Pedagogische Historiografie
o Verleden
= omvat alle historische gebeurtenissen die voorbij zijn.
o Geschiedenis
= is het onderzoek van dat verleden, op basis van bronnenonderzoek in het heden.
o Historiografie
= omvat de studie van historische methoden en theoretische kaders. Het omvat een collectie
van historische werken over een bepaald thema.
o Onderwijsgeschiedenis
= historische studie van het onderwijsverleden
o History/ historia
= kennis die door onderzoek en studie wordt bekomen
o Pedagogische historiografie
= geheel van geschiedenissen over opvoeding en onderwijs over het verleden (geen
vaststaand gegeven maar onderhevig aan veranderingen).
o Historicisme
= is een theorie die stelt dat geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk volgens vaste
wetten die kunnen worden ontdekt naar een bepaalde eindsituatie beweegt.
o Paradigma
= in de wetenschapsfilosofie is een samenhangend stelsel van modellen en theorieën die
een denkkader vormen waarbinnen de werkelijkheid geanalyseerd en beschreven wordt.
o Historisme
= negentiende-eeuwse stroming onder geschiedschrijvers die de methode van Von Ranke
volgden.
kenmerk: vraag naar objectiviteit; Hoe? Je laat de bronnen spreken voor zichzelf
o Ideeëngeschiedenis (1E helft van de 20ste eeuw)
= is een onderzoeksgebied binnen de geschiedenis, dat zich bezighoudt met de uitdrukking,
bewaring en verandering van menselijke ideeën in de loop der tijden.
o Pedagogische historiografie
= geschiedenis van ideeën en theorieën, werken van grote pedagogen worden bestudeerd
met als doel handvaten aan te reiken voor de toekomstige pedagogische praktijk.
o Vooruitgang discours:
=uitloper van de moderniteit, de reden staat centraal, via wetenschappelijke studie (rede) is
de basis voor m’ijke vooruitgang.
o Moderniteit/ modernisme
= totaal van vernieuwde stromingen vanaf eind 19 e eeuw die opkwam als reactie tegen het
realisme.
o De New cultural history of Education (’90)
= die aandacht vroeg voor de contextuele inbedding van het opvoedings en
onderwijsverleden het belang van de inclusie van verschillende bronnen en perspectieven in
het onderzoek, en onderstreepte dat de geschiedschrijving nooit volledig objectief kan
gebeuren omdat het een narratieve bezigheid is.
o Post modernisme
= beweging die de veronderstellingen van de moderniteit in vraag stelt. Vb: de notie van
vooruitgang door wetenschap.
, o Linguistic turn
= taal is geen objectieve beschrijving van de realiteit maar ook een uitdrukking van een
bepaalde denkstructuur.
o Instrumentalistische opvatting/aanpak
= de studie van het verleden de dienstmaagd van het heden of de toekomst. Gevolg:
vooruitgangsdenken. We bestuderen de geschiedenis om te leren van het verleden.
o Presentisme
= toepassen van hedendaagse normen op het verleden.
o Kritische aanpak
= belang van de erkenning van het verschil tussen verleden en heden.
Onderwijs in het Ancien Régime
(periode voor de verlichting 5e – vroege 17e eeuw)
o Goed persoon volgens plato
= burger die zich inzet in het collectief
o Doelstelling onderwijs voor de 5e eeuw:
= bepalen tot welke bevolkingsgroep u hoort en u voorbereiden op deze toekomstige
positie. Niet gebaseerd op afkomst maar op vaardigheden.
o Humanisme (15e- 16e eeuw)
= is een filosofische en ethische stroming die de waarde en de agency van de mens
(individueel en collectief) centraal stelt, en kritisch denken en ‘bewijs’ (rationalisme en
empirisme) boven doctrine en geloof plaatsen. Baseerde alle vormen van kennis op de
literatuur en cultuur van de klassieke oudheid!
o Doel van het onderwijs volgens de kerk (vanaf 5 e eeuw)
= mensen opleiden tot goede christenen (idee van vaardigheid verdwijnt) en christelijke
ideeën te verspreiden.
o Abdijen
= bijgedragen aan de verspreiding van kennis, mensen gaan ernaartoe om kennis op te
doen. Door het geschreven woord en de productie van manuscripten.
o Dorpsscholen
= vanaf 3jaar, chaos, geen klassikaal lesgeven, 1LK (vaak niet geschoold), geen didactisch
materiaal, leeftijden door elkaar, betalend, gericht op lezen en schrijven,…
o Hoofdelijk onderwijs
= ieder kind apart kreeg van de meester een opdracht en moest apart naar voor gaan om
onderwezen te worden (weinig efficiënt en meest courante vorm van onderwijzen voor 18 e
eeuw). Is alleen mogelijk omdat niet iedereen naar school ging (waren afhankelijk van
inkomens van kinderen)
o De Latijnse/grote school
= studie van de 7 vrije kunsten, nog niet ingedeeld per leeftijd maar wel gericht op
intellectuele en religieuze vorming adhv Lectio.
o Universiteiten
= waar de artesfaculteiten zich zouden toespitsen op onderwijzen van het quadrivium
o Beroepsgerichtonderwijs
= werden naar het atelier gestuurd van een meester om een ambacht te leren.
o Reformatie
= in vraagstellen van de machtspositie van de rooms-katholieke kerk door het
protestantisme
o Verleden
= omvat alle historische gebeurtenissen die voorbij zijn.
o Geschiedenis
= is het onderzoek van dat verleden, op basis van bronnenonderzoek in het heden.
o Historiografie
= omvat de studie van historische methoden en theoretische kaders. Het omvat een collectie
van historische werken over een bepaald thema.
o Onderwijsgeschiedenis
= historische studie van het onderwijsverleden
o History/ historia
= kennis die door onderzoek en studie wordt bekomen
o Pedagogische historiografie
= geheel van geschiedenissen over opvoeding en onderwijs over het verleden (geen
vaststaand gegeven maar onderhevig aan veranderingen).
o Historicisme
= is een theorie die stelt dat geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk volgens vaste
wetten die kunnen worden ontdekt naar een bepaalde eindsituatie beweegt.
o Paradigma
= in de wetenschapsfilosofie is een samenhangend stelsel van modellen en theorieën die
een denkkader vormen waarbinnen de werkelijkheid geanalyseerd en beschreven wordt.
o Historisme
= negentiende-eeuwse stroming onder geschiedschrijvers die de methode van Von Ranke
volgden.
kenmerk: vraag naar objectiviteit; Hoe? Je laat de bronnen spreken voor zichzelf
o Ideeëngeschiedenis (1E helft van de 20ste eeuw)
= is een onderzoeksgebied binnen de geschiedenis, dat zich bezighoudt met de uitdrukking,
bewaring en verandering van menselijke ideeën in de loop der tijden.
o Pedagogische historiografie
= geschiedenis van ideeën en theorieën, werken van grote pedagogen worden bestudeerd
met als doel handvaten aan te reiken voor de toekomstige pedagogische praktijk.
o Vooruitgang discours:
=uitloper van de moderniteit, de reden staat centraal, via wetenschappelijke studie (rede) is
de basis voor m’ijke vooruitgang.
o Moderniteit/ modernisme
= totaal van vernieuwde stromingen vanaf eind 19 e eeuw die opkwam als reactie tegen het
realisme.
o De New cultural history of Education (’90)
= die aandacht vroeg voor de contextuele inbedding van het opvoedings en
onderwijsverleden het belang van de inclusie van verschillende bronnen en perspectieven in
het onderzoek, en onderstreepte dat de geschiedschrijving nooit volledig objectief kan
gebeuren omdat het een narratieve bezigheid is.
o Post modernisme
= beweging die de veronderstellingen van de moderniteit in vraag stelt. Vb: de notie van
vooruitgang door wetenschap.
, o Linguistic turn
= taal is geen objectieve beschrijving van de realiteit maar ook een uitdrukking van een
bepaalde denkstructuur.
o Instrumentalistische opvatting/aanpak
= de studie van het verleden de dienstmaagd van het heden of de toekomst. Gevolg:
vooruitgangsdenken. We bestuderen de geschiedenis om te leren van het verleden.
o Presentisme
= toepassen van hedendaagse normen op het verleden.
o Kritische aanpak
= belang van de erkenning van het verschil tussen verleden en heden.
Onderwijs in het Ancien Régime
(periode voor de verlichting 5e – vroege 17e eeuw)
o Goed persoon volgens plato
= burger die zich inzet in het collectief
o Doelstelling onderwijs voor de 5e eeuw:
= bepalen tot welke bevolkingsgroep u hoort en u voorbereiden op deze toekomstige
positie. Niet gebaseerd op afkomst maar op vaardigheden.
o Humanisme (15e- 16e eeuw)
= is een filosofische en ethische stroming die de waarde en de agency van de mens
(individueel en collectief) centraal stelt, en kritisch denken en ‘bewijs’ (rationalisme en
empirisme) boven doctrine en geloof plaatsen. Baseerde alle vormen van kennis op de
literatuur en cultuur van de klassieke oudheid!
o Doel van het onderwijs volgens de kerk (vanaf 5 e eeuw)
= mensen opleiden tot goede christenen (idee van vaardigheid verdwijnt) en christelijke
ideeën te verspreiden.
o Abdijen
= bijgedragen aan de verspreiding van kennis, mensen gaan ernaartoe om kennis op te
doen. Door het geschreven woord en de productie van manuscripten.
o Dorpsscholen
= vanaf 3jaar, chaos, geen klassikaal lesgeven, 1LK (vaak niet geschoold), geen didactisch
materiaal, leeftijden door elkaar, betalend, gericht op lezen en schrijven,…
o Hoofdelijk onderwijs
= ieder kind apart kreeg van de meester een opdracht en moest apart naar voor gaan om
onderwezen te worden (weinig efficiënt en meest courante vorm van onderwijzen voor 18 e
eeuw). Is alleen mogelijk omdat niet iedereen naar school ging (waren afhankelijk van
inkomens van kinderen)
o De Latijnse/grote school
= studie van de 7 vrije kunsten, nog niet ingedeeld per leeftijd maar wel gericht op
intellectuele en religieuze vorming adhv Lectio.
o Universiteiten
= waar de artesfaculteiten zich zouden toespitsen op onderwijzen van het quadrivium
o Beroepsgerichtonderwijs
= werden naar het atelier gestuurd van een meester om een ambacht te leren.
o Reformatie
= in vraagstellen van de machtspositie van de rooms-katholieke kerk door het
protestantisme