbeleving) de menselijke vrije wil en verantwoordelijkheid in het gedrag ondermijnen.
Bovendien kunnen biologische mogelijkheden, zoals taalontwikkeling, enkel tot uiting komen als
de omgeving (sociale factor) dit stimuleert.
Geschiedenis: Van dualisme naar het biopsychosociaal perspectief
De visie op de relatie tussen lichaam en geest heeft drie belangrijke fasen doorgemaakt:
● Dualisme: De eeuwenoude overtuiging (ondersteund door Plato en Descartes) dat
lichaam en geest onafhankelijke entiteiten zijn. Psychische problemen werden hierbij
vaak toegeschreven aan externe krachten zoals geesten of duivels.
● Evolutieleer: Charles Darwin stelde dat het lichaam wel degelijk invloed heeft op het
denken en doen. Via het principe van natuurlijke selectie (survival of the fittest) worden
gedragingen gesteld die de overlevingskans vergroten.
● Ontdekkingen in de geneeskunde: In de 20ste eeuw toonden onderzoekers zoals
Donald Hebb en Robert Sperry aan dat complexe psychologische verschijnselen, zoals
bewustzijn en emoties, verklaard kunnen worden vanuit hersenactiviteit. De ontwikkeling
van psychofarmaca en beeldvormingstechnieken (zoals fMRI) versterkte dit biologische
inzicht.
Dualisme evolutieleer Ontdekkingen in geneeskunde
Plato & aristo & kathokerk Darwin Donald O Hebb
→ geest vrije wil en apart van → lichaam wel invloed denken en → Als chirurg vond hij een link tussen
lichaam (omhulsel) doen hersenactiviteit en complexe
→ lichaam geen invloed op denken → survival of the fittest psychologische verschijnselen.
→ genetische basis gedrag
Rene descart Sperry
→ Psychische problemen en Neuropsycholoog die werking van
stoornissen in gedrag als externe hersenen als verklaring voor gedrag,
geesten & duivels, zeker niet als gevoelens en doen van mensen
interne biologische onevenwichten bestudeerde
→ 2 hersenhelften kunnen apart
functioneren
Biomedisch Model als verklaring
psychische problemen
,Inzichten over de link tussen lichaam en gedrag
De belangrijkste inzichten leren ons dat biologie op vier manieren gedrag beïnvloedt: via de
werking van het centraal zenuwstelsel, andere lichamelijke processen, erfelijkheid en de
menselijke evolutiegeschiedenis.
Het centraal zenuwstelsel (CZS)
De studie van een (al dan niet) goede werking van het CZS (hersenen en ruggenmerg) biedt
fundamentele inzichten:
● Hersenletsels en aandoeningen: Casussen zoals die van patiënt K.C. tonen aan hoe
specifieke schade kan leiden tot het uitvallen van functies, wat leidde tot het onderscheid
tussen episodisch geheugen (persoonlijke gebeurtenissen) en semantisch geheugen
(feitenkennis).
● Ziekte van Alzheimer: Dit leert ons over de rol van specifieke hersengebieden, zoals de
hippocampus, bij de werking van het geheugen.
● Medicatie: Onderzoek naar psychofarmaca (zoals antidepressiva) leert ons hoe
chemische processen in de hersenen, zoals het serotonineniveau, ons psychisch welzijn
beïnvloeden.
Andere lichamelijke processen en gedrag
Niet enkel de hersenen, maar het hele lichaam beïnvloedt de geest:
● Drijfveren: Hormonen spelen een rol bij basisbehoeften zoals honger, dorst en
seksualiteit.
● Lichaamsconditie: Chronische pijn kan leiden tot stress of depressie, terwijl
zwaarlijvigheid gevoelens van futloosheid kan veroorzaken.
● Omgevingsfactoren: Tekort aan zonlicht kan neerslachtigheid veroorzaken (winterdip)
door invloed op melatonine- en vitamine D-niveaus.
● Beweging: Lichaamsbeweging heeft een positieve invloed op het humeur door de
vrijgave van stoffen zoals endorfines en serotonine.
Erfelijkheid van gedrag
Studies rond erfelijkheid onderzoeken hoe genetisch materiaal (DNA) kenmerken zoals
intelligentie en persoonlijkheid bepaalt. De drie belangrijkste methodes zijn:
1. Tweelingenonderzoek: Het vergelijken van eeneiige (100% identiek DNA) en twee-eiige
tweelingen om de rol van genetica versus omgeving (nature vs. nurture) te bepalen.
2. Adoptiestudies: Het vergelijken van kinderen met hun biologische ouders (genetische
link) versus hun adoptieouders (omgevingslink).
3. Stamboomonderzoek: Het bestuderen van eigenschappen over verschillende generaties
heen om overervingspatronen (zoals dominante genen) te ontdekken.
, Evolutionaire psychologie
Binnen de evolutionaire psychologie wordt gedrag begrepen vanuit de principes van natuurlijke
selectie. Een voorbeeld hiervan is de ouderlijke investeringstheorie van Robert Trivers: de
partner die het meest investeert in nakomelingen (vaak de vrouw) is kieskeuriger bij de
partnerkeuze. Voorkeuren voor bepaalde eigenschappen (zoals betrouwbaarheid of
aantrekkelijkheid) zijn volgens deze discipline ontstaan omdat ze historisch gezien de kans op
succesvolle nakomelingen vergrootten
Begrippen
Biologische psychologie: De studie van de biologische processen die aan de basis liggen van
gedrag, gevoelens en gedachten.
Reductionisme: Het gevaar van een te eenzijdige focus op biologische verklaringen, waarbij
de menselijke vrije wil en verantwoordelijkheid uit het oog verloren kunnen worden.
Nature vs. Nurture: Het debat over de mate waarin gedrag bepaald wordt door erfelijkheid
(nature) dan wel door de omgeving en opvoeding (nurture).
Dualisme: De filosofische overtuiging dat lichaam en geest twee onafhankelijke entiteiten zijn
(gepromoot door o.a. Plato en Descartes).
Evolutieleer: De theorie van Charles Darwin die stelt dat het lichaam invloed heeft op denken
en doen via natuurlijke selectie.
Survival of the fittest: Het principe dat organismen die het best aangepast zijn aan hun
omgeving de grootste overlevings- en voortplantingskans hebben.
Het Zenuwstelsel
Centraal Zenuwstelsel (CZS): Bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.
Perifeer Zenuwstelsel (PZS): Alle zenuwen buiten het CZS, onderverdeeld in:
- Somatisch zenuwstelsel: Stuurt de ledematen aan.
- Autonoom zenuwstelsel: Stuurt automatische processen aan (hartslag, ademhaling),
verder opgedeeld in het sympathisch (fight or flight) en parasympathisch (rust)
systeem.
Hersenhelften & Split-brain: Onderzoek dat aantoont dat de linker- en rechterhersenhelft
onafhankelijk kunnen functioneren.
Geheugensystemen: Het onderscheid tussen het declaratief (expliciet) geheugen (feiten &
kennis) en het niet-declaratief (impliciet) geheugen (automatisch).
Episodisch geheugen: Geheugen voor persoonlijke gebeurtenissen en ervaringen.
Semantisch geheugen: Geheugen voor algemene feitenkennis.
Alzheimer & Dementie: Neurodegeneratieve aandoeningen waarbij zenuwcellen in regio's
zoals de hippocampus afsterven.
Neurotransmitters: Chemische stoffen in de hersenen die signalen overdragen, zoals
serotonine en noradrenaline.
Psychofarmaca: Medicatie die inwerkt op de hersenchemie, zoals antidepressiva (o.a. SSRI's
zoals Prozac).
Hormonen: Stoffen die biologische drijfveren zoals honger, dorst en seksualiteit beïnvloeden.
Endorfines: Stoffen die vrijkomen bij beweging en een positieve invloed hebben op het humeur.
Melatonine: Een stof die beïnvloed wordt door zonlicht en een rol speelt bij de 'winterdip'.
,Biologische psychologie (kort)
Leerpad 1
Het biopsychosociaal perspectief op gedrag
Gedrag wordt binnen de psychologie verklaard vanuit drie categorieën factoren: biologische
invloeden (zoals erfelijkheid en hersenwerking), sociale invloeden (interacties met anderen) en
cognities (gedachten en overtuigingen). Hoewel de biologische psychologie specifiek focust op
de biologische processen, is een volledig begrip van de mens enkel mogelijk door de
wisselwerking tussen deze drie perspectieven te erkennen.
Het gevaar van een te reductionistische bril
Een eenzijdige focus op biologische verklaringen wordt als reductionistisch en gevaarlijk
beschouwd. Hoewel een biologische verklaring ontschuldigend kan werken voor families bij
aandoeningen zoals ADHD of autisme, kan het bij complex gedrag (zoals criminaliteit of
seksualiteitsbeleving) de menselijke vrije wil en verantwoordelijkheid in het gedrag ondermijnen.
Bovendien kunnen biologische mogelijkheden, zoals taalontwikkeling, enkel tot uiting komen als
de omgeving (sociale factor) dit stimuleert.
Geschiedenis: Van dualisme naar het biopsychosociaal perspectief
De visie op de relatie tussen lichaam en geest heeft drie belangrijke fasen doorgemaakt:
● Dualisme: De eeuwenoude overtuiging (ondersteund door Plato en Descartes) dat
lichaam en geest onafhankelijke entiteiten zijn. Psychische problemen werden hierbij
vaak toegeschreven aan externe krachten zoals geesten of duivels.
● Evolutieleer: Charles Darwin stelde dat het lichaam wel degelijk invloed heeft op het
denken en doen. Via het principe van natuurlijke selectie (survival of the fittest) worden
gedragingen gesteld die de overlevingskans vergroten.
● Ontdekkingen in de geneeskunde: In de 20ste eeuw toonden onderzoekers zoals
Donald Hebb en Robert Sperry aan dat complexe psychologische verschijnselen, zoals
bewustzijn en emoties, verklaard kunnen worden vanuit hersenactiviteit. De ontwikkeling
van psychofarmaca en beeldvormingstechnieken (zoals fMRI) versterkte dit biologische
inzicht.
Dualisme evolutieleer Ontdekkingen in geneeskunde
Plato & aristo & kathokerk Darwin Donald O Hebb
→ geest vrije wil en apart van → lichaam wel invloed denken en → Als chirurg vond hij een link tussen
lichaam (omhulsel) doen hersenactiviteit en complexe
→ lichaam geen invloed op denken → survival of the fittest psychologische verschijnselen.
→ genetische basis gedrag
Rene descart Sperry
→ Psychische problemen en Neuropsycholoog die werking van
stoornissen in gedrag als externe hersenen als verklaring voor gedrag,
geesten & duivels, zeker niet als gevoelens en doen van mensen
interne biologische onevenwichten bestudeerde
→ 2 hersenhelften kunnen apart
functioneren
Biomedisch Model als verklaring
psychische problemen
,Inzichten over de link tussen lichaam en gedrag
De belangrijkste inzichten leren ons dat biologie op vier manieren gedrag beïnvloedt: via de
werking van het centraal zenuwstelsel, andere lichamelijke processen, erfelijkheid en de
menselijke evolutiegeschiedenis.
Het centraal zenuwstelsel (CZS)
De studie van een (al dan niet) goede werking van het CZS (hersenen en ruggenmerg) biedt
fundamentele inzichten:
● Hersenletsels en aandoeningen: Casussen zoals die van patiënt K.C. tonen aan hoe
specifieke schade kan leiden tot het uitvallen van functies, wat leidde tot het onderscheid
tussen episodisch geheugen (persoonlijke gebeurtenissen) en semantisch geheugen
(feitenkennis).
● Ziekte van Alzheimer: Dit leert ons over de rol van specifieke hersengebieden, zoals de
hippocampus, bij de werking van het geheugen.
● Medicatie: Onderzoek naar psychofarmaca (zoals antidepressiva) leert ons hoe
chemische processen in de hersenen, zoals het serotonineniveau, ons psychisch welzijn
beïnvloeden.
Andere lichamelijke processen en gedrag
Niet enkel de hersenen, maar het hele lichaam beïnvloedt de geest:
● Drijfveren: Hormonen spelen een rol bij basisbehoeften zoals honger, dorst en
seksualiteit.
● Lichaamsconditie: Chronische pijn kan leiden tot stress of depressie, terwijl
zwaarlijvigheid gevoelens van futloosheid kan veroorzaken.
● Omgevingsfactoren: Tekort aan zonlicht kan neerslachtigheid veroorzaken (winterdip)
door invloed op melatonine- en vitamine D-niveaus.
● Beweging: Lichaamsbeweging heeft een positieve invloed op het humeur door de
vrijgave van stoffen zoals endorfines en serotonine.
Erfelijkheid van gedrag
Studies rond erfelijkheid onderzoeken hoe genetisch materiaal (DNA) kenmerken zoals
intelligentie en persoonlijkheid bepaalt. De drie belangrijkste methodes zijn:
1. Tweelingenonderzoek: Het vergelijken van eeneiige (100% identiek DNA) en twee-eiige
tweelingen om de rol van genetica versus omgeving (nature vs. nurture) te bepalen.
2. Adoptiestudies: Het vergelijken van kinderen met hun biologische ouders (genetische
link) versus hun adoptieouders (omgevingslink).
3. Stamboomonderzoek: Het bestuderen van eigenschappen over verschillende generaties
heen om overervingspatronen (zoals dominante genen) te ontdekken.
, Evolutionaire psychologie
Binnen de evolutionaire psychologie wordt gedrag begrepen vanuit de principes van natuurlijke
selectie. Een voorbeeld hiervan is de ouderlijke investeringstheorie van Robert Trivers: de
partner die het meest investeert in nakomelingen (vaak de vrouw) is kieskeuriger bij de
partnerkeuze. Voorkeuren voor bepaalde eigenschappen (zoals betrouwbaarheid of
aantrekkelijkheid) zijn volgens deze discipline ontstaan omdat ze historisch gezien de kans op
succesvolle nakomelingen vergrootten
Begrippen
Biologische psychologie: De studie van de biologische processen die aan de basis liggen van
gedrag, gevoelens en gedachten.
Reductionisme: Het gevaar van een te eenzijdige focus op biologische verklaringen, waarbij
de menselijke vrije wil en verantwoordelijkheid uit het oog verloren kunnen worden.
Nature vs. Nurture: Het debat over de mate waarin gedrag bepaald wordt door erfelijkheid
(nature) dan wel door de omgeving en opvoeding (nurture).
Dualisme: De filosofische overtuiging dat lichaam en geest twee onafhankelijke entiteiten zijn
(gepromoot door o.a. Plato en Descartes).
Evolutieleer: De theorie van Charles Darwin die stelt dat het lichaam invloed heeft op denken
en doen via natuurlijke selectie.
Survival of the fittest: Het principe dat organismen die het best aangepast zijn aan hun
omgeving de grootste overlevings- en voortplantingskans hebben.
Het Zenuwstelsel
Centraal Zenuwstelsel (CZS): Bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg.
Perifeer Zenuwstelsel (PZS): Alle zenuwen buiten het CZS, onderverdeeld in:
- Somatisch zenuwstelsel: Stuurt de ledematen aan.
- Autonoom zenuwstelsel: Stuurt automatische processen aan (hartslag, ademhaling),
verder opgedeeld in het sympathisch (fight or flight) en parasympathisch (rust)
systeem.
Hersenhelften & Split-brain: Onderzoek dat aantoont dat de linker- en rechterhersenhelft
onafhankelijk kunnen functioneren.
Geheugensystemen: Het onderscheid tussen het declaratief (expliciet) geheugen (feiten &
kennis) en het niet-declaratief (impliciet) geheugen (automatisch).
Episodisch geheugen: Geheugen voor persoonlijke gebeurtenissen en ervaringen.
Semantisch geheugen: Geheugen voor algemene feitenkennis.
Alzheimer & Dementie: Neurodegeneratieve aandoeningen waarbij zenuwcellen in regio's
zoals de hippocampus afsterven.
Neurotransmitters: Chemische stoffen in de hersenen die signalen overdragen, zoals
serotonine en noradrenaline.
Psychofarmaca: Medicatie die inwerkt op de hersenchemie, zoals antidepressiva (o.a. SSRI's
zoals Prozac).
Hormonen: Stoffen die biologische drijfveren zoals honger, dorst en seksualiteit beïnvloeden.
Endorfines: Stoffen die vrijkomen bij beweging en een positieve invloed hebben op het humeur.
Melatonine: Een stof die beïnvloed wordt door zonlicht en een rol speelt bij de 'winterdip'.