Studiegids & 50 oefenvragen
Macro-economie — Hoofdstukken 18 t.e.m. 29
gevolgd door 50 meerkeuzevragen op examenniveau met oplossingen.
,Hoofdstuk 18 — Macro-economische analyse
De macro-economie bestudeert de economie als geheel (alle markten samen), niet als een
simpele optelsom van losse micro-markten. Het geheel is meer dan de som van de delen om
drie redenen: (1) markten van goederen en van productiefactoren zijn met elkaar verbonden via
terugkoppelingen, (2) geld speelt op macroniveau een veel grotere rol, en (3) over markten heen
ontstaan onvermijdelijk informatie- en coordinatieproblemen.
De economische kringloop en de wet van Say
In de economische kringloop verkopen bedrijven goederen aan consumenten (de
bestedingszijde: totale opbrengst = P x Q) en verkopen consumenten hun arbeid en kapitaal aan
bedrijven, waarvoor ze loon en dividend ontvangen (de inkomenszijde). Alle opbrengst van de
productie wordt zo uitbetaald als inkomen: productie en inkomen hangen onlosmakelijk samen.
Dat is het terugkoppelmechanisme.
Figuur: De economische kringloop: de bestedingszijde (onderzijde) en de inkomenszijde (bovenzijde) hangen samen.
Omdat productie vanzelf inkomen creeert dat opnieuw besteed kan worden, geldt de wet van
Say: "Elk aanbod creeert zijn eigen vraag." Hieruit volgen twee inzichten: er bestaan
terugkoppelingen die in de micro-economie ontbreken, en het klassieke evenwichtsdenken werkt
niet langer zodra consumenten gaan sparen. Sparen veroorzaakt namelijk een spaarlek: er
wordt minder uitgegeven, dus minder inkomen gecreeerd.
Het belang van geld
In de micro-economie neemt men aan dat geld neutraal is: de geldstroom en de reele
goederenstroom weerspiegelen dezelfde realiteit, dus geld zou geen effect hebben op de reele
economie. In de macro-economie geldt het nieuwe inzicht dat geld NIET neutraal is en wel
degelijk reele grootheden beinvloedt.
Het verband tussen geld en goederen vatten we in de identiteit van Fisher: P x Q = M x V.
Hierbij zijn M (geldhoeveelheid) en P (prijspeil) voorraadvariabelen (gemeten op een tijdstip), en
zijn Q (reeel bbp) en V (omloopsnelheid van geld) stroomvariabelen (gemeten over een
periode). De nominale waarde van de goederenstroom moet op elk ogenblik gelijk zijn aan de
geldstroom die de transacties mogelijk maakt.
, Figuur: Geld is op macroniveau niet neutraal; de identiteit van Fisher PQ = MV koppelt de geldstroom aan de
goederenstroom.
Informatie- en coordinatieproblemen
Bij volmaakte mededinging coordineert het prijsmechanisme de markt vanzelf. In werkelijkheid
zorgen informatieproblemen ervoor dat dit vaak niet perfect werkt. Twee voorbeelden: (1)
Investeringen: bij onzekerheid kijken bedrijven naar hun concurrenten. Als die investeren, volgen
de anderen (investeringsboom); als een bedrijf terugschroeft, volgt de rest (investeringsbust).
Keynes noemde dit kuddegedrag de animal spirits (bandwagon-effect). (2) De spaarparadox: als
iedereen tegelijk meer wil sparen, daalt de consumptie, dus de productie, dus het inkomen,
waardoor men uiteindelijk minder kan sparen. Individuele rationaliteit leidt zo tot een negatieve
collectieve uitkomst.
Van Keynes naar de klassieken en terug
De klassieken (Smith, Malthus, Ricardo) hanteren de evenwichtsbenadering (wet van Say),
maar konden het uitblijven van herstel tijdens de Grote Depressie niet verklaren. De
keynesianen (Keynes, Hicks) kozen daarom voor een onevenwichtsbenadering door
marktimperfecties, en wilden de economie sturen met budgettair beleid. De monetaristen
vonden monetair beleid efficienter dan budgettair beleid. De nieuw-klassieken (Lucas, Sargent,
Kydland, Prescott) keerden terug naar het evenwichtsdenken met een micro-economische
onderbouwing, wat leidde tot de Real Business Cycle-theorie.
Kernpunten
Macro is meer dan de som van micro door terugkoppelingen, de rol van geld en
informatieproblemen.
Wet van Say: elk aanbod creeert zijn eigen vraag; sparen veroorzaakt een spaarlek.
Identiteit van Fisher: PQ = MV. M en P = voorraad; Q en V = stroom.
Geld is op macroniveau NIET neutraal (Keynes).
Animal spirits en spaarparadox tonen hoe coordinatieproblemen de economie verstoren.
, Hoofdstuk 19 — De nationale rekeningen
Het Bruto Binnenlands Product (bbp) is de totale waarde van wat binnen een economie in een
bepaalde periode wordt geproduceerd. Het slaat op finale goederen en is de belangrijkste
maatstaf voor economische activiteit. "Bruto" = zonder rekening te houden met depreciatie
(afschrijving) van de kapitaalstock. "Binnenlands" = territoriaal: wat binnen de landsgrenzen
wordt geproduceerd. "Product" = de gecreeerde toegevoegde waarde.
Belangrijke begrippen: alle goederen worden uitgedrukt in marktprijzen (anders kun je staal en
bananen niet optellen). Men gebruikt enkel finale goederen om dubbeltellingen te vermijden
(intermediaire goederen dienen als input voor andere goederen). Import wordt afgetrokken;
export bestaat altijd uit finale goederen.
Drie benaderingen van het bbp
Het bbp kan vanuit drie perspectieven berekend worden, met identiek resultaat. (1)
Productiebenadering: de som van alle toegevoegde waarden binnen de economie (omzet +
voorraadwijzigingen - intermediaire inputs). De toegevoegde waarde van de overheid wordt aan
kostprijs benaderd (= de lonen die de overheid uitkeert), want publieke goederen worden niet
verkocht. Huishoudelijke productie wordt nauwelijks meegerekend (uitzondering: kadastraal
inkomen).
(2) Inkomensbenadering: toegevoegde waarde = inkomen, verdeeld over de productiefactoren.
BBPink = inkomen uit arbeid (Yarb) + bruto-exploitatieoverschot en gemengd inkomen (Yven) +
netto indirecte belastingen (Tind = bruto indirecte belastingen - subsidies). Let op: bbp tegen
marktprijzen is NIET gelijk aan de loutere factorvergoedingen, want marktprijzen bevatten ook
indirecte belastingen.
(3) Bestedingsbenadering: BBP = C + G + I + E - Z. Hierbij is C de private consumptie, G de
overheidsconsumptie, I de investeringen, E de export en Z de import. C + G + I noemen we de
binnenlandse absorptie (binnenlandse vraag). Transfers (pensioenen, kinderbijslag) zijn geen
toegevoegde waarde maar herverdeling, en tellen dus niet mee. Netto investeringen = bruto
investeringen - depreciatie.