De Drie Hoofdfuncties van Geld
Betaalmiddel
Bewaarmiddel (Dit is essentieel voor sparen, investeren en het
plannen van toekomstige uitgaven.)
Waardemeter (rekeneenheid)
Verschillende Soorten Geld
1. Chartaal Geld (Cash): bankbiljetten en munten --> wettige
betaalmiddel
2. Giraal Geld: onmiddellijk opvraagbare tegoeden die bij commerciële
banken-->Dit is geen fysiek geld, maar een digitale registratie van
tegoeden. Transacties met giraal geld vinden plaats via
overschrijvingen, pinbetalingen, creditcardbetalingen of mobiele
betaalapps, betalen met bankkaart.
3. Quasi-geld: Het zijn deposito's op termijn of spaarrekeningen met
een looptijd van minder dan twee jaar of een opzegtermijn van
minder dan drie maanden. --> geen rechstreekse betaalmiddel
Wat zijn monetaire aggregaten?
Monetaire aggregaten zijn verschillende ‘maatstaven’ (maateenheid)
van geld in de economie, gerangschikt naar hoe makkelijk je het kunt
gebruiken om te betalen (liquiditeit).
Liquiditeit = hoe snel iets in betaalmiddelen kan worden omgezet.
Centrale banken gebruiken deze aggregaten om inzicht te krijgen
in hoeveel geld er in de economie circuleert, want dat
beïnvloedt inflatie, rente en economische groei.
De drie belangrijkste aggregaten
1. M1 = het meest liquide geld
Wat zit erin?
o Chartaal geld → contant geld: munten en
biljetten.
o Giraal geld → bankrekeningen die je
direct kunt gebruiken (zichtrekeningen, pinpas).
, o --> in enge zin
Waarom belangrijk?
o M1 meet het geld dat mensen direct kunnen uitgeven, dus
het geeft inzicht in de kortetermijnkoopkracht en
transacties.
Formule:
M1=Chartaalgeld+Giraalgeld(zichtrekeningen)M1 = Chartaal geld + Giraal
geld (zichtrekeningen)M1=Chartaalgeld+Giraalgeld(zichtrekeningen)
Geldsubstitutie : van chartaal naar giraal geld.
Waarom deze aggregaten relevant zijn
1. Centrale banken gebruiken ze om te zien hoeveel geld er in de
economie is.
2. Een snelle groei van geld kan inflatie veroorzaken, te weinig groei
kan deflatie of zwakke economie betekenen.
3. Ze koppelen dit vaak aan de Fisher-verkeersvergelijking:
M×V=P×QM \times V = P \times QM×V=P×Q
(Een snelle groei van de geldhoeveelheid kan duiden op toekomstige
inflatie, terwijl een trage groei kan wijzen op deflatoire druk of een zwakke
economische activiteit. Dit is een van de redenen waarom de
verkeersvergelijking van Fisher (die de relatie tussen geldhoeveelheid,
omloopsnelheid, prijspeil en reële economische activiteit beschrijft) zo
relevant is.)
Waarbij MMM = geldhoeveelheid, VVV = omloopsnelheid, PPP = prijzen,
QQQ = productie.
Geldschepping: alle acties die de totale geldhoeveelheid laten groeien.
Geldvernietiging: alle acties die de totale geldhoeveelheid afnemen.
Geldschapping: HOE?
Emissie door de centrale bank: De Europese Centrale Bank (ECB)
is de emissiebank en de 'lender of last resort', verantwoordelijk voor
, de uitgifte van bankbiljetten. De centrale banken van de eurozone
geven ook munten uit, zij het in beperkte mate.
Girale geldschepping door commerciële banken bij
kredietverlening: Commerciële bank verstrekt een lening, creëert
zij giraal geld door het bedrag op de zichtrekening van de lener te
plaatsen. Dit geld wordt 'uit het niets' gecreëerd.
De beperkingen op geldschepping
Winstoogmerk en risico's: Banken streven naar winst, maar
kredietverlening brengt risico's met zich mee. Het inschatten en
beheren van deze risico's beperkt de bereidheid van banken om
onbeperkt krediet te verstrekken.
Vraag naar kredieten: De omvang van de geldschepping is ook
afhankelijk van de vraag naar kredieten door particulieren en
bedrijven. Deze vraag wordt beïnvloed door factoren zoals
consumenten- en producentenvertrouwen en de hoogte van de
rente.
Prudentieel toezicht door centrale banken: Centrale banken
oefenen toezicht uit op commerciële banken om de stabiliteit van
het financiële systeem te waarborgen. Dit omvat regels voor
kapitaalbuffers en liquiditeit, die de geldschepping beperken.
Basisgeld: alle bankbiljetten die de centrale bank heeft uitgegeven,
plus de deposito's die commerciële banken aanhouden bij de
centrale bank. Het basisgeld vormt de 'monetaire verplichtingen'
van de centrale bank.
Bankreserves: het chartaal geld in handen van de commerciële
banken, samen met hun deposito's bij de nationale bank.
Bankreserves maken geen deel uit van de geldhoeveelheid die in
omloop is in de economie, omdat ze niet direct door het publiek
worden gebruikt voor transacties. Ze dienen primair als buffer voor
banken en als basis voor girale geldschepping.
Ter info : Bitcoin
Bitcoin = cryptomunt = digitaal geld dat bestaat onder de vorm van een
computercode •
Voordelen bitcoin:
, • Snelheid transacties • Geen/lage transactiekosten • Onafhankelijk en
gedecentraliseerd • Anonimiteit • Mogelijkheid om zeer lage bedragen
over te schrijven • Geen bank nodig
Nadelen bitcoin:
• Legaal maar geen wettig betaalmiddel • Geen ondersteuning door
centrale overheden • Witwaspraktijken en ‘verboden’ websites • Veiligheid
à digitale portemonnee à papieren portemonnee • Beleggingsinstrument à
Volatiliteit door ‘beperkte hoeveelheid’
Inflatie
Euro is minder waard
Koopkracht van geld verminderd
2% inflatie is ideaal
Soorten inflatie
Hyperinflatie: Een extreme en oncontroleerbare inflatie, vaak
gedefinieerd als een maandelijkse inflatie van meer dan 50%.
(Historische voorbeelden zijn Hongarije (1946), Duitsland (1923) en
Zimbabwe (2009), waar de Zimbabwaanse dollar zo waardeloos werd dat
35 biljoen ZWD gelijkstond aan 1 USD.)
Hollende (galloping) inflatie: Een zeer hoge inflatie, typisch in
het bereik van 7-10% per jaar.
Kruipende (creeping) inflatie: Een lage en geleidelijke inflatie,
vaak tussen 3-4% per jaar, die als beheersbaar wordt beschouwd.
Nulinflatie: Een situatie waarin het prijspeil stabiel blijft en er geen
sprake is van prijsstijgingen of -dalingen.
Desinflatie: Dit is een afname van de inflatie, wat betekent dat
prijzen nog steeds stijgen, maar in een langzamer tempo dan
voorheen.
Deflatie (<0%): Een situatie waarin het algemene prijspeil daalt.
Stagflatie: Een zeldzame en ongewenste combinatie van
economische stagnatie (lage groei en hoge werkloosheid) en hoge
inflatie.
Kerninflatie (core inflation): Een maatstaf voor inflatie die de
volatiele prijzen van energie en onbewerkte voedingsmiddelen
uitsluit, om een beter beeld te krijgen van de onderliggende
prijsontwikkeling.