Thema’s uit de orthopedagogiek:
gedrags- en
opvoedingsproblemen
1. Verstoorde hechting
1.1 Historische situering
Jaren 1950-1960
John Bowlby: grondlegger hechtingstheorie
= belang van eerste band tussen kind en moeder in studies voor jeugddelinquentie
kinderen genetisch voorgeprogrammeerd om zorg te krijgen van moederfiguur
! Geen goede zorg: onomkeerbaar negatief effect
Mary Ainsworth: observaties van moeder-kind interacties a.d.h.v. Vreemde Situatie Procedure
GEVOLG: 4 types van hechting
Jaren 1970
Michael Rutter: oorspronkelijke hechtingstheorie aangevuld en gecorrigeerd
= belang van band kind-zorgfiguur, MAAR niet persé moeder
+ herstel hechting mogelijk
! Moederlijke deprivatie als kwetsbaarheidsfactor (≠ veroorzaker)
Jaren 1980-1990
Mary Main: van focus op kind naar focus op kwaliteit van primaire hechtingsfiguur
persoonlijkheids- en hechtingskenmerken van vader en moeder
GEVOLG: ontstaan van intergenerationeel en transactioneel perspectief
DUS: dingen kunnen worden doorgegeven
+ interactie kind en hechtingsfiguur centraal
Jaren 1990-heden
Centraal: explosie van hechtingsdenken en -handelen
GEVOLG: toepassingen op volledige levensloop, focus op andere dan primaire
verzorgers (VB: adhoc-figuren), implicaties voor psychopathologie/
therapie/denken rond opvoeding
1
,1.2 Hechting
Centraal: affectieve band die zich ontwikkelt tussen kind en verzorgingsfiguur
+ mate van vertrouwen in beschikbaarheid van zorg in tijden van stress
DUS: gaat niet over biologisch aspect, maar over vertrouwensband
+ ontwikkeling verloopt in verschillende fasen
0-3 maanden: maakt niet uit wie zorg biedt
4-6 maanden: meer positieve gerichtheid op mama/papa/kinderverzorgster
6-8 maanden: uitgesproken voorkeur + ontstaan scheidingsangst
Vanaf 12 maanden: hechtingsgedrag
Vanaf 3 jaar: kunnen eigen gedrag bijstellen in functie van persoon
! Kind heeft tijd nodig en kan slechts groeien binnen relatie
Hechting: 2 kanten, waartussen goed samenspel moet plaatsvinden
Kant van het kind: observeerbaar gehechtheidsgedrag
= kind durft te vertrouwen op de ander (VB: in stress)
DUS: geënt op intern werkmodel
= voorstelling over hoe kind de omgeving en
verzorgingsfiguur waarneemt
GEVOLG: verinnerlijken tot bepaalde gehechtheids-
representatie (= state of mind)
VB: vertrouw ik erop dat mama helpt?
! Twee polen in gedrag te herkennen
nabijheid zoeken bij ouder bij stress/verveling/blijheid
exploreren van omgeving als het kind zich gerust voelt
Kant van de volwassene: kind leert deze kant pas kennen als volwassene helpt het
vertrouwen in deze kant te ontwikkelen
DUS: belang van goede zorgfiguur
indien nodig: beschikbaar zijn en ingrijpen,
indien niet nodig: niet tussenkomen
GEVOLG: veilige basis en veilige haven
= kind moet kunnen exploreren en nabijheid opzoeken
Cirkel van veiligheid
= koppeling kant van het kind en volwassene
Hechting ontstaat door interactie tussen ouder en kind
Veilige basis: exploratie ondersteunen
DUS: op kind letten, helpen, plezier delen
Veilige haven: tonen dat kind zich mag wenden
DUS: beschermen, troosten, kind graag zien
! Noodzakelijk: sensitiviteit, continuïteit, mentaliseren
2
,Hechting leert men en ontwikkelt tussen mensen
DUS: wederzijds proces
MAAR: koppeling uit balans zorgt voor onveilige hechting
Vermijdende hechting: wel exploreren, geen nabijheid zoeken
Ambivalente hechting: niet exploreren, wel nabijheid zoeken
Gedesorganiseerde hechting: niet exploreren, geen nabijheid zoeken
1.3 Verstoorde hechting
Onveilige gehechtheid leidt niet per definitie tot hechtingsstoornis
MAAR: stoornis ontstaat wanneer situatie van onveilige hechting blijft voortbestaan
DUS: geen duidelijk hechtingsfiguur op wie het kind zich kan richten en die adequaat
reageert op signalen
GEVOLG: geen gehechtheidsrelatie gevormd
Invloed op alle ontwikkelingsdomeinen
Veilige hechting: essentieel voor sociaal-emotionele, taal- en cognitieve ontwikkeling van kind
Onveilige hechting: risicofactor in sociaal-emotionele ontwikkeling van kind
Domeinen:
Relationeel functioneren: negatieve, geblokkeerde en ambivalente patronen
Aantrekken-afstoten: geloven niet dat men hen graag ziet
Wantrouwen t.o.v. buitenwereld: kunnen op niemand rekenen
+ continu alert en ongerust
Vals positief gedrag: loyaliteit naar ouders, DUS vleien/beamen
Inconsistente relatiepatronen, splitting: goede en slechte mensen
Gestoorde relatie met leeftijdsgenoten: uiten van continu wantrouwen
Emotioneel functioneren: vertraagde/vervormde emotionele beleving, wisseling tussen
overspoeling en onbewogenheid
Beperkte emotionele differentiatie: negatieve gevoelens overheersen
VB: schaamte, woede, jaloezie,…
Tekort aan emotionele controle: kunnen emoties niet goed reguleren
Tekort aan empathie met zichzelf: voortdurend schuld- en schaamtegevoelens
GEVOLG: woede, slachtofferpositie,
weinig kunnen genieten,…
Cognitief functioneren: onderdrukking schools leren/zelfredzaamheid door niet exploreren
Gedrukte taalontwikkeling: zwak taalbegrip en uiten in taal
Zwak symbolisch spel: weinig fantasie/symboliek/creativiteit
Moeilijk schoolse aanpassingen: weinig motivatie om nieuwe dingen te leren
Discongruent zelfstandig functioneren: plantrekkers of zwakke zelfzorg
3
, Gedragsmatig functioneren: impulsen en egocentrische noden niet reguleren in interacties
GEVOLG: tekort aan gedragscontrole
Gedesorganiseerd gedrag: chaotisch en ongericht
Egocentrisch gedrag: staan zelf heel centraal in eigen denken
Agressief en destructief gedrag
Ik-sterkte en zelfbeeld: negatief en vals zelfbeeld + bij problemen geen copingsmechanismen
Zwakke ik-opbouw: kunnen enkel terugvallen op negatief/vals zelfbeeld
Zwakke frustratie-tolerantie: alle facetten van ontwikkeling zijn geraakt
Geen kern om vast te houden: afhankelijk van anderen om iemand te zijn
WANT: voelen zich niemand
Misvattingen in werken met kinderen
Bodemloze kinderen: gevoel dat men kan blijven geven, maar het is nooit genoeg
MAAR: wel omkeerbaar/herstel mogelijk
Alleen functioneel contact mogelijk: geen nabijheid, want meer problemen
MAAR: hebben nabijheid net als nieuwe leerervaring nodig
Hechting kan problematisch zijn door verwenning
DUS: niet enkel door verwaarlozing/mishandeling
Centrale moeilijkheden: aandachtvragend gedrag, negatief beeld over zichzelf/anderen gaan
bevestigen, schuld- en schaamtegevoelens bij kind, onbetrouwbaarheid
! Positieve hechtingservaringen zijn noodzakelijk
1.4 Diagnostiek van verstoorde hechting
Stappenplan
Stap 1: Bredere diagnostische blik op ouder-kind interactie
kant van het kind: responsiviteit, betrekt het de ouder, is het gericht op relatie,…?
kant van de ouder: is deze beschikbaar, communicatie, sensitiviteit, responsiviteit,….?
interactie: wederkerigheid, bandopbouw,…?
4
gedrags- en
opvoedingsproblemen
1. Verstoorde hechting
1.1 Historische situering
Jaren 1950-1960
John Bowlby: grondlegger hechtingstheorie
= belang van eerste band tussen kind en moeder in studies voor jeugddelinquentie
kinderen genetisch voorgeprogrammeerd om zorg te krijgen van moederfiguur
! Geen goede zorg: onomkeerbaar negatief effect
Mary Ainsworth: observaties van moeder-kind interacties a.d.h.v. Vreemde Situatie Procedure
GEVOLG: 4 types van hechting
Jaren 1970
Michael Rutter: oorspronkelijke hechtingstheorie aangevuld en gecorrigeerd
= belang van band kind-zorgfiguur, MAAR niet persé moeder
+ herstel hechting mogelijk
! Moederlijke deprivatie als kwetsbaarheidsfactor (≠ veroorzaker)
Jaren 1980-1990
Mary Main: van focus op kind naar focus op kwaliteit van primaire hechtingsfiguur
persoonlijkheids- en hechtingskenmerken van vader en moeder
GEVOLG: ontstaan van intergenerationeel en transactioneel perspectief
DUS: dingen kunnen worden doorgegeven
+ interactie kind en hechtingsfiguur centraal
Jaren 1990-heden
Centraal: explosie van hechtingsdenken en -handelen
GEVOLG: toepassingen op volledige levensloop, focus op andere dan primaire
verzorgers (VB: adhoc-figuren), implicaties voor psychopathologie/
therapie/denken rond opvoeding
1
,1.2 Hechting
Centraal: affectieve band die zich ontwikkelt tussen kind en verzorgingsfiguur
+ mate van vertrouwen in beschikbaarheid van zorg in tijden van stress
DUS: gaat niet over biologisch aspect, maar over vertrouwensband
+ ontwikkeling verloopt in verschillende fasen
0-3 maanden: maakt niet uit wie zorg biedt
4-6 maanden: meer positieve gerichtheid op mama/papa/kinderverzorgster
6-8 maanden: uitgesproken voorkeur + ontstaan scheidingsangst
Vanaf 12 maanden: hechtingsgedrag
Vanaf 3 jaar: kunnen eigen gedrag bijstellen in functie van persoon
! Kind heeft tijd nodig en kan slechts groeien binnen relatie
Hechting: 2 kanten, waartussen goed samenspel moet plaatsvinden
Kant van het kind: observeerbaar gehechtheidsgedrag
= kind durft te vertrouwen op de ander (VB: in stress)
DUS: geënt op intern werkmodel
= voorstelling over hoe kind de omgeving en
verzorgingsfiguur waarneemt
GEVOLG: verinnerlijken tot bepaalde gehechtheids-
representatie (= state of mind)
VB: vertrouw ik erop dat mama helpt?
! Twee polen in gedrag te herkennen
nabijheid zoeken bij ouder bij stress/verveling/blijheid
exploreren van omgeving als het kind zich gerust voelt
Kant van de volwassene: kind leert deze kant pas kennen als volwassene helpt het
vertrouwen in deze kant te ontwikkelen
DUS: belang van goede zorgfiguur
indien nodig: beschikbaar zijn en ingrijpen,
indien niet nodig: niet tussenkomen
GEVOLG: veilige basis en veilige haven
= kind moet kunnen exploreren en nabijheid opzoeken
Cirkel van veiligheid
= koppeling kant van het kind en volwassene
Hechting ontstaat door interactie tussen ouder en kind
Veilige basis: exploratie ondersteunen
DUS: op kind letten, helpen, plezier delen
Veilige haven: tonen dat kind zich mag wenden
DUS: beschermen, troosten, kind graag zien
! Noodzakelijk: sensitiviteit, continuïteit, mentaliseren
2
,Hechting leert men en ontwikkelt tussen mensen
DUS: wederzijds proces
MAAR: koppeling uit balans zorgt voor onveilige hechting
Vermijdende hechting: wel exploreren, geen nabijheid zoeken
Ambivalente hechting: niet exploreren, wel nabijheid zoeken
Gedesorganiseerde hechting: niet exploreren, geen nabijheid zoeken
1.3 Verstoorde hechting
Onveilige gehechtheid leidt niet per definitie tot hechtingsstoornis
MAAR: stoornis ontstaat wanneer situatie van onveilige hechting blijft voortbestaan
DUS: geen duidelijk hechtingsfiguur op wie het kind zich kan richten en die adequaat
reageert op signalen
GEVOLG: geen gehechtheidsrelatie gevormd
Invloed op alle ontwikkelingsdomeinen
Veilige hechting: essentieel voor sociaal-emotionele, taal- en cognitieve ontwikkeling van kind
Onveilige hechting: risicofactor in sociaal-emotionele ontwikkeling van kind
Domeinen:
Relationeel functioneren: negatieve, geblokkeerde en ambivalente patronen
Aantrekken-afstoten: geloven niet dat men hen graag ziet
Wantrouwen t.o.v. buitenwereld: kunnen op niemand rekenen
+ continu alert en ongerust
Vals positief gedrag: loyaliteit naar ouders, DUS vleien/beamen
Inconsistente relatiepatronen, splitting: goede en slechte mensen
Gestoorde relatie met leeftijdsgenoten: uiten van continu wantrouwen
Emotioneel functioneren: vertraagde/vervormde emotionele beleving, wisseling tussen
overspoeling en onbewogenheid
Beperkte emotionele differentiatie: negatieve gevoelens overheersen
VB: schaamte, woede, jaloezie,…
Tekort aan emotionele controle: kunnen emoties niet goed reguleren
Tekort aan empathie met zichzelf: voortdurend schuld- en schaamtegevoelens
GEVOLG: woede, slachtofferpositie,
weinig kunnen genieten,…
Cognitief functioneren: onderdrukking schools leren/zelfredzaamheid door niet exploreren
Gedrukte taalontwikkeling: zwak taalbegrip en uiten in taal
Zwak symbolisch spel: weinig fantasie/symboliek/creativiteit
Moeilijk schoolse aanpassingen: weinig motivatie om nieuwe dingen te leren
Discongruent zelfstandig functioneren: plantrekkers of zwakke zelfzorg
3
, Gedragsmatig functioneren: impulsen en egocentrische noden niet reguleren in interacties
GEVOLG: tekort aan gedragscontrole
Gedesorganiseerd gedrag: chaotisch en ongericht
Egocentrisch gedrag: staan zelf heel centraal in eigen denken
Agressief en destructief gedrag
Ik-sterkte en zelfbeeld: negatief en vals zelfbeeld + bij problemen geen copingsmechanismen
Zwakke ik-opbouw: kunnen enkel terugvallen op negatief/vals zelfbeeld
Zwakke frustratie-tolerantie: alle facetten van ontwikkeling zijn geraakt
Geen kern om vast te houden: afhankelijk van anderen om iemand te zijn
WANT: voelen zich niemand
Misvattingen in werken met kinderen
Bodemloze kinderen: gevoel dat men kan blijven geven, maar het is nooit genoeg
MAAR: wel omkeerbaar/herstel mogelijk
Alleen functioneel contact mogelijk: geen nabijheid, want meer problemen
MAAR: hebben nabijheid net als nieuwe leerervaring nodig
Hechting kan problematisch zijn door verwenning
DUS: niet enkel door verwaarlozing/mishandeling
Centrale moeilijkheden: aandachtvragend gedrag, negatief beeld over zichzelf/anderen gaan
bevestigen, schuld- en schaamtegevoelens bij kind, onbetrouwbaarheid
! Positieve hechtingservaringen zijn noodzakelijk
1.4 Diagnostiek van verstoorde hechting
Stappenplan
Stap 1: Bredere diagnostische blik op ouder-kind interactie
kant van het kind: responsiviteit, betrekt het de ouder, is het gericht op relatie,…?
kant van de ouder: is deze beschikbaar, communicatie, sensitiviteit, responsiviteit,….?
interactie: wederkerigheid, bandopbouw,…?
4