ANGST: een op de toekomst gerichte stemming die samengaat met voorbereidingen op mogelijke
negatieve gebeurtenissen in de nabije toekomst. VS VREES: alarmreactie die optreedt wanneer echt of
vermeend gevaar aanwezig is die gespaard gaan met gedachten aan direct gevaar (cognitief),
sympathische arousal met autonome symptomen zoals hartkloppingen, zweten en trillen (affectief) en ANGST
vluchten of ontsnappen uit situatie (conatief). Sprake van veiligheidsgedrag. Fight- flight- en freeze- Wanneer na een angstprikkel een ongewoon intense en/of langdurige angst ontstaat
reacties
die buiten proporties is, of wanneer de angst zonder angstprikkel aanwezig is, wordt
Paniekaanval. Plotseling opkomende aanvallen van angst, gespaard gaand met gesproken van pathologische angst. Hierbij is sprake van irreële en irrationele
een scala aan lichamelijke symptomen (minimaal 4*). Bereikt binnen 10min de percepties van realiteit. Er is sprak van een angststoornis als de pathologische angst
piek en neemt daarna geleidelijk af. Criteria paniekaanval * symptomen (minimaal 4) klinisch relevant is = dat de persoon er subjectief veel last van heeft in het dagelijks
o Cardiopulmonaal: hartkloppingen, bonzend hart of versnelde hartslag; pijn of onaangenaam leven.
gevoel op de borst; ademnood; gevoel naar adem te snakken Levensprevalentie 19%. Vrouwen 2x zo vaak. 6-maandenpiekprevalentie valt tussen de
o Autonoom: transpireren; koude rillingen of opvliegers
o Gastro-intestinaal; misselijkheid of maag-buikklachten
25e-44e levensjaar .
o Neurologisch: trillen of beven; parathesieen (verdoofd/tintelingen); duizeligheid of onvast
gevoel Classificatie angststoornissen (6x): Paniekstoornis, Agorafobie, Sociale-
o Pysch: derealisatie; depersonalisatie; vrees om zelfbeheersing te verliezen; vrees dood te angststoornis, GAS = Gegeneraliseerde angststoornis, Angststoornis door gebruik
gaan middel/medicatie en Angststoornis door somatische aandoening.
- Spontane: paniekaanval zonder duidelijke aanleiding. Kan ook tijdens de Soms horen er nog bij: specifieke fobie en obsessieve-compulsieve stoornis (handelingen/gedachten
slaap. Duurt 10-tal min. ter verlichting van angst)
- Situationele: paniekaanval die wordt uitgelokt door een voor de pt bekende Etiopathogenese. Omvat factoren die leiden tot een overactieve en disfunctionele
fobische situatie. Duurt net zolang tot de confrontatie weer weg is reactie van het brein op echte of vermeende bedreigingen. Multifactoriële aandoening.
Vermijdingsgedrag. Gedrag wat juist voorkomt dat de pt wordt geconfronteerd 1. Neuro / Biologische factoren of correlaten:
met de angstsituatie. - Neurotransmitters: dysregulatie van GABA (gamma-aminoboterzuur), dat
- Actief: altijd kalmerende medicatie bij of twee telefoons mee, voor het geval verantwoordelijk is voor de remming van overmatige hersenactiviteit. Overactiviteit
dat (voorbereid). van noradrenaline (stressrespons) en dysfunctie van serotonine (5-HT) zijn ook
- Passief: fobische reactie uit de weg gaan, zodat er geen confrontatie betrokken.
- Hersengebieden:
ANGST – DIAGNOSE, ontwikkeling en beloop o Amygdala: overactiviteit in de amygdala, een kerngebied voor het
Ontwikkeling. Angststoornissen debuteren in de kindertijd (specifieke fobie), in verwerken van angst, leidt tot overdreven reacties op bedreigingen.
de pubertijd (sociale-, angststoornis en gegeneraliseerde angststoornis) en in de o Prefrontale cortex: verminderde regulerende invloed van de prefrontale
vroege volwassenheid (paniekstoornis en agorafobie = straatvrees). Meestal cortex op de amygdala draagt bij aan onbeheerste angstreacties.
ontstaat dit sluipend, vaak na een exces aan stressvolle levens-gebeurtenissen,
- HPA-as: chronische stress kan leiden tot een overactieve HPA-as, wat angstgevoel
maar kan ook ‘zomaar’ beginnen zonder een uitlokkende factor/trigger.
kan versterken.
Premorbide is vaak sprake van een ‘internaliserend temperament’ = emoties - Genetica: angststoornissen hebben een erfelijke component, geschatte genetische
voornamelijk naar binnen toe te verwerken; neiging naar binnen te keren bij bijdragen 30-50%.
stress, grotere kans op piekeren. 2. Psychologische factoren of correlaten:
De sensitiviteit en specificiteit van deze risicofactoren is laag; veel mensen die - Cognitieve biassen: neiging om neutrale of ambigue situaties als bedreigend te
als kind introvert waren ontwikkelen later geen angststoornis. Bij pt die op latere interpreteren.
leeftijd angststoornissen ontwikkelen wordt de persoonlijkheidsontwikkeling
- Conditionering: angststoornissen kunnen ontstaan door klassieke conditionering
vaak door deze angsten beïnvloed. Er kan co-morbide
(associatie van een neutrale prikkel met een angstreactie) en blijven bestaan door
persoonlijkheidsstoornissen ontstaan met afhankelijke- vermijdende en/of
operante conditionering (vermijding van de prikkel vermindert de angst op korte
dwangmatige kenmerken.
termijn).
Beloop. Wisselend. Sommige herstellen volledig na eerste episode, andere 3. Sociale en omgevingsfactoren (integratie):
hebben chronisch last. - Levensgebeurtenis: traumatische ervaringen, zoals mishandeling of ziekte,
Er kan uiteindelijk ook kans zijn op gecompliceerde angst door volledige therapie verhogen het risico
resistentie. - Culturele invloed: sociale normen en verwachtingen kunnen bijdragen aan
Diagnostiek. Meestal melden pt zich met angststoornissen icm specifieke angststoornissen.
lichamelijke/somatische klachten. 4. Evolutie-biologische verklaring: angst is een evolutionaire aanpassing om te
- Duur en beloop van klachten (continue/aanvallen) overleven, maar bij angststoornissen is deze reactie uit balans, vaak zonder echte
- Duur en frequentie van aanvallen bedreiging.
- Ernst van klachten, mate van subjectieve lijdensdruk
- Begeleidende factoren (hartkloppingen, transpireren, benauwdheid, trillen, Geneesmiddelen of toxische stoffen die ANSGT-stoornissen kunnen
maagklachten ect) veroorzaken
- Focus op angst Gebruik of Alcohol en Alcohol, Amfetamine, Cafeïne, Cannabis, Cocaïne,