Hoofdstuk 1: basisbegrippen
1. Onderscheid tussen wetenschappelijke kennis en mensenkennis
○ Mensenkennis = het inzicht dat mensen tijdens hun leven opbouwen over hoe
andere mensen zich gedragen; subjectief, gebaseerd op ervaringen, toevallige
gebeurtenissen, selectief, vaag en algemeen.
○ Wetenschappelijke kennis = onderscheidt zich door de manier waarop kennis
verzameld wordt; systematisch en geordend, veralgemenend, objectiverend;
gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek dat aan duidelijke voorwaarden moet
voldoen; regels en afspraken over methoden; kwaliteitsgarantie.
2. Beschrijven wat wetenschappelijk (verantwoord) onderzoek is
○ Onderzoek = een doelgericht proces waarbij men op een systematische manier
op basis van een onderzoeksontwerp data verzamelt en analyseert, om op een
betrouwbare en valide wijze onderzoeksvragen te beantwoorden die deel
uitmaken van een probleemstelling.
○ Wetenschappelijk onderzoek = voldoet aan kwaliteitscriteria: validiteit,
betrouwbaarheid, onafhankelijkheid, empirisch; hypothesen zijn toetsbaar
(falsifieerbaar).
○ Verantwoord onderzoek = houdt rekening met ethische principes: respect voor
personen, weldoen, rechtvaardigheid; geïnformeerde toestemming, vrijwilligheid,
anonimiteit, vertrouwelijkheid, welzijn en integriteit van deelnemers waarborgen.
3. Basisprincipes en vereisten voor wetenschappelijk onderzoek
○ Wetenschappelijke vereisten:
■ Empirisch: onderwerpen die zintuiglijk waarneembaar zijn; hypotheses
toetsen; studies beschrijven fenomenen en nagaan of veronderstellingen
kloppen.
■ Onafhankelijk: resultaten mogen niet beïnvloed worden door
opdrachtgever of onderzoeker; objectief en neutraal werken; niet bewust
tegenstrijdigheden wegmoffelen; confirmation bias vermijden; negatieve
caseanalyse toepassen.
■ Betrouwbaarheid: reproduceerbare resultaten; nauwkeurig werken;
transparant rapporteren; interbeoordelaarsbetrouwbaarheid controleren.
■ Validiteit: meet wat hoort te meten
■ Falsifieerbaar: toetsbaar
○ Ethische vereisten: geïnformeerde toestemming, vrijwilligheid, anonimiteit,
vertrouwelijkheid, welzijn en integriteit deelnemers.
○ Praktische vereisten: efficiënt en budgetvriendelijk werken; bruikbare
resultaten; onderzoekscompetenties en expertise van onderzoeker afstemmen
op onderzoeksopzet; duidelijke afspraken met opdrachtgever.
,4. Verschillende fases van onderzoek herkennen
○ Fase 1 – Onderzoeksplan:
- Probleemstelling: aanleiding en doelstelling schetsen, onderwerp en doelgroep
afbakenen, onderzoeksvragen formuleren
- Onderzoeksontwerp: wat je zal onderzoeken, welke kenmerken of verbanden je zal
beschrijven, bij wie je zal onderzoeken, onderzoekseenheden (populatie en steekproef),
hoe te werk gaan, welke methoden en instrumenten, grondvorm (kwanti of kwali of
combinatie)
○ Fase 2 – Dataverzameling: gegevens verzamelen bij de steekproef; nodige
informatie verzamelen om onderzoeksvragen te beantwoorden.
○ Fase 3 – Data-analyse: data verwerken en bestuderen; afhankelijk van methode
kwantitatief (statistische analyses) of kwalitatief (inhoudelijke analyses).
○ Fase 4 – Rapportage: onderzoeksvragen beantwoorden obv analyses;
terugblikken op volledige onderzoeksproces; rapporteren aan publiek (vb.
studiedag, teamoverleg).
5. Onderdelen van het onderzoeksplan
○ Probleemstelling
○ Onderzoeksontwerp
○ Planning en logboek: volledig en systematisch plannen; logboek bijhouden van
methodologische, inhoudelijke en praktische keuzes, aanpassingen, problemen
en fouten; draagt bij aan transparantie, betrouwbaarheid en interne/externe
validiteit.
Begrippenlijst
● Doelgericht – Onderwerp vooraf afgebakend via probleemstelling.
● Systematisch – Stapsgewijze en georganiseerde aanpak volgens onderzoeksontwerp.
● Validiteit – Mate waarin onderzoek meet wat het wil meten.
○ Interne validiteit – Resultaten correct toe te schrijven aan bestudeerde
variabelen.
○ Externe validiteit – Resultaten generaliseerbaar naar andere populaties of
situaties.
● Betrouwbaarheid – Mate waarin herhaling van onderzoek dezelfde resultaten oplevert;
reproduceerbaarheid.
● Triangulatie – Combineren van methoden, data, theorieën of onderzoekers om validiteit
en betrouwbaarheid te vergroten.
● Fundamenteel onderzoek – Theoriegericht; doel is kennisvermeerdering en
generaliseerbare inzichten. (unif en onderzoeksinstellingen)
● Praktijkgericht onderzoek – Toegepast; doel is praktische problemen oplossen en
resultaten toepasbaar maken.(organisaties, bedrijven, overheden)
● Actieonderzoek – Onderzoeker betrokken bij praktijksituatie; combineert onderzoek met
verbetering van situatie.
● Deskresearch – Onderzoek op basis van bestaande bronnen/literatuur. → secundair
● Fieldresearch – Onderzoek in de praktijk, directe dataverzameling bij doelgroep. → pri
,● Kwantitatief onderzoek – Onderzoek in de breedte; cijfermatige analyse; grote
steekproef. → statische analyse
● Kwalitatief onderzoek – Onderzoek in de diepte; belevingen en betekenissen; kleine
steekproef.--> inhoudsanalyse
● Cross-sectioneel onderzoek – Eenmalige meting bij deelnemers.
● Longitudinaal onderzoek – Meerdere metingen over tijd bij dezelfde of verschillende
deelnemers.
○ Trendonderzoek – Meerdere metingen, andere deelnemers.
○ Panelonderzoek – Meerdere metingen, zelfde deelnemers.
● Retrospectief onderzoek – Terugkijken naar verleden en verbanden leggen met heden.
Voorbeeld: oz naar zelfwaardering van volwassenen afh van in kindertijd gepest te zijn geweest
● Prospectief onderzoek – Vooruitkijken in de tijd, resultaten op verschillende momenten
verbinden.
Voorbeeld: ondervraging van jongeren over pesten; dan tien jaar later zelfde volwassenen
opnieuw ondervragen over zelfwaardering
● Respect voor personen – Informed consent, informatie en vrijwilligheid van deelname.
● Weldoen – Handelen om het welzijn van deelnemers te bevorderen en schade te
voorkomen.
● Rechtvaardigheid – Eerlijke verdeling van voordelen en lasten van onderzoek.
● Geïnformeerde toestemming (informed consent) – Deelnemers geven bewust
akkoord op basis van voldoende informatie.
● Vrijwilligheid – Deelname uit vrije wil; recht om op elk moment te stoppen.
● Anonimiteit – Identiteit van deelnemers niet bekend of gekoppeld aan data.
● Vertrouwelijkheid – Gegevens niet herkenbaar of gedeeld met derden.
● Welzijn en integriteit – Deelnemers mogen geen schade ondervinden door onderzoek
of rapportage.
● Empirisch – Onderzoek gebaseerd op waarneembare werkelijkheid.
● Deterministische wetmatigheden – Zonder uitzonderingen; universeel geldend.
● Probabilistische wetmatigheden – De kans is groot dat een fenomeen zich voordoet;
met mogelijkheid tot uitzonderingen, maar hierdoor niet persee weerlegt > altijd bij
sociale wetenschappen
● Confirmation bias – Neiging alleen info te zoeken of interpreteren die overtuigingen
bevestigt.
● Negative case analysis – Actief zoeken naar afwijkende/tegenstrijdige voorbeelden.
● Selectiebias – Vertekening door selectie van deelnemers.
● Respondent bias – Vertekening door manier van antwoorden of sociaal wenselijk
gedrag.
● Hawthorne effect – Verandering in gedrag door bewustzijn van deelname aan
onderzoek.
● Dubbel-blind onderzoek – Noch onderzoeker noch deelnemer weet welke conditie
wordt toegepast (bv. placebo vs. echt medicijn).
● Logboek – Notities over methodologische, inhoudelijke en praktische keuzes; bevordert
transparantie en validiteit.
, Hoofdstuk 2: het onderzoeksplan
1. Onderscheid tussen populatie en steekproef
● Populatie = alle onderzoekseenheden samen → volledige doelgroep waarop de
onderzoeksvraag betrekking heeft
● Steekproef = selectie uit de populatie → wie je effectief onderzoekt
● Je kiest een steekproef omdat je niet alles over iedereen kan onderzoeken
Verschil kwantitatief vs kwalitatief:
● Kwantitatief: grote, representatieve steekproef (“doorsnee van de populatie”)
● Kwalitatief: kleine, doelgerichte steekproef (rijk aan informatie, verschillende
perspectieven)
Kern: populatie = geheel, steekproef = deel
2. Manieren van steekproeftrekking
De manier waarop je een steekproef samenstelt hangt af van wat je wil bereiken met je
onderzoek. Je maakt dus bewuste keuzes en gaat je steekproef afbakenen op basis van
verschillende factoren.
Belangrijke factoren:
● Doelstelling van het onderzoek → wat wil je te weten komen?
● Literatuur en bestaande kennis → wat weten we al over het onderwerp?
● Praktische factoren → tijd, budget, haalbaarheid
Kwantitatief onderzoek:
● Gericht op veralgemeenbaarheid
● Je hebt een grote steekproef nodig
● Die moet representatief zijn voor de populatie (een “doorsnee”)
● Vaak meer gestructureerd en vooraf bepaald
1. Onderscheid tussen wetenschappelijke kennis en mensenkennis
○ Mensenkennis = het inzicht dat mensen tijdens hun leven opbouwen over hoe
andere mensen zich gedragen; subjectief, gebaseerd op ervaringen, toevallige
gebeurtenissen, selectief, vaag en algemeen.
○ Wetenschappelijke kennis = onderscheidt zich door de manier waarop kennis
verzameld wordt; systematisch en geordend, veralgemenend, objectiverend;
gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek dat aan duidelijke voorwaarden moet
voldoen; regels en afspraken over methoden; kwaliteitsgarantie.
2. Beschrijven wat wetenschappelijk (verantwoord) onderzoek is
○ Onderzoek = een doelgericht proces waarbij men op een systematische manier
op basis van een onderzoeksontwerp data verzamelt en analyseert, om op een
betrouwbare en valide wijze onderzoeksvragen te beantwoorden die deel
uitmaken van een probleemstelling.
○ Wetenschappelijk onderzoek = voldoet aan kwaliteitscriteria: validiteit,
betrouwbaarheid, onafhankelijkheid, empirisch; hypothesen zijn toetsbaar
(falsifieerbaar).
○ Verantwoord onderzoek = houdt rekening met ethische principes: respect voor
personen, weldoen, rechtvaardigheid; geïnformeerde toestemming, vrijwilligheid,
anonimiteit, vertrouwelijkheid, welzijn en integriteit van deelnemers waarborgen.
3. Basisprincipes en vereisten voor wetenschappelijk onderzoek
○ Wetenschappelijke vereisten:
■ Empirisch: onderwerpen die zintuiglijk waarneembaar zijn; hypotheses
toetsen; studies beschrijven fenomenen en nagaan of veronderstellingen
kloppen.
■ Onafhankelijk: resultaten mogen niet beïnvloed worden door
opdrachtgever of onderzoeker; objectief en neutraal werken; niet bewust
tegenstrijdigheden wegmoffelen; confirmation bias vermijden; negatieve
caseanalyse toepassen.
■ Betrouwbaarheid: reproduceerbare resultaten; nauwkeurig werken;
transparant rapporteren; interbeoordelaarsbetrouwbaarheid controleren.
■ Validiteit: meet wat hoort te meten
■ Falsifieerbaar: toetsbaar
○ Ethische vereisten: geïnformeerde toestemming, vrijwilligheid, anonimiteit,
vertrouwelijkheid, welzijn en integriteit deelnemers.
○ Praktische vereisten: efficiënt en budgetvriendelijk werken; bruikbare
resultaten; onderzoekscompetenties en expertise van onderzoeker afstemmen
op onderzoeksopzet; duidelijke afspraken met opdrachtgever.
,4. Verschillende fases van onderzoek herkennen
○ Fase 1 – Onderzoeksplan:
- Probleemstelling: aanleiding en doelstelling schetsen, onderwerp en doelgroep
afbakenen, onderzoeksvragen formuleren
- Onderzoeksontwerp: wat je zal onderzoeken, welke kenmerken of verbanden je zal
beschrijven, bij wie je zal onderzoeken, onderzoekseenheden (populatie en steekproef),
hoe te werk gaan, welke methoden en instrumenten, grondvorm (kwanti of kwali of
combinatie)
○ Fase 2 – Dataverzameling: gegevens verzamelen bij de steekproef; nodige
informatie verzamelen om onderzoeksvragen te beantwoorden.
○ Fase 3 – Data-analyse: data verwerken en bestuderen; afhankelijk van methode
kwantitatief (statistische analyses) of kwalitatief (inhoudelijke analyses).
○ Fase 4 – Rapportage: onderzoeksvragen beantwoorden obv analyses;
terugblikken op volledige onderzoeksproces; rapporteren aan publiek (vb.
studiedag, teamoverleg).
5. Onderdelen van het onderzoeksplan
○ Probleemstelling
○ Onderzoeksontwerp
○ Planning en logboek: volledig en systematisch plannen; logboek bijhouden van
methodologische, inhoudelijke en praktische keuzes, aanpassingen, problemen
en fouten; draagt bij aan transparantie, betrouwbaarheid en interne/externe
validiteit.
Begrippenlijst
● Doelgericht – Onderwerp vooraf afgebakend via probleemstelling.
● Systematisch – Stapsgewijze en georganiseerde aanpak volgens onderzoeksontwerp.
● Validiteit – Mate waarin onderzoek meet wat het wil meten.
○ Interne validiteit – Resultaten correct toe te schrijven aan bestudeerde
variabelen.
○ Externe validiteit – Resultaten generaliseerbaar naar andere populaties of
situaties.
● Betrouwbaarheid – Mate waarin herhaling van onderzoek dezelfde resultaten oplevert;
reproduceerbaarheid.
● Triangulatie – Combineren van methoden, data, theorieën of onderzoekers om validiteit
en betrouwbaarheid te vergroten.
● Fundamenteel onderzoek – Theoriegericht; doel is kennisvermeerdering en
generaliseerbare inzichten. (unif en onderzoeksinstellingen)
● Praktijkgericht onderzoek – Toegepast; doel is praktische problemen oplossen en
resultaten toepasbaar maken.(organisaties, bedrijven, overheden)
● Actieonderzoek – Onderzoeker betrokken bij praktijksituatie; combineert onderzoek met
verbetering van situatie.
● Deskresearch – Onderzoek op basis van bestaande bronnen/literatuur. → secundair
● Fieldresearch – Onderzoek in de praktijk, directe dataverzameling bij doelgroep. → pri
,● Kwantitatief onderzoek – Onderzoek in de breedte; cijfermatige analyse; grote
steekproef. → statische analyse
● Kwalitatief onderzoek – Onderzoek in de diepte; belevingen en betekenissen; kleine
steekproef.--> inhoudsanalyse
● Cross-sectioneel onderzoek – Eenmalige meting bij deelnemers.
● Longitudinaal onderzoek – Meerdere metingen over tijd bij dezelfde of verschillende
deelnemers.
○ Trendonderzoek – Meerdere metingen, andere deelnemers.
○ Panelonderzoek – Meerdere metingen, zelfde deelnemers.
● Retrospectief onderzoek – Terugkijken naar verleden en verbanden leggen met heden.
Voorbeeld: oz naar zelfwaardering van volwassenen afh van in kindertijd gepest te zijn geweest
● Prospectief onderzoek – Vooruitkijken in de tijd, resultaten op verschillende momenten
verbinden.
Voorbeeld: ondervraging van jongeren over pesten; dan tien jaar later zelfde volwassenen
opnieuw ondervragen over zelfwaardering
● Respect voor personen – Informed consent, informatie en vrijwilligheid van deelname.
● Weldoen – Handelen om het welzijn van deelnemers te bevorderen en schade te
voorkomen.
● Rechtvaardigheid – Eerlijke verdeling van voordelen en lasten van onderzoek.
● Geïnformeerde toestemming (informed consent) – Deelnemers geven bewust
akkoord op basis van voldoende informatie.
● Vrijwilligheid – Deelname uit vrije wil; recht om op elk moment te stoppen.
● Anonimiteit – Identiteit van deelnemers niet bekend of gekoppeld aan data.
● Vertrouwelijkheid – Gegevens niet herkenbaar of gedeeld met derden.
● Welzijn en integriteit – Deelnemers mogen geen schade ondervinden door onderzoek
of rapportage.
● Empirisch – Onderzoek gebaseerd op waarneembare werkelijkheid.
● Deterministische wetmatigheden – Zonder uitzonderingen; universeel geldend.
● Probabilistische wetmatigheden – De kans is groot dat een fenomeen zich voordoet;
met mogelijkheid tot uitzonderingen, maar hierdoor niet persee weerlegt > altijd bij
sociale wetenschappen
● Confirmation bias – Neiging alleen info te zoeken of interpreteren die overtuigingen
bevestigt.
● Negative case analysis – Actief zoeken naar afwijkende/tegenstrijdige voorbeelden.
● Selectiebias – Vertekening door selectie van deelnemers.
● Respondent bias – Vertekening door manier van antwoorden of sociaal wenselijk
gedrag.
● Hawthorne effect – Verandering in gedrag door bewustzijn van deelname aan
onderzoek.
● Dubbel-blind onderzoek – Noch onderzoeker noch deelnemer weet welke conditie
wordt toegepast (bv. placebo vs. echt medicijn).
● Logboek – Notities over methodologische, inhoudelijke en praktische keuzes; bevordert
transparantie en validiteit.
, Hoofdstuk 2: het onderzoeksplan
1. Onderscheid tussen populatie en steekproef
● Populatie = alle onderzoekseenheden samen → volledige doelgroep waarop de
onderzoeksvraag betrekking heeft
● Steekproef = selectie uit de populatie → wie je effectief onderzoekt
● Je kiest een steekproef omdat je niet alles over iedereen kan onderzoeken
Verschil kwantitatief vs kwalitatief:
● Kwantitatief: grote, representatieve steekproef (“doorsnee van de populatie”)
● Kwalitatief: kleine, doelgerichte steekproef (rijk aan informatie, verschillende
perspectieven)
Kern: populatie = geheel, steekproef = deel
2. Manieren van steekproeftrekking
De manier waarop je een steekproef samenstelt hangt af van wat je wil bereiken met je
onderzoek. Je maakt dus bewuste keuzes en gaat je steekproef afbakenen op basis van
verschillende factoren.
Belangrijke factoren:
● Doelstelling van het onderzoek → wat wil je te weten komen?
● Literatuur en bestaande kennis → wat weten we al over het onderwerp?
● Praktische factoren → tijd, budget, haalbaarheid
Kwantitatief onderzoek:
● Gericht op veralgemeenbaarheid
● Je hebt een grote steekproef nodig
● Die moet representatief zijn voor de populatie (een “doorsnee”)
● Vaak meer gestructureerd en vooraf bepaald