1
,HOOFDSTUK 1.
IN LE IDIN G: DE FIN ITIE, DOE LSTE LLINGE N EN A AN PA K
DE FINIT IE
De iure = volgens het recht → acht iedereen te kennen
De facto = in de feiten → kent iedereen het recht?
A. Geschiedenis
1. Rechtsgeschiedenis = metajuridica
Niet het ‘positieve’ recht (praktische toepassing)
Wel de interactie van recht en macht, politiek, techniek, religie, klimaat,…
Beschouwend, kritisch, reflecterend, contextualiserend,…
Positieve recht = geldig op een bepaalde plaats/tijdstip en dat afdwingbaar is in en bepaalde jurisdictie
→ ”volgens het op dit ogenblik gelde recht in dit land
Positieve recht is niet zo logisch, niet zo efficiënt en niet zo effectief (bv. straffen verhogen om
criminaliteit tegen te gaan) → positief recht gaat uit van de structuur van het recht
Recht is beïnvloed door macht en politiek → publiekrecht is gestolde politiek
Onze regels zijn afhankelijk (nieuwe) technieken en religie
Dag van vandaag nog altijd invloed van religie ondanks scheiding van kerk en staat (bv. Islamitische
landen, bij ons: eed afleggen van de minister/getuigen in rechtbank, tot 1967: “zo helpe mij God)
De eed in positief recht = plechtige verklaring voor de rechtbank waarbij de getuige belooft de
waarheid te vertellen (nog altijd in ons rechtssysteem door de kerk)
Juridische vakken bestuderen het recht vanuit het positieve recht
Metajuridische vakken bestuderen het recht vanuit een andere wetenschap = altijd interdisciplinair
Verschillende interpretaties: sociologie, filosofie, economie, psychologie,…
Ook de rechtsgeschiedenis is een metajuridisch vak, dat wil zeggen dat de rechtshistoricus het
juridische paradigma bestudeert als een buitenstaander
Een paradigma v/h positieve recht = geheel van veronderstellingen waarop een wetenschap is
gebaseerd en gebouwd
Uit het juridisch paradigma stappend (bv. “nemo censetur ignorare legem” = iedereen wordt geacht
de wet te kennen)
Rechtsgeschiedenis in de opleiding rechten
Als ‘inleidende duiding’
Als wetenschappelijke vorming
Als resultaat van de ‘Historische Rechtsschule’
Carl Friedrich von Savigny (19de eeuw): recht drukt de ‘Volksgeist’ uit
2
,→ In de “Historische Rechtsschule” ontstond er onder impuls van Carl Friedrich von Savigny
(grondlegger hedendaagse rechtsgeschiedenis) een nieuw paradigma → het paradigma houdt in dat
elk recht een eigen “Volksgeist” uitdrukt (het recht wordt gemaakt door mensen die samenleven en
hun politiek = volksgeest)
2. Wisselwerking: recht – geschiedenis / rechtswetenschap – geschiedeniswetenschap
“GESCHIEDENIS ‘DIENT’ recht” = de geschiedeniswetenschap, de manier van denken van de historicus,
de instelling van wetende dat dat alles altijd in evolutie is, je gaat op heuristiek vlak geen fouten maken
Toepassing van de norm in de tijd (HEURISTIEK)
Heuristiek = de kunde/vaardigheid van het zoeken en vinden
Juridische heuristiek = de vaardigheid om het recht te vinden
Bv. wetshistoriek in ‘geconsolideerde’ wetgeving; non-retroactiviteit; overgangsbepalingen (=
bepalingen in de wet die bepalen hoe de overgang tussen de oude wetgeving en de nieuwe wetgeving
wordt geregeld)
Op vlak van de heuristiek moet de juriste zich steeds bewust zijn van het tijdsverloop tussen de feiten
en het moment waarop (naar aanleiding van een geschil van diezelfde feiten) moet worden geoordeeld
→ moeten worden beoordeeld a.d.h.v. het recht zoals het gold op moment van de feiten
Wanneer iets niet strafbaar was en het wordt strafbaar → straf wordt niet retroactief
MAAR een mildere strafwet mag WEL retroactief toegepast worden
“Tempus regit actum” = “de tijd regelt de vorm van de akte”
→ probleem van intertemporeel recht = recht dat van toepassing is wanneer meerdere historische
tijdperken elkaar opvolgen (oud en nieuw rechtssysteem: “wat zijn de overgangsbepalingen?”)
Bv. iemand leeft in 1781 en wil zijn testament maken, de pastoor maakt die en sterft net na de
Belgische onafhankelijkheid, testament van bij de pastoor gelden niet meer na Code Civil (1804) en
moet eigenhandig of door notaris gemaakt worden
→ oplossen door regels van IPR toe te passen: wanneer een akte voldoet aan de vormvoorwaarden,
aan de formele aspecten aan de plaats waar de akte is opgesteld dan blijft de akte geldig ook wordt de
akte toegepast waar de regels anders zijn
Bv. Testament voor pastoor vóór 1789:
Inhoud: geldigheid van akte (2)
Vormelijke/formele geldigheid (Ecuador) → geldigheid van oude pastoors testament
Inhoudelijke/materiële geldigheid (België) → geldigheid recht op moment van overlijden
Vorm: testeervormen (3)
Eigenhandig testament
Notarieel testament
Geschreven document door notaris geregistreerd (tussenvorm)
3
, Correct (evolutief) begrip van de norm (INTERPRETATIE)
Bv. wetshistorische (voorbereidende doc.) en rechtshistorische interpretatie
Wetshistorische interpretatie:
WetsONTWERP = initiatief voor een wet door de regering
WetsVOORSTEL= initiatief voor een wet door eender welke partij uit het parlement
1) Memorie van toelichting:
moeten uitleg schrijven, leidraad geven (waarom, bedoeling, moeilijke woorden,…)
2) Advies Afdeling Wetgeving Raad van State:
moet voorgelegd worden aan de Raad van State, bij afdeling van Wetgeving → geven juridisch
technisch advies om tekst beter te maken, zegt veel over die wettekst
3) Verslag parlementaire commissie:
komt naar het parlement en wordt besproken in een commissie
4) Amendementen:
verslag van parlementaire commissie gaat naar de primaire zitting, aanpassingen door individuele
aanpassingen
5) Ontwerp goedgekeurd in één kamer:
uiteindelijk wordt gestemd en wordt de wet goedgekeurd → wettekst (wordt niet meer veranderd,
gepubliceerd en moet in werking gaan)
→ RATIO LEGIS = de bedoeling/reden van deze wet (begrijpen we die wet nog op dezelfde manier?)
Rechtshistorische interpretatie:
“Hoe wordt de wet anders geïnterpreteerd i.v.m. vroeger?”
“Hoe is die wet in de loop der jaren toegepast door de rechtbanken?”
“Hoe is die wet in de loop der jaren becommentarieerd door professoren, advocaten en zo meer?”
→ op die manier kunnen we ook door naar het verleden te kijken, het heden beter begrijpen, omdat
we beter begrijpen wat een begrip inhoudt
Historisch argument (INHOUD RECHT)
Inhoud van het recht = door de geschiedenis te kennen, kunnen we beter de inhoud van het recht
begrijpen (bv. rol van archieven: bewaren van het oude recht om te bewijzen wat het oude recht is en
zijn rol)
Historisch argument (INHOUD FEITEN)
Inhoud van de feiten = door de geschiedenis van de feiten te kennen, kunnen we die feiten beter
beoordelen (bv. negationismeprocessen: ontkennen van bepaalde feiten zoals de Holocaust)
“RECHT ‘DIENT’ GESCHIEDENIS” = heel veel van onze geschiedenis is het gevolg van enkele
familieaangelegenheden (17de - 18de eeuw: familieruzies om gebieden → successie-oorlogen)
Instellingen: dragers van de (politieke) macht (bv. dynastieën via erfrecht → belangrijk voor het
begrijpen van onze geschiedenis)
Het recht zorgt voor bronnen:
4