fonologie (zins- en klankleer)
Inleiding 2
Het nut van grammaticaal inzicht 2
Syntaxis 2
Grammatica en betekenis 2
Grammatica en lexicon 3
Subject 10
Perspectiefomkering 11
Nominale objecten 12
Gezegde 16
speciferend complement 17
Het adverbiale complement 18
satellieten 19
Bepaling van gesteldheid 19
Zinsmodificeerders 20
Verbale constituent 20
Nevenschikking 20
Onderschikking 21
Voegwoordzin 21
vraagwoordelijke bijzin 22
ontleding 22
relatiefzin 22
infinitiefconstructies 23
Klankleer 23
de klanken van het Nederlands 23
notatie 26
Fonotaxis 26
Variatie in de uitspraak vh Nederlands 28
Voc 37
1
,Inleiding
Het nut van grammaticaal inzicht
Soms wringen woorden met ons taalgevoel, maar kunnen we niet uitleggen waarom. Bij
voldoende taalinzicht kunnen we de problemen blootleggen.
Bv. foutieve vervoegingen; geen congruentie tussen subject en verbum; foutieve
verwijzingen*; foutieve beknopte bijzin/samentrekking; tante Betjes (foutieve inversie); fout
bij reflexiviteit (wederkerend) …
*verwijzing: het: altijd mannelijk verwijswoorden
- Ned: vaak Mannelijke woorden door gebrek aan dialect die genus duidelijk maakt
- Vl: vrouwelijke genus behouden, door doorschimmering in dialecten ‘ne’
Dus: We hebben grammaticaal inzicht en een begrippenapparaat nodig om vreemd
aanvoelende taalconstructies te expliciteren en te kunnen reflecteren over taalverandering
waarbij wat ooit als fout beschouwd werd vandaag niet meer fout klinkt.
Hoe? in grammaticaonderwijs krijg je een gereedschapskist om zinsconstructies te ontleden,
analyseren en de functies van elementen te kunnen onderkennen.
Syntaxis
= structuur- en functieleer
Grammatica en betekenis
taal: door mens gebruikt communicatiemiddel in zijn uiterlijke vorm bestaande uit een
verzameling zinnen, die dienen om te spreken over standen van zaken in de werkelijkheid
Grammatica van een taal
taalniveaus:
- klanken
- woorden en woorddelen
- zinnen
- teksten
Taal is opgebouwd uit klanken die we later neerpenden.
Zin: 3 facetten
- syntactisch: structuur, combineren van woorden en woordgroepen tot (welgevormde)
zinnen, functie van zinsdelen
- semantisch: betekenis, stand van zaken
- pragmatisch: communicatieve functie van taal, taalhandelingen/handelen
2
,Wij bekijken vooral het syntactische deel (doorgronden van structuur van zinnen en de
functie van de delen waaruit de zin is opgebouwd); niet los te koppelen van semantiek want
de bepaling van de functie van constituenten (=woorddelen) veronderstelt inzicht in
betekenis.
Grammatica= geheel van regels; mentaal systeem voor onze taal
Taalgebruiker= inwendig, mentaal-cognitief systeem (geheel regels die taalgebruiker
hanteert)
Taalbeschrijver= inventaris van regels, uitwendig taalsysteem, expliciteren van regels
(beschrijft regels om weergave te bieden van kennisbeeld taalgebruiker)
Woordgroepen: we denken niet in losstaande woorden, maar om betekenis te kunnen geven
aan zinnen denken we in woordgroepen
prescriptief en descriptief (voorschrijven wat goed is en beschrijven hoe het eruitziet)
Meeste grammatica’s zijn descriptief bedoeld
Veel mensen hebben moeite met onderscheid zien bv ANS: prescriptief opgevat terwijl het
een weergave van de realiteit wilt geven. Ze geven dus een descriptieve invalshoek.
→ discussies zoals de als-dandiscussie
Grammatica en lexicon
lexicon= geheel aan woorden
- mentaal: verzameling specifieke eig van woorden (lijst, betekenis, categorie,
morfologie en valentie)
- geschreven (woordenboek)
Zinnen bouwen kan alleen als je genoeg over zinnen begrijpt → raakvlak tussen lexicon en
grammatica
- zinsbouw w gestuurd door woordbetekenis
- lexicale kennis over eigenschap van woorden wordt gebruikt om geslaagde
woordcombi’s te maken
Valentieprincipe
- min aantal woorden dat je nodig hebt
bv: ‘hij snurkt’ kan op zichzelf bestaan, maar ‘hij verwenst’ niet
Woordsoorten
woorden: losse lexicale items die in categorieën kunnen worden opgedeeld obv
- syntactisch perspectief: combinatiemogelijkheden
- morfologisch perspectief: vormkenmerken
3
, - semantisch perspectief: betekeniskenmerken
(GEEN THEORIE, KUNNEN BENOEMEN)
gesloten: weinig dynamisch, maar niet onveranderlijk
bv: interpretatie sinds verandert
oorspronkelijk: vanaf een bepaalde periode
nu: voor het eerst sinds → voor het eerst weggelaten
OPEN
- zelfstandig naamwoord
- woorden voor mensen, dieren, zaken, concepten en stoffen
- abstract of concreet
- meerhoudsvorming en diminutiefvorming mogelijk
- bijvoeglijk naamwoord
- noemen eigenschappen en hoedanigheden
- attributief (vooruitlopend) of predicatief (achteruitlopend)
- buigingsvormen
- werkwoord
- centrale relatielegger in zin
- zelfstandig (betekenis= belangrijkst), koppel (syntactische functie bv zijn),
hulp (aangevuld door ander ww)
- vervoegbaar (zwak of sterk)
- vormen: indicatief; infinitief; imperatief; voltooid deelwoord; tegenwoordig of
onvoltooid deelwoord
- tijden: ott; vtt; ovt; vvt; ottt; vttt ; ovtt; vvtt
! tijdsvormen vallen niet noodzakelijk samen met uitgedrukte tijd op
aangenomen tijdsperspectief bv voor irrealis of beleefdheid uit te
drukken, reliëf creëren, …
GESLOTEN
- lidwoord
- aangeving; referent bepaald of niet
- een, de, het
- voornaamwoord: verwijst naar iets anders
- in plaats van woorden
- deiktisch (letterlijk aanwijzend) of taalintern (anaforisch of cataforisch)
- persoonlijk voornaamwoord
- bezittelijk voornaamwoord
- wederkerend voornaamwoord
- wederkerig voornaamwoord
4