Samenvatting Beïnvloeden en veranderen
van gedrag
Hoofdstuk 1: Denken in termen van nurture
Nature versus nurture. In hoeverre zijn eigenschappen aangeboren of aangeleerd?
Nature = genen
Nurture = opvoeding/leerprocessen
Gedetermineerd = houdt in dat genen bepalend zijn bij de uiting van eigenschappen.
Predispositie = de opvatting dat mensen een ‘aanleg’ hebben om bijvoorbeeld depressief te worden.
Dit betekent niet dat iemand per se depressief wordt, maar de omgeving heeft hier een sterke
invloed op.
Je mensbeeld bepaalt niet alleen je eigen gedrag maar ook in hoeverre je denkt dat andermans
gedrag beïnvloedbaar is.
Incremental theory = geloof dat eigenschappen trainbaar zijn (zoals je IQ).
Entity theory = geloof dat eigenschappen vast staan.
Hoofdstuk 2: Leren
Bij klassieke conditionering (Pavlov) wordt een neutrale stimulus vlak voor of tegelijkertijd met een
ongeconditioneerde stimulus aangeboden. Zodra de koppeling tot stand is gebracht, wordt de
neutrale stimulus een geconditioneerde stimulus.
Geconditioneerde reacties kunnen ook weer gedeconditioneerd worden. dit proces wordt uitdoving
of extinctie genoemd.
Er kan ook sprake zijn van generalisatie. Dit betekent dat er op een nieuwe stimulus, die lijkt op de
originele geconditioneerde stimulus, op dezelfde manier wordt gereageerd. De tegenhanger hiervan
is discriminatie, dit houdt in dat je alleen op de geconditioneerde stimulus reageert en niet of dingen
die er op lijken (bijvoorbeeld angst voor een trekker, maar niet voor een vrachtwagen).
Operante conditionering (Skinner) wordt gekoppeld aan beloningen en straffen.
Operant gedrag kan bekrachtigd worden of bestraft worden.
Positieve bekrachtiging = beloning krijgen
Positieve straf = straf geven
, Negatieve straf = positieve beloning wordt niet gegeven (zoals loonsverhoging die niet doorgaat)
Negatieve bekrachtiging = een verwachte straf die niet gegeven wordt
Over het algemeen geldt dat belonen effectiever is dan straffen. Ten eerste omdat men over het
algemeen meer gemotiveerd raken door het ontvangen van beloningen dan door het ontvangen van
straffen. Ten tweede omdat bij het geven van een beloning het gewenste gedrag gedemonstreerd
wordt, terwijl dit bij het straffen niet het geval is.
Het prijzen van gedrag dat in de richting komt van het gewenste gedrag wordt shaping genoemd.
Door positief gedrag sporadisch te belonen is het beter bestand tegen extinctie (partiële
bekrachtiging). Dit kan alleen ook tot negatieve gevolgen leiden, bijvoorbeeld wanneer een kind
telkens zeurt om een snoepje en de moeder het dan toch een keer geeft. Het gevolg is dat het kind
niet leert dat zeuren niet goed is en juist denk dat het werkt.
Het na-apen van gedrag wordt ook wel sociaal of observationeel leren genoemd. Dit leergedrag
wordt versterkt wanneer er een goed voorbeeld wordt gegeven.
Gedrag kan bewust en onbewust overgenomen worden. Mensen beschikken over spiegelneuronen,
deze zijn actief bij het uitvoeren van gedrag en bij het zien van gedrag bij anderen. Bij het zien van
andermans gedrag worden delen van de hersenen actief die betrokken zijn bij het zelf uitvoeren van
gedrag. Hierdoor ben je sneller geneigd om dat gedrag ook uit te voeren.
Spiegelneuronen staan waarschijnlijk ook aan de basis van sociaal leren.
Emoties worden vaak ook onbewust van een ander overgenomen = emotiebesmetting (emotion
contagion).
Factoren die een rol spelen bij het bewust kopiëren van gedrag zijn:
- Het inschatten van de opbrengsten van het gedrag
- De haalbaarheid van het gedrag (zelfeffectiviteit)
- De herkenbaarheid van het rolmodel
- De status van het rolmodel
Bij een positief rolmodel kunnen effecten als haalbaar en niet haalbaar worden gezien.
Bij een negatief rolmodel kunnen effecten optreden als vermijdbaar en onvermijdbaar.
Cognitief leren = het leerproces dat plaatsvindt door te lezen, luisteren en zelf na te denken.
Binnen de cognitieve psychologie werd alles wat niet waarneembaar was (black box) niet
bestudeerd. Dit zou anders namelijk tot subjectieve resultaten leiden aangezien het niet
controleerbaar was door externe observatoren. Dit veranderde met de komst van de computer.
Functie van concepten:
- Sturen van de aandacht
- Classificatie
- Interpretatie
- Leren
- Communicatie
- Voorspellen van en actief in kunnen grijpen op de situatie
van gedrag
Hoofdstuk 1: Denken in termen van nurture
Nature versus nurture. In hoeverre zijn eigenschappen aangeboren of aangeleerd?
Nature = genen
Nurture = opvoeding/leerprocessen
Gedetermineerd = houdt in dat genen bepalend zijn bij de uiting van eigenschappen.
Predispositie = de opvatting dat mensen een ‘aanleg’ hebben om bijvoorbeeld depressief te worden.
Dit betekent niet dat iemand per se depressief wordt, maar de omgeving heeft hier een sterke
invloed op.
Je mensbeeld bepaalt niet alleen je eigen gedrag maar ook in hoeverre je denkt dat andermans
gedrag beïnvloedbaar is.
Incremental theory = geloof dat eigenschappen trainbaar zijn (zoals je IQ).
Entity theory = geloof dat eigenschappen vast staan.
Hoofdstuk 2: Leren
Bij klassieke conditionering (Pavlov) wordt een neutrale stimulus vlak voor of tegelijkertijd met een
ongeconditioneerde stimulus aangeboden. Zodra de koppeling tot stand is gebracht, wordt de
neutrale stimulus een geconditioneerde stimulus.
Geconditioneerde reacties kunnen ook weer gedeconditioneerd worden. dit proces wordt uitdoving
of extinctie genoemd.
Er kan ook sprake zijn van generalisatie. Dit betekent dat er op een nieuwe stimulus, die lijkt op de
originele geconditioneerde stimulus, op dezelfde manier wordt gereageerd. De tegenhanger hiervan
is discriminatie, dit houdt in dat je alleen op de geconditioneerde stimulus reageert en niet of dingen
die er op lijken (bijvoorbeeld angst voor een trekker, maar niet voor een vrachtwagen).
Operante conditionering (Skinner) wordt gekoppeld aan beloningen en straffen.
Operant gedrag kan bekrachtigd worden of bestraft worden.
Positieve bekrachtiging = beloning krijgen
Positieve straf = straf geven
, Negatieve straf = positieve beloning wordt niet gegeven (zoals loonsverhoging die niet doorgaat)
Negatieve bekrachtiging = een verwachte straf die niet gegeven wordt
Over het algemeen geldt dat belonen effectiever is dan straffen. Ten eerste omdat men over het
algemeen meer gemotiveerd raken door het ontvangen van beloningen dan door het ontvangen van
straffen. Ten tweede omdat bij het geven van een beloning het gewenste gedrag gedemonstreerd
wordt, terwijl dit bij het straffen niet het geval is.
Het prijzen van gedrag dat in de richting komt van het gewenste gedrag wordt shaping genoemd.
Door positief gedrag sporadisch te belonen is het beter bestand tegen extinctie (partiële
bekrachtiging). Dit kan alleen ook tot negatieve gevolgen leiden, bijvoorbeeld wanneer een kind
telkens zeurt om een snoepje en de moeder het dan toch een keer geeft. Het gevolg is dat het kind
niet leert dat zeuren niet goed is en juist denk dat het werkt.
Het na-apen van gedrag wordt ook wel sociaal of observationeel leren genoemd. Dit leergedrag
wordt versterkt wanneer er een goed voorbeeld wordt gegeven.
Gedrag kan bewust en onbewust overgenomen worden. Mensen beschikken over spiegelneuronen,
deze zijn actief bij het uitvoeren van gedrag en bij het zien van gedrag bij anderen. Bij het zien van
andermans gedrag worden delen van de hersenen actief die betrokken zijn bij het zelf uitvoeren van
gedrag. Hierdoor ben je sneller geneigd om dat gedrag ook uit te voeren.
Spiegelneuronen staan waarschijnlijk ook aan de basis van sociaal leren.
Emoties worden vaak ook onbewust van een ander overgenomen = emotiebesmetting (emotion
contagion).
Factoren die een rol spelen bij het bewust kopiëren van gedrag zijn:
- Het inschatten van de opbrengsten van het gedrag
- De haalbaarheid van het gedrag (zelfeffectiviteit)
- De herkenbaarheid van het rolmodel
- De status van het rolmodel
Bij een positief rolmodel kunnen effecten als haalbaar en niet haalbaar worden gezien.
Bij een negatief rolmodel kunnen effecten optreden als vermijdbaar en onvermijdbaar.
Cognitief leren = het leerproces dat plaatsvindt door te lezen, luisteren en zelf na te denken.
Binnen de cognitieve psychologie werd alles wat niet waarneembaar was (black box) niet
bestudeerd. Dit zou anders namelijk tot subjectieve resultaten leiden aangezien het niet
controleerbaar was door externe observatoren. Dit veranderde met de komst van de computer.
Functie van concepten:
- Sturen van de aandacht
- Classificatie
- Interpretatie
- Leren
- Communicatie
- Voorspellen van en actief in kunnen grijpen op de situatie