1. Begrippen omschrijven en toepassen
● Biomedisch ziektemodel: De opvatting dat ziekten een fysiologische verklaring hebben
en dat genezing mechanistisch en rechtlijnig werkt. Gezondheid wordt hierbij
gedefinieerd als de afwezigheid van ziekte. Het model is reductionistisch omdat het de
mens reduceert tot cellen of biochemische activiteit.
● Biopsychosociaal ziektemodel: Het standpunt dat ziekten en symptomen verklaard
worden door een combinatie van lichamelijke, sociale, culturele en psychologische
factoren.
● Positieve gezondheid: Een brede kijk op gezondheid, gedefinieerd als het vermogen
om je aan te passen en eigen regie te voeren in het licht van sociale, fysieke en
emotionele uitdagingen.
● Gezondheidsgedrag: Gedrag dat bedoeld is om de gezondheid te beschermen,
bevorderen of in stand te houden, ongeacht de huidige gezondheidstoestand (bijv.
gezonde voeding eten).
● Holistische benadering: Een visie waarbij men niet alleen naar het lichamelijke kijkt,
maar naar het hele wezen (geest, lichaam en ziel geïntegreerd).
● Collectivistische benadering: Een filosofie die de nadruk legt op het individu als deel
van een groter geheel; acties worden gemotiveerd door collectieve behoeften en de
gezondheid staat in relatie tot sociaal functioneren.
● Individualistische benadering: Een filosofie die de verantwoordelijkheid bij het individu
legt; eigen behoeften en wensen motiveren het gedrag.
● Ziekte Attributie: Het toekennen van een oorzaak aan een ziekte, wat extern (lot,
toeval) of intern (eigen schuld, gebrek aan weerstand) kan zijn.
● Zelfconcept: De bewuste gedachten en aannames over jezelf die zorgen voor een
gevoel van een afzonderlijk persoon te zijn; dit blijft tijdens het ouder worden relatief
stabiel.
● Incidentie: Het aantal nieuwe gevallen van een ziekte gedurende een specifiek
tijdsinterval.
● Mortaliteit: De sterfte of het sterftecijfer binnen een populatie.
2. Het Biopsychosociaal vs. Biomedisch model
Het biomedisch model vertrekt vanuit het idee dat ziekte en symptomen een zuiver
lichamelijke oorzaak hebben. Gezondheid wordt gezien als de afwezigheid van ziekte,
waarbij elk symptoom kan worden verklaard door een onderliggende pathologie en behandeld
via medische interventies. Dit model is reductionistisch en maakt een strikte scheiding tussen
lichaam en geest. Het houdt weinig rekening met individuele verschillen, zoals psychologische
factoren, gedrag of sociale en culturele context, maar is wel zeer succesvol gebleken bij de
behandeling van infectieziekten en via bijvoorbeeld vaccinaties.
Het biopsychosociaal model daarentegen beschouwt gezondheid en ziekte als het resultaat
van een samenspel tussen biologische, psychologische en sociale factoren. Naast
lichamelijke oorzaken spelen ook gedachten, emoties, gedrag, sociale omgeving en culturele
betekenissen een belangrijke rol. Gezondheid is hierbij meer dan niet-ziek zijn en wordt gezien
,als het vermogen om zich aan te passen en regie te voeren over het eigen leven. Dit model
erkent dat mensen verschillend omgaan met dezelfde ziekte en dat subjectieve beleving en
levenskwaliteit essentieel zijn in het begrijpen en behandelen van gezondheidsproblemen.
3. Wisselwerking tussen lichaam en geest
De bronnen benadrukken dat de 'geest' een cruciale rol speelt bij organische oorzaken.
Concepten zoals conversiehysterie (pijn zonder medische verklaring door onbewuste
conflicten) en de psychosomatische geneeskunde tonen aan dat emoties, overtuigingen en
stress de ziekte-ervaring beïnvloeden. Een voorbeeld van deze interactie is het placebo-effect
of fantoompijn, waarbij psychologische processen fysieke gewaarwordingen beïnvloeden.
4. Concept van Positieve Gezondheid toepassen
Positieve gezondheid wordt gevisualiseerd via een spinnenweb met zes dimensies:
lichaamsfuncties, mentale functies/beleving, spiritueel/existentiële dimensie, kwaliteit van leven,
sociaal-maatschappelijke participatie en dagelijks functioneren. Het wordt toegepast op
verschillende niveaus:
● Nano (Individu): Bij gesprekken over chronische ziekte of eenzaamheid om de eigen
regie te versterken.
● Micro (Organisatie): Om ziekteverzuim te verminderen.
● Meso (Gemeente): Om beleid beter af te stemmen op de behoeften van burgers.
● Macro (Landelijk): Om gezondheidsachterstanden op grote schaal aan te pakken.
5. De rol van psychologie in gezondheid
De psychologie draagt bij aan de gezondheid door het beschrijven, verklaren en voorspellen
van gedrag en mentale processen. Gezondheidspsychologie is een toegepaste wetenschap
die psychologische kennis gebruikt voor de bevordering van gezondheid, preventie van ziekte
en de behandeling van disfuncties. Het onderzoekt hoe gedachten (niet altijd waarneembaar)
via zelfrapportage in kaart kunnen worden gebracht om interventies te evalueren.
6. Contexten waarin gezondheidspsychologie wordt toegepast
Kennis van de gezondheidspsychologie wordt in diverse domeinen gebruikt:
● Gedragsgeneeskunde: Toepassen van leerprincipes (zoals conditionering) op leefwijze
en gezondheid.
● Interdisciplinaire teams: Samenwerking met medici en sociologen om infectieziekten
of epidemieën te bestrijden.
● Gezondheidsvoorlichting: Bijvoorbeeld door CM-gezondheidsconsulenten die via
motivatie en actieplannen mensen helpen hun gezondheid in eigen handen te nemen.
● Klinische setting: Ondersteuning bij psychische kwetsbaarheid of chronische
aandoeningen.
,Hoofdstuk 2
1. Begrippen omschrijven en toepassen
• Gezondheidsverschillen: Het gegeven dat mensen verschillen in hun gezondheidstoestand,
zowel op individueel niveau als tussen groepen. Deze verschillen worden beïnvloed door
biologische factoren, gezondheidsgedrag (zoals voeding en beweging) en omgevings-, culturele
en sociale factoren.
• Eerstelijnsgezondheidszorg: De direct toegankelijke zorg, zoals de huisarts. De bronnen
geven aan dat de toegang tot deze zorg verschilt; zo hebben mensen met een Turkse of
Marokkaanse migratieachtergrond in België minder vaak een vaste huisarts als referentie.
• Prevalentie: de mate van het voorkomen van ziekte in een specifieke populatie op een
bepaald moment of gedurende een tijdsperiode
• Preventie : het nemen van maatregelen om ziekte of problemen te voorkomen
• Health literacy (Gezondheidsvaardigheden): De essentiële vaardigheden om
gezondheidsinformatie te vinden, te begrijpen en toe te passen om weloverwogen keuzes te
maken. Dit omvat functionele (lezen/rekenen), communicatieve (vragen stellen) en kritische
vaardigheden (informatie beoordelen).
• Eigen risico: Het bedrag dat verzekerden (voornamelijk in het Nederlandse stelsel) eerst zelf
moeten betalen voordat de basisverzekering de kosten vergoedt. De angst voor deze kosten of
een hoge eigen bijdrage kan een barrière vormen om noodzakelijke hulp te zoeken.
Bv. Kraamzorgorganisaties (2022) meldden dat zwangere vrouwen met met beperkte financiële
middelen steeds vaker kraamzorg weigeren, omdat ze eigen bijdrage niet kunnen betalen.
2. Sociale en culturele verschillen in ziekte en gezondheid
De bronnen beschrijven uitgebreid hoe de sociale en culturele context de gezondheid
beïnvloedt:
Sociale verschillen (SES en Leefomgeving):
• Sociaaleconomische status (SES): Er is een sociale gradiënt: hoe hoger de SES (inkomen,
opleiding, beroep), hoe beter de gezondheid. Mensen met een lage SES ervaren meer stress,
hebben vaker een ongezonde leefstijl en leven gemiddeld korter.
• Sociale causaliteit vs. Sociale drift: Lage SES kan ziekte veroorzaken door slechte
omstandigheden (causaliteit), maar ziekte kan ook leiden tot een daling op de sociale ladder
doordat men bijvoorbeeld werk verliest (drift).
• Huisvesting en werk: Mensen met een lagere SES wonen vaker in vervuilde omgevingen
(nabij industrie of hoofdwegen) en hebben vaker banen met hogere fysieke risico's.
Culturele en Minderheidsverschillen:
• Minderheidsstress: Groepen zoals de LGBTQIA+-gemeenschap ervaren extra stress door
discriminatie, uitsluiting en vooroordelen, wat leidt tot een hoger risico op psychische klachten
en zorgmijdend gedrag.
• Etnische minderheden: Verschillen in gezondheid worden deels verklaard door een lagere
SES, maar ook door specifieke taal- en cultuurbarrières in de zorg. In België worden daarom
interculturele bemiddelaars ingezet.
, • Culturele overtuigingen: Attitudes tegenover zorg (zoals moslim vrouwen die een voorkeur
voor vrouwelijke artsen hebben ) of fatalistische opvattingen over ziekte (bijv. kanker als straf
van God) kunnen de deelname aan bevolkingsonderzoeken beïnvloeden.
• Discriminatie en biologie: Chronische ervaringen met discriminatie en racisme kunnen
leiden tot allostatische belasting (cumulatieve slijtage van het lichaam die ontstaat wanneer
iemand langdurig of herhaaldelijk wordt blootgesteld aan stress. ) en versnelde celveroudering.
Geslachtsverschillen:
• Vrouwen leven gemiddeld langer dan mannen, maar mannen rapporteren vaker een betere
gezondheid en zoeken minder snel medische hulp. Mannen vertonen vaker risicovol gedrag
(zoals roken of alcoholgebruik), terwijl vrouwen vaker te maken hebben met risico's gerelateerd
aan zwangerschap of gebrek aan seksuele controle door ongelijkheid.
Hoofdstuk 5
1. Begrippen omschrijven en toepassen
● (Health) Locus of Control (LoC): Een persoonlijkheidskenmerk dat aangeeft waar
iemand de verantwoordelijkheid voor gebeurtenissen legt. (hoeveel controle hij heeft)
○ Interne LoC: Mensen geloven dat hun eigen handelingen invloed hebben op de
resultaten en schrijven verantwoordelijkheid aan zichzelf toe.
○ Externe LoC: Mensen geloven dat hun handelen geen invloed heeft en dat
resultaten afhangen van factoren buiten henzelf, zoals het lot of toeval.
○ Multidimensional Health LoC: Specifieke schaal die meet of gezondheid
afhangt van persoonlijke controle, gezaghebbende anderen (zoals artsen) of
het noodlot. Mensen met een interne of gezaghebbende HLoC vertonen eerder
gezondheidsbeschermend gedrag.
● Zelfbeschikkingstheorie (Zelfdeterminatietheorie): Deze theorie van Deci & Ryan
stelt dat gedrag gemotiveerd wordt door drie psychologische kernbehoeften: autonomie,
competentie en verbondenheid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen intrinsieke
motivatie (persoonlijke bevrediging) en extrinsieke motivatie (externe beloningen).
● Coping: De manier waarop individuen omgaan met stressvolle situaties of ingrijpende
levensgebeurtenissen.
● Zelfregulatie: De cognitieve en gedragsmatige processen waarmee mensen hun
gedrag controleren en aanpassen om doelen te bereiken of ongewenste situaties te
voorkomen. Dit vereist zowel cognitieve controle als emotieregulering.
● Onrealistisch optimisme (Optimisme bias): De neiging van mensen om te denken dat
zij zelf minder risico lopen op negatieve gebeurtenissen of ziekten dan vergelijkbare
anderen. Dit wordt vaak veroorzaakt door een gebrek aan persoonlijke ervaring met het
probleem of de overtuiging dat men het probleem zelf kan voorkomen.
● Descriptieve normen: wat de meeste mensen feitelijk doen.
● Injunctieve normen: wat volgens regels, wetten of waarden hoort te gebeuren.
● Gepercipieerde normen: wat mensen dénken dat de groepsnorm is.
● Subjectieve normen: wat iemand ervaart dat belangrijke anderen van hem/haar
verwachten.
2. Gezondheidsdeterminanten versus Gedragsdeterminanten